Berichten

Muziek / Album

Muzikale hoop in een tijd van onzekerheden

recensie: Rodney DeCroo - Old Tenement Man

In het openingsnummer zingt Jack Taylor vanuit de gevangenis over de moord op zijn vader. Hij was vijfentwintig jaren jong toen hij zijn leven verloor met één schot. “Blew my life away,” klinkt het vanuit de cel. Rodney DeCroo vertolkt het nummer levensecht, misschien wel vanuit een kleine ruimte met slechts drie muren en een raam met spijlen. Heeft hij zijn vader omgelegd?

De carrière van de Canadees DeCroo zou verfilmd moeten worden. Een paar zinnen om niet alle dramatische gebeurtenissen te herkauwen, niet alle oude koeien uit de sloot te willen halen. Zeven jaren geleden besluit hij vlak voor een uitverkocht optreden de samenwerking met zijn band op te zeggen; hij schrijft een toneelstuk, neemt een spoken-word langspeler op, schrijft een dichtbundel en moet iets met de diagnose posttraumatische stress-stoornis. In zijn schrift met ideeën voor nieuwe songs kan hij traumatische gebeurtenissen uit zijn jeugd stapelen.

 

Pratend publiek

Het debuutalbum onder eigen naam verschijnt in 2004, daarna neemt hij het live album War Torn Man op. Op de schijf is pratend publiek te horen. Juist deze nachtmerrie voor optredende artiesten laat DeCroo horen. De voorlaatste release is Campfires On The Moon in 2015. Het is een verzameling toegankelijke nummers. Tien nummers en de demonen en de impulsieve beslissingen lijken bij DeCroo tot het verleden te horen.

 

Lou Reed

Voor zijn zevende album Old Tenement Man heeft DeCroo rock ‘n’ roll ballades geschreven. De teksten verhalen over helden als Lou Reed en Leonard Cohen. Met producer Lorrie Matheson wilde DeCroo niet opnieuw schrijven over gebeurtenissen uit het eigen verleden, maar wilde hij zingen over de bewondering voor anderen. ‘Lou Reed On The Radio’ is een prachtig voorbeeld. Zinderend uptempo gitaarwerk en een tekst met bewonderende woorden. De fan DeCroo zit gekluisterd aan de radio en hoort over de dood van een held en kan slechts in ongeloof luisteren en woorden van verdriet aan het papier toevertrouwen.

DeCroo vertelt in het persschrijven lyrisch over de samenwerking met Lorrie Matheson. Hij heeft deze producer muzikaal de vrije hand gegeven. “I’ve always been labeled alt-country and getting to draw from Lorrie’s breadth of knowledge pushed me out of my musical bubble,” vertelt DeCroo over het bevrijdende partnerschap. Zijn muzikale palet met vooral americana heeft een fiks shot rock ‘n’ roll gekregen. Daarnaast schuwt Matheson schurende effecten niet. De uitgebalanceerde, heldere nummers krijgen daarmee een extra muzikale lading.

 

Tekstuele kracht

De tien nummers op Old Tenement Man hebben grote zeggingskracht. Natuurlijk gebruikt DeCroo in zijn liedjes karakters uit het verleden. Er komen meer mensen langs dan alleen Lou Reed en Leonard Cohen. Geen van de bezoekers in de nummers slaagt er ditmaal in het humeur van DeCroo te bederven. Het album sluit af met ‘The Barrel Has A Dark Eye’. DeCroo gaat toch nog op zoek naar de duivels en de demonen. Hij geeft geen antwoord over zijn zoektocht, het is aan de luisteraar om na te denken.

Old Tenement Man is een productie met talloze verhalen. Rodney DeCroo neemt de luisteraar bij de hand en laveert met groot muzikaal vakmanschap langs de vele mogelijke moeilijkheden. Hij heeft geen pasklare oplossingen maar biedt fascinerende, muzikale hoop in deze tijd van onzekerheden.

Reageer op dit artikel

Muziek / Album

Muzikale hoop in een tijd van onzekerheden

recensie: Rodney DeCroo - Old Tenement Man

In het openingsnummer zingt Jack Taylor vanuit de gevangenis over de moord op zijn vader. Hij was vijfentwintig jaren jong toen hij zijn leven verloor met één schot. “Blew my life away,” klinkt het vanuit de cel. Rodney DeCroo vertolkt het nummer levensecht, misschien wel vanuit een kleine ruimte met slechts drie muren en een raam met spijlen. Heeft hij zijn vader omgelegd?

De carrière van de Canadees DeCroo zou verfilmd moeten worden. Een paar zinnen om niet alle dramatische gebeurtenissen te herkauwen, niet alle oude koeien uit de sloot te willen halen. Zeven jaren geleden besluit hij vlak voor een uitverkocht optreden de samenwerking met zijn band op te zeggen; hij schrijft een toneelstuk, neemt een spoken-word langspeler op, schrijft een dichtbundel en moet iets met de diagnose posttraumatische stress-stoornis. In zijn schrift met ideeën voor nieuwe songs kan hij traumatische gebeurtenissen uit zijn jeugd stapelen.

 

Pratend publiek

Het debuutalbum onder eigen naam verschijnt in 2004, daarna neemt hij het live album War Torn Man op. Op de schijf is pratend publiek te horen. Juist deze nachtmerrie voor optredende artiesten laat DeCroo horen. De voorlaatste release is Campfires On The Moon in 2015. Het is een verzameling toegankelijke nummers. Tien nummers en de demonen en de impulsieve beslissingen lijken bij DeCroo tot het verleden te horen.

 

Lou Reed

Voor zijn zevende album Old Tenement Man heeft DeCroo rock ‘n’ roll ballades geschreven. De teksten verhalen over helden als Lou Reed en Leonard Cohen. Met producer Lorrie Matheson wilde DeCroo niet opnieuw schrijven over gebeurtenissen uit het eigen verleden, maar wilde hij zingen over de bewondering voor anderen. ‘Lou Reed On The Radio’ is een prachtig voorbeeld. Zinderend uptempo gitaarwerk en een tekst met bewonderende woorden. De fan DeCroo zit gekluisterd aan de radio en hoort over de dood van een held en kan slechts in ongeloof luisteren en woorden van verdriet aan het papier toevertrouwen.

DeCroo vertelt in het persschrijven lyrisch over de samenwerking met Lorrie Matheson. Hij heeft deze producer muzikaal de vrije hand gegeven. “I’ve always been labeled alt-country and getting to draw from Lorrie’s breadth of knowledge pushed me out of my musical bubble,” vertelt DeCroo over het bevrijdende partnerschap. Zijn muzikale palet met vooral americana heeft een fiks shot rock ‘n’ roll gekregen. Daarnaast schuwt Matheson schurende effecten niet. De uitgebalanceerde, heldere nummers krijgen daarmee een extra muzikale lading.

 

Tekstuele kracht

De tien nummers op Old Tenement Man hebben grote zeggingskracht. Natuurlijk gebruikt DeCroo in zijn liedjes karakters uit het verleden. Er komen meer mensen langs dan alleen Lou Reed en Leonard Cohen. Geen van de bezoekers in de nummers slaagt er ditmaal in het humeur van DeCroo te bederven. Het album sluit af met ‘The Barrel Has A Dark Eye’. DeCroo gaat toch nog op zoek naar de duivels en de demonen. Hij geeft geen antwoord over zijn zoektocht, het is aan de luisteraar om na te denken.

Old Tenement Man is een productie met talloze verhalen. Rodney DeCroo neemt de luisteraar bij de hand en laveert met groot muzikaal vakmanschap langs de vele mogelijke moeilijkheden. Hij heeft geen pasklare oplossingen maar biedt fascinerende, muzikale hoop in deze tijd van onzekerheden.

Reageer op dit artikel

Muziek / Album

Een gevoelige tekst voor een stem met een snik

recensie: Jeffrey Halford & The Healers – Lo-Fi Dreams

In 2014 verschijnt Kerosene, het achtste album van Jeffrey Halford & The Healers. De agenda van deze muzikanten groep is dat jaar eenvoudig. Ze nemen nieuw materiaal op in een studio óf zijn  onderweg naar een podium om heel veel countryrock liedjes te spelen. Kerosene was een goed gekozen titel. De groep gebruikt brandstof om van plaats naar plaats te reizen en krijgt energie door het vele optreden en de respons van het publiek. Door het toeren heeft het even geduurd voor het nieuwe materiaal verschijnt, maar nu is Lo-Fi Dreams verkrijgbaar.

Jeffrey Halford is een in Dallas geboren zanger, liedjessmid en gitarist. In zijn jeugd luistert hij op de transistorradio naar Roger Miller. Deze zanger en acteur zong in 1965 het nummer ‘King Of The Road’ de Nederlandse hitlijsten in. Na wat omzwervingen belandt het gezin Halford in San Francisco, waar de tiener Jeffrey architectuur studeert en op de straathoeken zijn eerste liedjes ten gehore brengt.

Anno 2017 heeft Halford op het podium gestaan met Mick Fleetwood, Canned Heat, Guy Clark, Robert Earl Keen and Ramblin’ Jack Elliott, Taj Mahal, Etta James, Los Lobos en John Hammond. Geen misselijke groep muzikanten. Als componist wordt de Amerikaan in een rij met John Prine, Randy Newman en John Fogerty gezet.

Gevoelige inkt

Toxic is het debuutalbum van Halford. Net als opvolger Nine Hard Days zijn deze releases al jaren ‘out of print’. De langspeler Kerosene is nog gewoon verkrijgbaar. Jeffrey Halford & The Healers maken rootsrock met een flinke veeg romantiek. Een voorbeeld is de tekst van het nummer ‘Driving Alone’. Een band is aan het toeren, het podium staat in een wat kil kot en de toeschouwers zijn afstandelijk en kritisch. Halford zingt met een snik in zijn stem de volgende tekst: ‘The lonesome singer moaned through the speaker that was blown, while I was driving alone.’ Het is zo goed als onmogelijk meer drama en romantiek in een zin te vatten.

Gruzelementen

Ook voor Lo Fi Dreams heeft Halford de pen weer diep in de gevoelige inkt gestoken. In het nummer ‘10.000 miles’ reist de eenzame muzikant naar huis. ‘I’m rolling home to you,’ en daarna komt het nummer op gang voor ‘10.000 miles and 10.000 more’. De titel van het nummer ‘Looking For A Home’ zegt veel. Een echtpaar wordt door de sheriff het huis uitgezet en zal op zoek moeten naar een nieuwe plek om te wonen. Armoede en sentiment in een swingend traditioneel nummer. “Get your things, honey get your things. We gotta leave.” En dan jengelt er zo’n heerlijke steel gitaar. In ‘Elvis Shot The Television’ laat Halford horen humor en bewondering in een liedje te kunnen vatten. De luisteraar ziet bij de woorden Elvis onderuit gezakt voor een televisie zitten. Het programma staat hem niet aan, de afstandsbediening ligt niet binnen handbereik en hij schiet de beeldbuis aan gruzelementen.

Lo-Fi Dreams, in een hoes die Joost Swarte met een klare lijn had kunnen ontwerpen en telt maar tien nummers. Dat is tevens het enige punt van kritiek bij deze release. Jeffrey Halford & The Healers nemen de luisteraar mee op een trip die avontuurlijk maar wat kort is. Tijdens de reis wordt er heerlijke rootsrock gedraaid. Na het tiende nummer moet de repeat knop snel  worden ingedrukt. En dat is drie of vier nummers te snel.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Prachtige dansers, matige voorstelling

recensie: Bitter Sweet Dance – Titanic

Titanic  is een remake van The Sinking of the Titanic, de eerste grote dansvoorstelling van de beroemde Israëlische choreograaf Ohad Naharin. De eveneens Israëlische, al lang in Nederland wonende, Liat Waysbort werd in haar tienertijd zeer door deze voorstelling geraakt, het was een inspiratie voor haar eigen leven. Bijzonder dat Waysbort nu deze voorstelling kiest voor haar eigen eerste grotezaalproductie. Of het een goede keus is valt te betwijfelen. Titanic bevat een paar mooie momenten, maar is over het algemeen te afstandelijk en statisch om echt indruk te maken.

Vermoedelijk is de voornaamste reden daarvoor de muziek die een grote rol speelt en ons lange tijd meedogenloos bombardeert met elektronische knallen.  Misschien ook moet Waysbort nog wennen aan de grootte van het podium. En wellicht levert het hernemen van een voorstelling van een belangrijke leraar en dansicoon veel druk en remmingen op. Eén ding is zeker, aan de dansers ligt het niet, die zijn fantastisch.

Symbolisch

Gedurende de eerste helft van de voorstelling zien we een aantal mooie solo’s: veel hoekige bewegingen, maar ook curves en veel naar de grond gaan, terwijl de overige dansers stil staan toe te kijken. Titanic gaat evenals zijn voorganger over de musici die tijdens het zinken van de Titanic door bleven spelen en met schip, muziek en al ten onder gingen. Een dergelijk gegeven, samen met de vaak ontoegankelijke muziek, maakt dat je een beetje in je hoofd komt te zitten. Wat wordt er bedoeld met deze beweging? En die? Is dit zwemmen in het water? Maar trachten te duiden wat je ziet is zelden een goed uitgangspunt voor dans, wat immers in je lichaam hoort te resoneren om echt impact te hebben.

Die impact ontstaat wel halverwege, wanneer de dansers meer verbinding met elkaar zoeken, een man en een vrouw elkaar zoenen en daarbij beginnen te grommen. Plotseling word je wakker, hier gebeurt iets. Het is de start van een boeiende fase met nauwelijks muziek en als hoogtepunt twee dansers die wild en rauw bewegen. Ondertussen staan de anderen zich aan de zijkant van het toneel uit te kleden – iedereen is topless gedurende het tweede gedeelte. Het gewone aardse daar staan, water drinken, bezwete lichamen afdrogen is, ook vanwege het contrast met wat er op de vloer gebeurt, uitermate boeiend.

Maar dan komen we helaas weer terug in de kalme bespiegelingen. Alle dansers hebben prachtige lichamen, tijdens de nu volgende synchroon gedanste duetten ben ik meer bezig die te bewonderen dan geraakt te worden door wat ze aan het doen zijn.

Ontreddering

Aan het eind raakt mijn geduld op. Terwijl de meeste dansers weer statisch gepositioneerd zijn en een danseres, enkel in lange broek gekleed, achter op het toneel een prachtige solo danst met lange strekbewegingen, liggen op de voorgrond twee vrouwen in elkaar verstrengeld. Eén van de twee zegt onophoudelijk ‘generation upon generation upon generation’, iets wat op den duur zeer irriteert. Later wordt het interessanter als ze haar hele lichaam mee laat trillen en de woorden bijna uitkotst. De voorstelling heeft een prachtig eindbeeld: één van de dansers eindigt, na alweer een mooie solo in het tegenlicht, in een houding van ontreddering.

Waysbort kan choreograferen, dat is duidelijk. In het nagesprek horen we dat ze eigenlijk achtentwintig dansers had willen hebben in plaats van acht, dat lukte niet. Jammer want dan zou er in ieder geval geen groot leeg podium zijn geweest. Ze toont talent, visie en drive. Deze eerste grotezaalvoorstelling is naar mijn mening niet goed gelukt, maar laten we hopen dat ze zich zo eigenwijs mogelijk verder ontwikkelt, dat deed haar grote leermeester immers ook.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Zinderende tweeslachtigheid

recensie: De Nationale Opera – La Forza del Destino

Verdi’s La Forza del Destino voelt aan als twee opera’s die met elkaar zijn versneden: een persoonlijke familietragedie en een uitbundig groepsspektakel. Dit gegeven lijkt onhandig, maar het geeft regisseur Christoph Loy juist de mogelijkheid om meerdere registers te bespelen.

Dat La Forza voor velen niet de status heeft van andere Verdi-opera’s als La Traviata of Aida, is misschien te wijten aan een wat onbeholpen verhaal, dat in meerdere beschouwingen het mikpunt van spot is. Het neemt niet weg dat Verdi’s muziek ook in dit werk afwisselend beeldschoon en heerlijk opruiend is. Christoph Loy maakt er bij De Nationale Opera een voorstelling met twee gezichten van: enerzijds een Shakespeareaanse en ingetogen tragedie, anderszijds een liederlijke kritiek op roekeloze strijdlust.

Stom toeval en de eeuwige zondebok

De opera vertelt de liefdesgeschiedenis van Leonora (Eva Maria Westbroek) en Don Alvaro (Roberto Aronica). Laatstgenoemde is de zoon van een Inca-prinses en als halfbloedje niet voor Leonora geschikt. Als Alvaro Leonora probeert te schaken, wordt het koppel gesnapt door Leonora’s vader, de markies van Calatreva (James Creswell). Alvaro wil zijn goede bedoelingen tonen door zijn wapen op de grond te gooien, maar het rotding gaat per ongeluk af en doodt de markies. In zijn laatste adem vervloekt hij zijn dochter. Los van elkaar vluchten de geliefden weg, op de hielen gezeten door Leonora’s wraakzuchtige broer Carlos (Franco Vassallo). Wat volgt is een spel van valse identiteiten, toevallige ontmoetingen en noodlottige misverstanden. Vooral Alvaro heeft het zwaar te verduren: ondanks al zijn bedoelingen zal hij altijd ‘de buitenlander’ blijven.

Oorlogsopportunisme

Dit alles tegen de achtergrond van een ophanden zijnde veldslag tegen Duitsland. Waar de lotgevallen van Alvaro en de familie Calatreva overzichtelijk en sober zijn, overheersen chaos en carnavaleske oorlogsretoriek de groepsscènes. Verdi schreef deze strijdliederen wellicht zonder ironie (het werd geschreven op het hoogtepunt van de Risorgimento, de Italiaanse eenmaking), bij Loy heeft deze oproep tot strijd meer weg van een biercantus met soldaten, dames van lichte zeden en de plaatselijke geestelijkheid, allen opgehitst door ronselaarster Preziosilla (Veronica Simeoni). Eerder dan als commentaar op de andere gebeurtenissen voelen deze scènes als een apart werk, een verkenning over wanneer oorlog verandert van jongensachtig haantjesgedrag in bittere ellende.

Verdi in al zijn facetten

De belangrijkste mannenstemmen zijn aan elkaar gewaagd. Vooral Vassallo overtuigt als verwende, met zijn jojo spelende corpsbal die niet per se slecht is, maar doof voor de andere kant van het verhaal. Eva Maria Westbroek speelt haar rol vrij ingetogen, waardoor het onwaarschijnlijke verhaal toch een juiste dramatiek krijgt. De hoogste lof echter verdienen Nederlands Philharmonisch Orkest, onder leiding van Michele Mariotti, en het Koor van de Nederlandse Opera, onder leiding van Ching-Lien Wu. Vanaf de eerste onheilspellende tonen – het noodlot staat voor de deur – speelt het orkest feilloos en uiterst dynamisch. Het koor blinkt uit in de zachte passages waarin ze voorbijtrekkende monniken spelen en een zijdezacht tegenwicht bieden tegen de turbulente partijen van de solisten.

Waar in een mindere regie de tweeslachtigheid van La Forza del Destino de spanningsboog zou dwarsbomen, benadrukt Loy juist de veelzijdigheid van Verdi. De voorstelling zindert vanaf de filmische overture, een montage uit verschillende jeugdscènes, tot aan het verstilde en spirituele slot.

 

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

“Prozac Palace” steekt de draak met links en rechts.

recensie: Het Pijpcollectief - Prozac Palace

Hamburgeretende hotelgasten of Dostojevski-lezende yuppen: niemand blijft gespaard in Prozac Palace, een ironische blik op de kloof tussen hoge en lage cultuur.

 

Ivoren toren

“Hoe kunnen we met elkaar samenleven als we vastklampen aan onze vooroordelen en elkaar blijven ridiculiseren?” Met deze vraag ruilde het Pijpcollectief (HKU-alumni Lisanne van Aert, Lotte Lola Vermeer en Wessel de Vries) Amsterdam een paar dagen in voor Almelo. Preston Palace, om precies te zijn: een all-in hotel en uitgaanscentrum, compleet met botsauto’s, karaokeavonden en een subtropisch zwemparadijs. Als het Pijpcollectief de gasten voor ons beschrijft, is het even zoeken naar hun insteek. Zijn ze zich bewust van hun neerbuigende houding? Wordt dit een avondje waarin wij, links theaterpubliek in het hart van de Randstad, schaamteloos lachen om de oppervlakkigheid en truttigheid buiten onze bubbel? Of wordt er een spelletje met ons gespeeld?

Dat laatste natuurlijk. De links-elitaire houding van van Aert en Vermeer wordt zo uitvergroot, dat het een commentaar wordt op de ivoren toren waarin zij (en wij) de gasten van Preston Palace bekijken. Wessel de Vries – vermoedelijk undercover in knuffelberenpak – kiest ervoor om Preston Palace echt te begrijpen. Waar Van Aert en Vermeer niet kunnen wachten om terug te gaan naar Amsterdam, besluit hij te blijven en het contact met hen te verbreken.

Waar is Wessel de Vries?

De afwezigheid van De Vries en het andere perspectief waar hij voor staat is een gemis in deze voorstelling. Prozac Palace maakt een boog van spot naar zelfreflectie. Dat laatste wordt sterk vormgegeven in het slotbeeld: een bonkende dancetrack waarin verschillende iconen van de grachtengordel – van Jort Kelder tot de Groene Amsterdammer – de revue passeren. We kunnen niet uit onze filterbubbel kruipen, zo lijkt het Pijpcollectief te suggereren. Het enige wat dan rest is een ironische blik op ons eigen elitarisme. Zelfspot is echter iets waar links doorgaans niet zo veel problemen mee heeft;  zie eerdergenoemde Jort Kelder. De andere kant begrijpen, zoals de Vries probeert te doen, is een stuk lastiger. Door dit niet te doen verliest Prozac Palace aan nuance. Het slaagt er prima in om het onbegrip tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur te belichten, maar had nog een stap verder kunnen gaan.

 

 

Reageer op dit artikel

Muziek / Album

Kosmisch zeezicht, vage metakritiek uit de bovenwereld

recensie: Shabazz Palaces - Quazarz

Transitieperiode, kanteltijdperk, rukwinden, avondschemering. Chaotische tijden, 2017. Niemand ontkomt eraan, zo ook niet Ishmael Butler en Tendai Maraire van retrofuturistisch voertuig Shabazz Palaces. En al zou je aan de huidige tijden niet fysiek kunnen ontsnappen, toch kun je de deur prima in het slot gooien, je terugtrekken op de control bridge van je studio een vuistdik dubbelwerk vullen met moeilijke metakritiek over de tijd van vandaag.

Quazarz heet het ding, een heel omniversum vol

Het begeleidend schrijven introduceert het verhaal van Quazarz, afkomstig van wie weet waar en als muzikaal observant naar een alternatieve aarde gestuurd. Een koude aarde, met alternatieve feiten, een alternatief Amerika (Amurderca) en een alternatieve toekomst. Quazarz noteert: de dood in connectiviteit, groene datatorens, self-made selfiestars, follownaires, drone vendors, etcetera. En Kanye West.

 

 

I Quazarz: Born on a Gangster Star

Plaat één moet het verhaal vertellen van de observant Quazarz. In verbrokkelde zinnen en gevaarlijk klinkende woorden wordt echter weinig duidelijk over het exacte hoe of wat. In een hallucinante toestand van smog en narcose passeren shoutouts naar deze en gene, feest, wagens en overige bezittingen. Op het oervervelende ‘Moon Whip Quaz’, track nummer tien, vertelt Quazarz dan wat meer over zichzelf:

I rode in on a lightwave /
I never been a good slave /
I kissed the queen of Zanzibar  / ​
I even blew up the Death Star (haha) 

Nogal een onsympathieke gast, die Quazarz. Ondertussen vliegen kosmische geluiden af en aan. Met Maraire’s waterige percussie viert het swingende tandem een seinstoring met ‘Flying Lotus’ en ‘Thundercat’: het is feest op de control bridge. Ondertussen verdwijnen deze en gene in rook, de dansvloer ontledigt zich, Quazarz bestijgt nog eens zijn lightwave en daalt als observant Q. af naar de aarde.

II Quazarz vs The Jealous Machines

Behold the soft cyber caress /
My television who’s my lover /
But jealous machines and devices /
Struggle to find a light switch 

Op de plaatopener van Quazarz vs. The Jealous Machines noteert observant Q. jaloerse machines die niets anders willen dan aandacht. Aandacht in de vorm van romantiek misschien. Schermen die omhoog moeten worden getild. Een paar tellen verderop omschrijft hij de status van taal als ‘post’ en het huidige voortuig ervan als ‘guns’. En zo volgen er nog een paar observaties die zonder een te groot beroep op de fantasie toegepast kunnen worden op de wereld van vandaag.

Terwijl Quazarz tot zijn enkels door de stront van Amurderca waadt fabriceert Ishmael Butler (aka Palaceer Lazarro) op de achtergrond met heel veel woorden een ivoren spreekgestoelte voor zichzelf alleen. Een podium waar hij, als de helden van vroegere tijden, met slappe knieën, gevaarlijke woorden en de microfoon op half zeven soeverein zijn eigen ding staat te doen. Met het notitieblok van Quazarz in de ene hand en het technisch handboek van Millenium Falcon in de andere.

 

 

Butler’s kosmische wereldfabel mag ambitieus zijn, ze is tegelijk stuurloos, draderig en in het ergste geval weinig boeiend. Boos praten over selfie stick samurais en self-made follownaires is tenslotte maar zo lang spannend. Eerst is er de herkenning, dan volgt al snel de verveling. Is het kritiek? Is het scherp? Is het intellectueel? Observant Q. blijft echter gedienstig waarnemen en noteren, Butler orakelt zich opnieuw een slag in de rondte en dezelfde kosmische geluiden vliegen nog altijd af en aan.

Zeezicht

Changes pass me by /
I wonder where was I /
On the cliffside up so high /
Watching all of the waves pass by (Love in the Time of Kanye)

Dan besluit Quazarz zijn toch wel zinloze rondgang met zeezicht; een vies, onrustig en eindeloos zeezicht: transitieperiode, kanteltijdperk, rukwinden, avondschemering. Chaotische tijden, 2017.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Tegendraads, eigenwijs en slopend

recensie: Club Gewalt - Club Club Gewalt 5.0 Punk

Ze vragen niet, ze eisen: “Lik mijn roze klamme kutje!” Met hun teksten zijn ze recht door zee: “De VVD is niet oké!”. Club Gewalt goes Punk en zoals altijd gaat Club Gewalt all the way. Als in een Mosh pit vliegen we alle kanten op, en soms vraag je je af, hoe kwamen we hier in godsnaam terecht?

Dat Club Gewalt een goed feestje kan bouwen hebben ze al meerdere malen bewezen in hun eerdere “Clubshows” als de Variéte show Club Club Gewalt en de Nachtclub Karaoki Kanye. De zee van plastic cups en de dreunende bas verraden nu hun keuze voor een ander genre: Punk.  In het eerste opzicht is Club Gewalt meer Glamrock dan punk. De drummer draagt een T-shirt in een te klein vrouwenmaatje, waardoor zijn borsthaar er trots overheen pronkt en in het openingsnummer zingt een zangeres over de disco.

Maar laat je niet misleiden door de glitter, de leggings en de getekende baardjes. Een alles verwoestende energie straalt van het podium de zaal in. De sloopkogels die boven ons hangen kunnen daar slechts een voorbode van zijn. Club Gewalt komt om ergens tegen aan te schoppen: tegen slanke vrouwen, tegen vleeseters en tegen Amsterdam, want als oer-Rotterdams gezelschap vindt Club Gewalt dat natuurlijk ook stom.

Met slechts drie woorden zet Club Gewalt een Patti Smith waardige performance neer: “Sixtijnse Angelsasksisch Patriarch”. De rest van de club kijkt toe met een blik die tussen woede en verveling inhangt: de ogen vurig en de mond ontspannen open. Performer Sanna Vrij verheft de nietszeggende woorden tot een waar kunstwerk als ze de tekst niet langer poëtisch zegt maar krijst. Iets dat in The Factory niet zou misstaan.

Voorbij de punk

Het Fringepubliek staat er vooralsnog wat ongemakkelijk bij. Gaan we de hele tijd staan? Hoor ik mijn buurman denken. Maar wie denkt in dit eerste deel, het punkconcert, de lijn van de drie uur durende performance te kunnen vatten heeft het mis. We duikelen een totaal andere kant op om (tot geluk van mijn buurman) comfortabel in een stoel te eindigen.

Ook onze trommelvliezen mogen bijkomen, want Club Gewalt laat de conventies van de Punk ver achter zich. Gelukkig maar, want deze performers zijn tot veel meer in staat dan drie akkoorden op een gitaar te rammen. Ze zingen een Arvo Pärt-achtig klassiek koornummer. Dat van zo’n pure schoonheid is, dat ik totaal vergeet waar ik ben en mijn mond na afloop nog van verbazing open staat.

In het tweede deel laat Club Gewalt ook de muziek even voor wat het is en gaat door op de thematiek. We kijken toe hoe het Kapitalisme wordt geboren, of nou ja “Kapitalismus” (Amir Vahidi) een aan Sacha Baron Cohen’s Brüno denkende nichterige Duitser met een groot enthousiasme voor alles. Zelfs voor anarchisme, “with a couple of rules ofcourse”

Wat volgt is een onsamenhangend stuk, Amir toont zijn talent voor imitaties en typetjes, en transformeert onder andere in een willekeurige Marc-Marie Huijbregts. Hij ontpopt zich tot een ware komiek. Een die de plank zo stevig misslaat met zijn grappen dat hij het publiek, tegen alle regels in, wonderbaarlijk genoeg meekrijgt in zijn meligheid.

BINGO! BINGO!

Misschien is het de aanstekelijke energie van de performers, misschien is het de bar die nooit sluit, maar in het derde deel lijkt het publiek onherkenbaar. Waar we eerst nog schuchter en beleefd licht op de maat van de muziek headbangden steken we nu agressief onze vuisten in de lucht. Op ACDC’s Thunder krijsen we zo hard als we kunnen “BINGO! BINGO!” We lijken klaar om een revolutie te ontketenen.

Die energie wordt alleen met een therapeutisch tijdverdrijf uitgeblust. Be careful what you wish for: we gaan daadwerkelijk Bingo spelen. Na de eerste ronde doet de Host wat ze kan om ons nog mee te krijgen, we staan op stoelen, we grunten een Yell, maar de aangewakkerde anarchistisch puber in ons doet ons verveeld worden en afhaken.

Club Gewalt heeft lef, ze zoeken de grenzen op van hun creativiteit, werken tegen alle regels in en rekken hun sketches zover op dat het publiek in een bizarre staat van vervreemding raakt. Maar daarin schuilt ook een gevaar. Wanneer Club Gewalt, na nog een pauze, in een overdreven soap-achtig toneelstuk een licht op de Amerikaanse politiek probeert te werpen is mijn innerlijke vuur al lang uitgedoofd. Ik haak compleet af.

En zelfs dan na middernacht, na een onzinnig toneelstuk, na iets te veel bier, weet Club Gewalt mijn aandacht weer te pakken. Robbert Klein breekt in, met zijn ogen gesloten trapt hij als een bezetene op de maat van de muziek. In een krachtige kopstem zingt hij keer op keer vijf woorden: “Take me to the bridge”.

Zo keert Club Gewalt ongestructureerde chaos terug naar de essentie, de betoverende energie van de muziek. Want hoeveel typetjes, kneuterige kostuums en slechte pruiken Club Gewalt ook uit de kast trekt, in een ding is Club Gewalt bloedserieus: de muziek. En die gaat door merg en been.

Reageer op dit artikel

keizer
Boeken / Non-fictie

Keizer-lijk

recensie: Fik Meijer - Keizers sterven niet in bed
keizer

Op een zeldzame uitzondering na waren de keizers van het Romeinse Rijk allemaal kleurrijke figuren met hier en daar een schroefje los. Een boek over hoe al die keizers aan hun einde kwamen, lijkt dan ook gewonnen spel. En toch is Keizers sterven niet in bed licht ontgoochelend.

Allereerst: Keizers sterven niet in bed is geen nieuw boek, maar de tiende druk van een werk dat in 2001 verscheen. Fik Meijer is nu eenmaal een van de populairste Nederlandse schrijvers als het op ‘geschiedenis light’ aankomt. Dat vind ik persoonlijk redelijk onbegrijpelijk: zowel zijn boeken Paulus als Jezus en de vijfde evangelist getuigen van weinig stilistisch talent en durven de historische feiten al eens té los te benaderen.

In dat opzicht is Keizers sterven niet in bed in het voordeel. Meijer maakte intensief gebruik van (verschillende) bronnen, waardoor het geheel een gefundeerde indruk geeft. Los van het feit dat heel wat bronnen uit de oudheid elkaar tegenspreken over het einde van bepaalde keizers, wat de auteur in zijn inleiding ook toegeeft.

Repetitief

Als naslagwerk is Keizers sterven niet in bed best boeiend: een overzichtelijk, want chronologisch, overzicht van alle keizers. Wie snel iets over een bepaalde caesar wil opzoeken, zit met dit boek gebeiteld. Als literatuur is het echter heel wat minder. Dit komt door het – enigszins begrijpelijke – repetitieve patroon dat Meijer hanteert. Van elke keizer wordt eerst een korte biografische schets gegeven, met dan in deel twee het levenseinde. Bij heel wat caesars is dat boeiend: de ene wordt vermoord terwijl hij stond te plassen, de ander leed dan weer dagenlang helse pijnen aan zijn geslachtsdelen omwille van een vreselijk (en stinkend) gezwel.

Maar vanaf de derde eeuw begint het, vooral omwille van de kleurloze keizers, ronduit saai te worden, en wanneer de tetrarchie zijn intrede doet – waarbij maar liefst twee hoofdkeizers en twee onderkeizers tegelijkertijd regeerden – zelfs ronduit verwarrend. Zeker gezien het strakke tempo dat de schrijver hanteert. Geraak maar eens wijs uit dit:

‘Honorius’ zuster Galla Placidia, die gehuwd was geweest met Constantinus, wilde dat haar zoon Valentinianus III Honorius zou opvolgen. Omdat Honorius voor zijn dood geen regelingen had getroffen, beschouwde Theodosius II in Constantinopel zich echter als de enige rechtmatige keizer in het Romeinse Rijk.’

Boeiende intermezzo’s

Eigenlijk zijn vooral de intermezzo’s erg boeiend. Vooral dan de bladzijden waarin Meijer de neergang van de steden beschrijft, waarbij de notabelen zich terugtrokken op hun immense landgoederen. Heel wat mensen zochten en kregen daarna bescherming bij hen – uiteraard tegen bepaalde voorwaarden. Dit was natuurlijk dé kiem van het lijfeigenensysteem, zo typisch voor de Middeleeuwen. Die overgang tussen oudheid en Middeleeuwen wordt heel fraai beschreven. Maar dat is helaas te weinig om dit boek een aanrader te noemen.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Klein maar fijn

recensie: Geniaal getekend. Van Da Vinci tot Rembrandt

De tentoonstelling Geniaal getekend in het Amsterdamse Cromhouthuis kun je bekijken vanuit het oogpunt van een glas dat ofwel halfleeg, dan wel halfvol is. Beide standpunten worden hier ingenomen, met de nadruk op het laatste.

Als bezoeker kun je je er bijvoorbeeld over verbazen dat de ongeveer vijfentwintig tekeningen uit de collectie van steenkolenmagnaat Carel Joseph Fodor (1801-1860) te zien zijn in twee piepkleine kamers, waarvan één onder de trap van de statige panden aan de Herengracht. Maar als je van de schrik bekomen bent, kun je ook stellen dat die intieme, donkere kabinetten precies beantwoorden aan het doel dat gastcurator Taco Dibbets (directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam) zich stelde: liefhebbers leren kijken naar de tekenkunst van enkele grote meesters, van Da Vinci tot Rembrandt.

Kop van een grijsaard – Leonardo da Vinci (1452-1519), Pen in bruine inkt op papier, 100 x 95 mm

Mensen en gezichten

Dibbets koos als rode draad in zijn selectie voor tekeningen van mensen en gezichten, in dit geval vingeroefeningen en voorstudies. Zoals Rembrandts tronie in Kop van een oude man, die wordt getoond naast Da Vinci’s voorstudie voor wellicht een apostel op het Laatste Avondmaal (Milaan): Kop van een grijsaard (uit de boedel van koning Willem II).

Het mooie, bescheiden begeleidende boekje bij de tentoonstelling geeft niet alleen de herkomst van de tekeningen aan, maar ook een afbeelding van zo’n schilderij, zoals bij respectievelijk Jonge man die een jonge vrouw ontmoet en De liefdestuin van Rubens. Het was leuk geweest zo’n afbeelding op de tentoonstelling naast de voorstudie te zien, maar daarvoor ontbrak natuurlijk de ruimte.

Vrouwenhoofd – Fransesco Salviati (1509/10-1563), Zwart krijt op papier, 213 x 158 mm

Naast elkaar

Wat Dibbets wel naast elkaar laat zien, zijn twee prachtige, fijne vrouwenhoofden van Fra Paolini Pistoia en Francesco Salviati. De eerste is met houtskool getekend, de tweede – een voorstudie voor de Madonna voor de Santa Christiana in Bologna – met zwart krijt. Maar dan vraag je je wel meteen af waarom hij de Twee mannen van Goltzius niet naast de Kop van een jonge man van diens leerling Jacob de Gheyn hing: alle mannen kijken omhoog, wat een ongebruikelijke pose is. Ook dan had Dibbets zijn punt kunnen maken ten aanzien van de verschillen in techniek om de haardracht af te beelden: getekend met respectievelijk metaalstift en krijt, wat natuurlijk (leren kijken!) een totaal verschillende uitwerking heeft.

Voor fijnproevers

Het is een goede zaak dat twee relatief kleine Amsterdamse musea, die allebei een naamsverandering hebben ondergaan om de breedte van de collectie te accentueren, de handen ineen hebben geslagen om deze kleine expositie voor fijnproevers mogelijk te maken: het Amsterdam Museum (voorheen Amsterdams Historisch Museum), waar de Fodor-collectie toe behoort, en het Cromhouthuis (voorheen het Bijbels Museum, dat er nu onderdeel van uit maakt), waar de expositie te zien is. Bezoekers krijgen op die manier de kans weer eens enkele hoogtepunten uit de Fodor-collectie te zien.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Mooie herinneringen aan Neil Young

recensie: Herman Verbeke (red.) - Neil Young en ik

De muzikant Neil Young is een icoon. Hij maakt al decennialang eigenzinnige muziek, die hem op dat moment belieft. Hij is een stijlfiguur, die enerzijds een stempel op de jaren zestig heeft gedrukt, maar ook vaak afweek van de gangbare stijlen van dat moment.

Verbeke verzorgt met Neil Young en ik een platform aan 65 verschillende schrijvers die wat bijzonders hebben met de muziek van Young. Het zijn stuk voor stuk heel persoonlijke verhalen, die vaak starten met de vroegste herinneringen aan de kennismaking met Neil Young en een beeld geven over wat zijn muziek door de jaren heen voor de schrijvers heeft betekend.

Een boek om regelmatig op te pakken

Iedere vertelling is van een andere signatuur en diepgang. Sommige stukjes zijn heel kort, maar er zijn ook verhalen die vele bladzijden beslaan. Het is geen boek dat je in één ruk uit zult lezen, omdat het geen doorlopend verhaal is, maar het is een perfect boek om regelmatig op te pakken en een of twee herinneringen uit te lezen.

Voor de lezer die niets heeft met de muziek van Young is het ongetwijfeld een oervervelend boek. Maar doet de muziek – en vooral de stem! – van Young je wat in positieve zin, dan bevat het boek een grote hoeveelheid leesvoer dat je vele uren zal vermaken. De verschillende verhalen zullen je nooit teleurstellen en zijn nooit hetzelfde.

Neil Young en ik

Neil Young heeft in zijn carrière heel verschillende soorten muziek gemaakt, die passen bij verschillende stemmingen. De schrijvers komen hier dan ook vaak mee naar voren in hun vertellingen. Ondanks deze verschillen heeft Young één belangrijk kenmerk dat in al zijn muziek doorklinkt: zijn herkenbare, onvaste stem, die soms door merg en been lijkt te gaan, maar ook kan voelen als een hand op je schouder in moeilijke tijden. Soms huilt Young met je mee om je vervolgens een hart onder de riem te steken. De ene keer vindt je in zijn muziek de bevestiging en een andere keer juist de bevrijding van je gevoelens. Het is muziek die je vooral op je in moet laten werken.

Mijn herinnering

Als je het boek Neil Young en ik leest, ontkom je er niet aan om terug te denken aan hoe je zelf in contact kwam met Neil Young. Ik wist het meteen! Het moet in de jaren 1974/1975 geweest zijn. Eigenlijk een heel bijzonder moment: met mijn vader was ik in Tilburg bij de winkel van Spiero, waar mijn vader vaak zijn (klassieke) bladmuziek voor piano en orgel kocht. Ik mocht in de bakjes met oude singles snuffelen. De grote ontdekking van die dag bestaat uit twee singles van Buffalo Springfield. Ze zeiden me niets. Toch nam ik ze mee en daar heb ik nog steeds geen spijt van. ‘For What It’s Worth’ en het machtige ‘Expecting To Fly’ vormden mijn kennismaking met de stem van Neil Young. Met name ‘Expecting To Fly’ voelde direct speciaal.

Als je net als ik een liefhebber van de muziek van Neil Young bent, dan is Herman Verbeke’s Neil Young en ik een boek dat je zeker moet lezen. Het zal je vele uren plezier brengen en je eigen herinneringen omhoog halen.

Reageer op dit artikel