Berichten

Theater / Voorstelling

Is Indisch niets anders dan lekker eten?

recensie: Rudolphi Producties – Gouwe pinda’s

Nadja Hüpscher en Bodil de la Parra maakten in 2014 de succesvolle lunchvoorstelling Ouwe pinda’s. Beide actrices hebben Indische roots en pinda (chinees) is een woord dat vroeger werd gebruikt om Indische mensen mee te bespotten. Mooi om dat als geuzentitel te gebruiken. Nu is er dan Gouwe pinda’s, een avondvullende voorstelling waar nog een derde Indische actrice aan meedoet: Esther Scheldwacht. Het zijn niet de minste namen en de voorstelling heeft wel degelijk grappige momenten, maar is het over het algemeen te warrig en oppervlakkig om echt te boeien.

We zien een serviceflat waar drie Indische zussen van in de zeventig wonen. Het is een typisch Indische omgeving met een rotan bankstel, een grote ficus in de hoek, een orchidee op tafel, oude familiefoto’s, het obligate schilderij van een Indonesische berg en veel eten. De televisie staat aan, er wordt gekeken naar Golden Girls of, ook typisch Indisch, een waarzegdame. Hüpscher als jongste zus Son is een tengere fijnbesneden, oude Indische vrouw met grijs haar. Ze heeft een fantastisch accent wat haar stem dieper maakt en haar totaal transformeert. Scheldwacht als Titi is heel anders maar net zo Indisch. Een ijdeltuit die zich als enige van de drie druk maakt over uiterlijk en liefdesrelaties. Ze verkleedt zich constant, gebruikt make-up en verft haar haar pikzwart. Haar accent klopt volkomen met haar personage, van alle drie gaat het haar het makkelijkst af. Ook De la Parra (Nonni, de oudste) ziet er authentiek uit met allerlei dikmaakkussens op de juiste plekken, maar een Indisch accent lukt haar niet. Dat maakt het moeilijk om te geloven dat we hier met drie samenwonende zussen te maken hebben. Op den duur is haar manier van praten zelfs een beetje irritant.

Een ander probleem is het script. Er is sprake van Broer, de broer van de drie, die elders woont en waar ze geen contact mee hebben, wat ze wel graag willen. Halverwege het stuk zal hij dan eindelijk komen, maar nee, hij komt toch niet, want hij is ziek. En dan: ja, hij komt wel! Maar nee, helaas toch niet, want er is geen eten, adoe,  kassian. Dit soort gezwabber vindt, ook over andere onderwerpen, te vaak plaats.

Fotoalbum

Er is een oud familiefotoalbum waar de kleinzoon van Broer, derde generatie immers, erg benieuwd naar is, maar dat is weg. Dan blijkt dat het helemaal niet weg is, maar dat Nonni haar redenen heeft om het te verbergen. Wat die redenen zijn wordt aan het eind van de voorstelling uit de doeken gedaan, zij het zeer beknopt. Wordt er hier verwezen naar het bekende ‘Indische zwijgen’? Maar dat gaat toch vooral over het het kampverleden en de daarop volgende Bersiap, de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd? Ouders, grootouders konden daar niet over praten, het was te pijnlijk, te ondraaglijk. Hier lijkt het meer een kwestie van valse schaamte te zijn of misschien wel van jaloezie. Maar echt duidelijk wordt dat niet want zodra het album boven tafel komt, wordt het er net zo snel weer onder gestopt en dient het volgende drama zich aan.

Er wordt niets uitgewerkt, nergens wordt dieper op in gegaan. Dat verwondert en stelt teleur zeker als iemand als Scheldwacht bij een dergelijke productie betrokken is. Zij is juist sterk in het op een andere manier kijken naar het Indische verleden, bijvoorbeeld in haar prachtige Helga Maria Baumgarten.

Dat de drie hun Indische roots willen onderzoeken is fantastisch, vooral doen! Zeker nu we ons realiseren dat Indische mensen vorige eeuw tot de eerste immigranten van Nederland behoorden. Zou het niet interessant zijn om er achter te komen wat hun geruisloze assimilatie en integratie hen heeft gekost? Maar Gouwe pinda’s is vooral meer van hetzelfde: Nina Bobo, The Blue Diamonds en veel Indische gerechten.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Is Indisch niets anders dan lekker eten?

recensie: Rudolphi Producties – Gouwe pinda’s

Nadja Hüpscher en Bodil de la Parra maakten in 2014 de succesvolle lunchvoorstelling Ouwe pinda’s. Beide actrices hebben Indische roots en pinda (chinees) is een woord dat vroeger werd gebruikt om Indische mensen mee te bespotten. Mooi om dat als geuzentitel te gebruiken. Nu is er dan Gouwe pinda’s, een avondvullende voorstelling waar nog een derde Indische actrice aan meedoet: Esther Scheldwacht. Het zijn niet de minste namen en de voorstelling heeft wel degelijk grappige momenten, maar is het over het algemeen te warrig en oppervlakkig om echt te boeien.

We zien een serviceflat waar drie Indische zussen van in de zeventig wonen. Het is een typisch Indische omgeving met een rotan bankstel, een grote ficus in de hoek, een orchidee op tafel, oude familiefoto’s, het obligate schilderij van een Indonesische berg en veel eten. De televisie staat aan, er wordt gekeken naar Golden Girls of, ook typisch Indisch, een waarzegdame. Hüpscher als jongste zus Son is een tengere fijnbesneden, oude Indische vrouw met grijs haar. Ze heeft een fantastisch accent wat haar stem dieper maakt en haar totaal transformeert. Scheldwacht als Titi is heel anders maar net zo Indisch. Een ijdeltuit die zich als enige van de drie druk maakt over uiterlijk en liefdesrelaties. Ze verkleedt zich constant, gebruikt make-up en verft haar haar pikzwart. Haar accent klopt volkomen met haar personage, van alle drie gaat het haar het makkelijkst af. Ook De la Parra (Nonni, de oudste) ziet er authentiek uit met allerlei dikmaakkussens op de juiste plekken, maar een Indisch accent lukt haar niet. Dat maakt het moeilijk om te geloven dat we hier met drie samenwonende zussen te maken hebben. Op den duur is haar manier van praten zelfs een beetje irritant.

Een ander probleem is het script. Er is sprake van Broer, de broer van de drie, die elders woont en waar ze geen contact mee hebben, wat ze wel graag willen. Halverwege het stuk zal hij dan eindelijk komen, maar nee, hij komt toch niet, want hij is ziek. En dan: ja, hij komt wel! Maar nee, helaas toch niet, want er is geen eten, adoe,  kassian. Dit soort gezwabber vindt, ook over andere onderwerpen, te vaak plaats.

Fotoalbum

Er is een oud familiefotoalbum waar de kleinzoon van Broer, derde generatie immers, erg benieuwd naar is, maar dat is weg. Dan blijkt dat het helemaal niet weg is, maar dat Nonni haar redenen heeft om het te verbergen. Wat die redenen zijn wordt aan het eind van de voorstelling uit de doeken gedaan, zij het zeer beknopt. Wordt er hier verwezen naar het bekende ‘Indische zwijgen’? Maar dat gaat toch vooral over het het kampverleden en de daarop volgende Bersiap, de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd? Ouders, grootouders konden daar niet over praten, het was te pijnlijk, te ondraaglijk. Hier lijkt het meer een kwestie van valse schaamte te zijn of misschien wel van jaloezie. Maar echt duidelijk wordt dat niet want zodra het album boven tafel komt, wordt het er net zo snel weer onder gestopt en dient het volgende drama zich aan.

Er wordt niets uitgewerkt, nergens wordt dieper op in gegaan. Dat verwondert en stelt teleur zeker als iemand als Scheldwacht bij een dergelijke productie betrokken is. Zij is juist sterk in het op een andere manier kijken naar het Indische verleden, bijvoorbeeld in haar prachtige Helga Maria Baumgarten.

Dat de drie hun Indische roots willen onderzoeken is fantastisch, vooral doen! Zeker nu we ons realiseren dat Indische mensen vorige eeuw tot de eerste immigranten van Nederland behoorden. Zou het niet interessant zijn om er achter te komen wat hun geruisloze assimilatie en integratie hen heeft gekost? Maar Gouwe pinda’s is vooral meer van hetzelfde: Nina Bobo, The Blue Diamonds en veel Indische gerechten.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

De Bubbel laat vreemdelingen even samenkomen

recensie: PS|Theater - De Bubbel

Hoe stappen we uit onze bubbel? Kunnen we onze verschillen opzij zetten en echt contact met een ander te maken? Hoe verbeeld je dat dan met het theater, die bubbel waar wij linkse kunstliefhebbers zo graag naartoe gaan? Met die vragen betreed ik het pop-up theater op de Lammermarktplein in Leiden.

Gelijke grond

Daar speelt het PS Theater De Bubbel, een locatievoorstelling waarin twaalf personages met elkaar geconfronteerd worden. Maatschappelijke positie, politieke voorkeur, leeftijd of afkomst zijn allerlei factoren waardoor zij van elkaar vervreemd zijn geraakt. In het holst van de nacht lijkt het even alsof het ze lukt: het vinden van gelijke grond.

We maken kennis met Gerard, de boze man die terugverlangt naar de eenvoud van zijn verleden en fel tekeergaat tegen immigranten die sneller aan een huis komen dan zijn dochter. Zijn tegenbeeld is even boze linkse kraker, die de muren symbolisch wil afbreken voor een inclusieve samenleving. Tussen hem staat een typische politica die overal de middenweg zoekt en zo nergens echt een positie neemt. Terwijl de drie een verwoede discussie over de vluchtelingencrisis beginnen, kunnen de Syrische Samir en zijn moeder enkel op de achtergrond toekijken. Zij krijgen geen stem in het debat. Samir komt later een dakloze, zwangere vrouw tegen. Een mooie liefde lijkt op te bloeien, maar dan blijkt de cultuurkloof toch groter dan ze verwacht hadden. Gerard lijkt even toenadering te vinden bij een Leidse corpsbal, maar ook dit is van korte duur: de geprivilegieerde student herinnert hem aan de politieke elite waar hij zo van walgt. Dan is er ook nog de nuchtere pizzabezorgster die een praatje maakt met een eenzame oude man. Het verlies van een dierbare zorgt ervoor dat zij elkaar even precies begrijpen.

Pop-up theater

Dit alles zien we in een bijzondere setting. Voor De Bubbel is een pop-up theater gemaakt, waarin het publiek, uitgerust met koptelefoons, de scènes achter een glazen wand bekijken. Vanuit onze eigen architecturale bubbel kijken we dus naar het leven op het plein. Dat leven is bijzonder mooi om te zien. De rondrijdende bussen en auto’s, de geluiden van de straat, zelfs de stromende regen benadrukken de context waarin De Bubbel zich afspeelt: middenin de stad, waar allerlei soorten mensen elkaar passeren zonder elkaar echt te zien. Pas in de vroege uurtjes van de ochtend wordt dit plein weer even de ontmoetingsplek die het zou moeten zijn. De eerder genoemde discussie tussen Gerard, de politica en de kraakster vindt plaats in ons theater. Samir krijgt nauwelijks toegang. Gerard verbiedt hem binnen te komen, de kraakster probeert de muren te slopen. De symboliek mag duidelijk zijn: in onze bubbel kunnen we praten over de ander, zonder hem of haar toe te laten.

Eigen bubbel

De vraag is echter of De Bubbel niet precies hetzelfde doet. We zien een voorstelling die ons iets vertelt over de ervaring van immigranten, maar wordt gespeeld door een volledig Nederlandse cast. Een opmerkelijke keuze, aangezien het doorbreken van de eigen homogene bubbel juist het grote thema van dit stuk is. Het is een kanttekening in een voorstelling die qua regie, dramaturgie en acteerwerk een genot is om naar te kijken, maar wel een waar meer over nagedacht zou moeten worden.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Geslaagde vormoefening van Hotel Modern

recensie: Hotel Modern - Banaan en Oestermes

In Banaan en Oestermes blijven de camerá’s weg. De essentie van Hotel Moderns dramaturgie wordt echter des te duidelijker.

Kinderspel

Trouwe bezoekers van Hotel Modern weten ongeveer wat ze van het gezelschap kunnen verwachten. Met een camera, geluidseffecten en talloze objecten maken de acteurs illusies die op een projectiescherm tot leven komen. Met die vorm hebben ze inmiddels een rijk oeuvre opgebouwd, variërend van het hilarische Garnalenverhalen tot Kamp, een gruwelijk portret van het leven in een concentratiekamp. In Banaan en Oestermes is echter geen camera te bekennen. Hotel Modern stapt af van hun formule, en experimenteert met objectentheater dat zich enkel en alleen op de vloer afspeelt.

De setting van Banaan en Oestermes oogt eenvoudig. We zien zes blokken met objecten. De acteurs beginnen een spel, door een voor een objecten te plaatsen en met elkaar te combineren. Als schakers overdenken de acteurs hun volgende zet. Een zo hoog mogelijke combinatie van een paar objecten lijkt het doel te zijn. Ik bemerk aan mezelf dat ik de objecten ga zien zoals ik ze als kind kon zien: niet als simpele gebruiksvoorwerpen, maar als dingen waar je van alles en nog wat mee kan maken. Na een aantal zetten is het kunstwerk klaar. De spelers kijken ernaar, applaudisseren, en beginnen met nieuwe combinaties. Zo wordt dit tafereel een commentaar op kunst: over de absurditeit die het kan hebben, de zelfbevlekking van de kunstscene, maar ook over de vergankelijkheid van kunst. Even is het te zien, daarna is het verdwenen.

Leven in levenloze dingen

Vervolgens wordt de opstelling met de objecten losgelaten, en ontstaat er meer vrijheid om beelden met de objecten te maken. Hier krijgt Hotel Modern ons weer zo ver om ons dingen voor te stellen die er niet zijn. Een bloemkool wordt een stel hersenen als het in een schedel wordt gepropt, een pot pindakaas lijkt niet zo lekker meer als er een toiletborstel in wordt gedipt. Als de acteurs opgezette dieren doorprikken, is er een korte schrikreactie te horen. We weten dat het niet echt is, maar trappen er toch in. Uiteindelijk verschuift de focus op de acteurs zelf, en hun pogingen om zichzelf tot objecten te transformeren. Het levert mooie beelden op – met name Arlène Hoornweg en Pauline Kalker die in hun kostuums lijken te verdwijnen – maar het wordt nergens zo interessant als de suggestie van leven in levenloze dingen. Door te kiezen voor een meer fundamentele vorm in deze performance blijkt dat toch – samen met de humor en verwondering die het oplevert – de grote kracht van het gezelschap.

Hotel Modern had gemakkelijk kunnen vertrouwen op hun succesformule. Ze zijn de enigen in Nederland die op deze manier theater maken, en trekken een publiek aan dat goed bekend is met hun eerdere werk. De keuze om nu niet te voldoen aan verwachtingen en een andere weg in te slaan, getuigt van groot lef. Banaan en Oestermes is een vormoefening die veel ervaren gezelschappen niet meer nodig achten of aandurven. Alleen al daarom is deze performance de moeite waard.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Individualistisch, geestig en prachtig gedanst

recensie: Nederlands Dans Theater 2 – Schubert

De voorstelling heet Schubert, maar de choreografen van het Nederlands Dans Theater nemen dat begrip ruim. De enige die alleen muziek van Franz Schubert gebruikt is Johan Inger in het tweede stuk. Marco Goecke en Alexander Ekman laten hun dansers ook bewegen op muziek van Placebo, Schnittke, Haydn en Beethoven. De prachtige jonge dansers van het Nederlands Dans Theater 2 doen de rest. Schubert is magnifiek.

De avond begint met Wir sagen uns Dunkles van Marco Goecke. We zien een intense solo die een voorbereiding lijkt op een avond clubben. Dan wordt het toneel donkerder en bewegen de dansers zich op een andere, bijna dierlijke, manier. Er wordt veel getrippeld en snel met korte, stotende bewegingen gedanst. Het doet denken aan beelden uit de tijd van de stomme film of aan watervogels die zich gereed maken om weg te vliegen. Het toneellicht verandert steeds en de dans zet aan tot fantasieën. Zijn de dansers hun eigen lichamen aan het ontdekken zoals kinderen? Of zijn ze bang en opgewonden elkaar te ontmoeten en daarom zo trillerig en schichtig? Ze lijken constant ontdekkingen te doen, gebruiken hun stem, hijgen en lachen soms. De laatste solo is rustiger, heeft langere bewegingen en aan het einde laat de danser een kreet van verrukking horen. Geweldig!

Battle

In het tweede stuk One on One van Johan Inger zien we drie paren en een pianist. Ook hier is de dans onconventioneel en meestal niet synchroon, al zijn de bewegingen langer en gestrekter dan bij Goecke. Maar er wordt niet echt samen gedanst. Het eerste paar lijkt bijna te battlen zoals in de hiphop. De andere twee paren zoeken voorzichtig toenadering tot elkaar, maar verschuilen zich dan weer in eigen bewegingen: gekromde rug, gekromde benen, een draai die maar niet eindigt. In het programma staat dat Schubert niet in staat leek een romantische relatie aan te gaan, al verlangde hij daar hevig naar. Inger heeft dat gegeven prachtig vertaald. Zelfs als de zes dansers gedurende enige tijd samen dansen is er steeds één die niet meedoet. Aan het einde laat een eenzame danseres zich op de vloer zakken. Ze maakt langzame bewegingen met armen en benen, alsof ze zich nog steeds zwak verweert maar langzamerhand bereid lijkt tot overgave.

What does that mean?

Het derde en laatste stuk is Cacti van Alexander Ekman. De sfeer is anders dan bij de eerdere stukken. Er klinkt een stem die hoogdravende dingen zegt over dans als kunstvorm. Overheerste eerst onconventionaliteit en individualiteit, nu zien de zestien dansers er allemaal hetzelfde uit en bewegen ze synchroon. Aanvankelijk hebben ze allemaal een grote vierkante tegel als hun enige bewegingsruimte, later mogen ze daar vanaf. Een strijkkwartet beweegt zich tussen hen in en trekt de aandacht omdat de dans in vergelijking met de eerdere stukken minder karaktervol is en daardoor ook minder boeiend. Maar dat verandert, de dansers nemen houdingen aan die doen denken aan het werk van Keith Haring, er zijn grappen met het decor en de muziek gaat door terwijl de dansers denken dat het is afgelopen. De stem die we eerder hoorden komt terug en praat weer diepzinnig over wat we hebben gezien en hoe iedereen zich afvraagt ‘but what does that mean?’ en hoe het wachten is op de recensies die dat uit de doeken zullen doen. Het is herkenbare taal uit de kunstwereld en ongelooflijk geestig. Dan volgt een prachtig droogkomisch slot waaruit blijkt dat al dat moeilijke gedoe grote onzin is. Cacti is een schitterende finale van een uiterst geslaagde dansavond.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Weergaloos mooi en uiterst relevant

recensie: Het Nationale Theater - The Nation

Tijdens het Holland Festival 2017 gebeurde er iets ongelooflijk spannends: de eerste drie delen van een toneelmarathon, geschreven en bij Het Nationale Theater geregisseerd door Eric de Vroedt, werden vertoond. The Nation sloeg in als een bom en was een groot succes. Nu komt het vervolg, we gaan de hele marathon bestaande uit zes delen zien! De verwachtingen zijn hoog gespannen. Worden ze waargemaakt? Nee, niet helemaal. Toch is deze toneelmarathon weergaloos mooi en in veel opzichten het belangrijkste wat er op dit moment in Nederland op theatergebied te zien is.

Afgelopen zomer hadden de eerste drie delen zo’n impact (zie de special over het Holland Festival) dat ik me erop verheug ze weer te kunnen zien. Omdat de inhoud al bekend is, is de eerste verrassing weg en is er meer ruimte voor kritiek en vergelijken. Er zijn een paar veranderingen in de cast, het eerste deel is wat trager, het tweede juist nog beter dan het al was en het derde roept de vraag op waarom alles hier steeds vanuit hetzelfde perspectief wordt getoond.

 

Verdwenen

Het elfjarige jongetje Ismaël is verdwenen. Nadat hij is opgepakt door een hardhandige politieagent uit de Haagse Schilderswijk is hij niet meer gezien. Heeft die agent iets met zijn verdwijning te maken? Dat wordt in het algemeen, vooral op de sociale media, aangenomen.

Allerlei soorten mensen uit de huidige Nederlandse maatschappij zijn vertegenwoordigd in The Nation.  We zien immigranten die zich hier tweederangs burgers voelen en hun thuisland missen. Er is een salafist die als knuffelmoslim wordt gezien. Gutmenschen voelen zich niet begrepen en een afvallige moslima probeert zich met veel moeite vrij te maken. Diep gefrustreerde politieagenten worden al dan niet terecht gekenmerkt als racist. Een rijke projectontwikkelaar maakt van alle onrust gebruik om nog machtiger te worden. Een politiecommandant probeert tegen eigen principes in wanhopig de vrede in zijn wijk te bewaren en wordt daarbij van alle kanten tegengewerkt, niet in het minst door zijn directe meerdere. Iedereen is overtuigd van het eigen gelijk en het ongelijk van de ander.

Qua vorm en tekst zijn met name de eerste twee delen (het politiebureau en de flitsende talkshow) het meest inventief en geestig. De Vroedt is fantastisch in het bedenken van foute grappen. Dat is een zegen want wat hij laat zien aan gefrustreerde wanhopige mensen die niet weten waar ze het zoeken moeten, is zo herkenbaar dat je als publiek gek zou worden zonder de humor die hij er in stopt.

De bedoeling is om van The Nation een voorstelling te maken die lijkt op een spannende Netflixserie. Daarnaast heeft elke aflevering een ander format, bijvoorbeeld politieserie, talkshow, soap of documentaire.

 

Mensen

Het vierde deel van de serie is een verslag van een politieke enquête in de Tweede Kamer en de gevolgen daarvan voor een bepaalde fractie. Het is een uitstekend geschreven en gespeelde aflevering, maar als onderdeel van deze marathon werkt het minder. We zien politici die weliswaar ooit idealen hadden, maar nu toch vooral bezig zijn met politiek en ander eigenbelang. Er is een trieste en tegelijkertijd hilarische ontmaskering, die volkomen in deze tijd past, maar de lichtheid die de meeste andere delen kenmerkt ontbreekt.

Het vijfde deel is een fijn acteergevecht tussen Hein van der Heijden als glibberige politicus en Mark Rietman als de projectontwikkelaar, die zich hier een stuk gevoeliger en minder zelfverzekerd toont. Boeiend en prachtig gespeeld en in een verrassende hedendaagse vorm gezet, maar met een einde dat enigszins uit de lucht komt vallen en meer Netflix is dan The Nation.

Het laatste en zesde deel begint aarzelend maar eindigt buitengewoon ontroerend. Ieder van ons is met het leven aan het worstelen en of je nou een geïmmigreerde moslim bent of een autochtone Nederlander, links of rechts, extreem of gematigd, het maakt niet uit. We zijn allemaal mensen. Dit klinkt zoet en obligaat maar dat De Vroedt die oprechte conclusie mogelijk maakt met een dergelijk verhaal waarin alles tot op het laatst spannend blijft is briljant.

Wat heerlijk dat een toneelvoorstelling zoveel geestiger, relevanter, boeiender, spannender en ontroerender kan zijn dan welke Netflix serie dan ook.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Fiddler on the Roof bespeelt je hart en zet je aan het denken

recensie: Theateralliantie en Stage Entertainment - Fiddler on the Roof

Hoe komt het dat de nieuwe Fiddler on the Roof nog zoveel zeggingskracht heeft? De musical is immers een halve eeuw oud en gemaakt in een land en cultuur die niet de onze is. Toch voelt de nieuwe versie van de Theateralliantie en Stage Entertainment nergens gedateerd aan. De groep alledaags geklede spelers die we bij aanvang zien maakt een helder statement: dit verhaal gaat ook over ons.

Traditie

Buiten de grenzen dreigt een revolutie, maar daar hebben de bewoners van Anatevka geen boodschap aan. Traditie, daar draait alles om. Vaders, moeders, zoons en dochters: ze weten precies wat hun plek in de gemeenschap is. Melkboer Tevye (Thomas Acda) is belast met het vinden van goede partijen voor zijn dochters Tzeitel (Eva van Gessel), Hodel (Hannah van Vliet) en Chava (Sarah Janneh). Zij hebben echter een andere toekomst voor ogen. Tzeitel verkiest haar jeugdliefde boven een rijke slager, Hodel valt voor een revolutionaire intellectueel en Chava verlaat haar familie voor een christen. Het lied Traditie, eerst nog een trotse ode aan het leven in de stetl, wordt uiteindelijk Tevyes wanhoopskreet. Het keert terug bij elke dochter die met zijn tradities breekt om een eigen leven te kunnen leiden, en onderstreept zijn machteloosheid.

Tragikomisch figuur

Bovendien draagt Tevye de zorg voor de Joodse gemeenschap op zijn schouders. De politie vertelt hem over een geplande pogrom, die uiteindelijk plaatsvindt op Tzeitels bruiloft. Na de verwoesting vraagt hij licht ironisch aan God of dat nou allemaal nodig was. ‘Jullie joden maken overal een grap van’ wordt hem verweten, en inderdaad: met humor wapent hij zich tegen alle ellende. Daarom past Thomas Acda zo goed bij deze rol. De relativering die hem zo makkelijk afgaat maakt van Tevye een tragikomische overlever. Het afscheid van Hodel en de verbanning van Chava zouden zelfs de meest geharde vaders doen breken, maar hier gebeurt het niet. Tevye houdt zich stug staande, waardoor deze scènes nog pijnlijker worden.

Vernieuwing

Fiddler on the Roof opent met een grote tafel waar de gehele cast omheen zit. Spelers van verschillende leeftijden en etniciteiten praten en lachen met elkaar. Ze zijn de fictieve nakomelingen van Anatevka, en benadrukken daarmee dat het verhaal van Tevye en zijn dochters ook een deel is van onze geschiedenis. Daarnaast is het vastklampen aan eigen tradities en de eigen gemeenschap, tegenover het omhelzen van vernieuwing vandaag nog steeds een actueel thema. De kleurblinde casting in deze voorstelling – een verademing in een theaterveld dat nog steeds worstelt met diversiteit – geeft daar een extra dimensie aan. We zien een gesloten gemeenschap uit 1905, gespeeld door een multiculturele cast in 2017. De onhoudbaarheid van een dorp als Anatevka, waar elke generatie een herhaling is van de vorige en elke invloed van buiten wordt geweerd, is al evident.

Reageer op dit artikel

Muziek / Album

Eenzaam en spookachtig mooi

recensie: Lavalu - Solitary High

Ze kijkt je aan. Haar zwarte haar pluist een beetje, ze poseert niet. Photoshop heeft haar huid niet glad geveegd. Ze is naturel en onbewerkt: ‘dit ben ik’ lijkt ze te zeggen. Net als de cover is ook de muziek op het album ontdaan van afgemixte tierelantijntjes. Solitary High is ongepolijst en wonderschoon.

Waar Lavalu zich op haar eerdere albums nog door een band liet begeleiden, speelt ze op Solitary High alleen. Met enkel piano en stem verveelt ze niet. Zelfs wanneer ze dezelfde toets blijft spelen, is haar muziek dynamisch, daar klinkt haar klassieke scholing in door. Net als haar piano kent haar stem vele kleuren. Duister op Longest Dawn en Milk, smachtend op Hide Me en Waiting.

Verslavend donker

Als haar vingers de toetsen raken, in het openingsnummer Waiting, is het alsof ze een duister sprookje opent. Het soort dat een beetje pijn doet, maar waar je op een donkere herfstdag zin in hebt. Met Waiting zuigt Lavalu je Solitary High binnen en slokt je op. Haar stem wordt één met de piano. Je volgt hem gehypnotiseerd, tot ze in het refrein losbreekt en zingt ‘I hope you’re waiting for me’.

Het daaropvolgende Safe is lichter en heeft iets weg van Debussy. De hoge pianotonen klinken filmisch, Lavalu’s stem volgt de bas. Dan doet ze iets magisch. Het is het dichtste dat bij een tweede stem komt, haar eigen echo zingt fluisterend het refrein mee. Subtiel, maar spookachtig mooi.

Less is more

Ik kan mijn vinger er bijna niet op leggen. Lavalu heeft geen typische zangstem. Het is een fijn tegengeluid op de dertien in een dozijn zangeressen die je op de radio hoort. Ze bezit een puurheid die je niet vaak meer hoort.

Op Solitary High zingt ze verrassend vaak naar en over een ander, wat haar geluid nog eenzamer maakt. In haar laatste nummer Too Much heeft Lavalu heel goed begrepen dat less soms more is. Ze laat zelfs haar piano achterwege en zingt a capella. Kwetsbaar, naakt en dapper tegelijkertijd sluit ze haar album in stilte af. ‘My love is a mess but let me caress you right now’.

 

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Flauwe doch grappige knipoog naar de gepolijste theaterwereld

recensie: Bos Theaterproducties i.s.m. Theatertainment – The play that goes wrong

Zelden is er zoiets flauws als The Play thats goes wrong opgevoerd in de Nederlandse theaters. Koefnoens Owen Schumacher, verantwoordelijk voor het script, heeft alle humoristische en banale scènes in hun waardigheid gelaten in de Nederlandse versie van de Britse slapstick-komedie. De voorstelling bouwt voort op geinige woordgrapjes, omvallende decorstukken en hoofdrolspelers die om de beurt flauwvallen. Deze perfect getimede chaos zorgt voor een heerlijke theateravond waarin het publiek schatert en grinnikt om de meest kleine benulligheden.

De naam windt er geen doekjes om: in deze voorstelling gaat alles fout, perfect getimed fout. Een amateurgezelschap, bestaande uit winkeliers, sluit jaarlijks haar feestweek af met een toneelstuk. Ditmaal kiezen ze voor The murder at Haversham Manor, een detectiveachtige thriller à la Agatha Christie’s Poirot. De ‘Poirot’ in dit toneelstuk is de voorzitter van het gezelschap (Bas Hoeflaak), die zich met een pijp en vergrootglas een echte inspecteur waant. Al vanaf minuut één wordt zijn personage aangedikt met een vettig lachje, een grijns die gedurende het toneelstuk langzaam in een grimas verandert. Want tjonge jonge, wat gaat er veel mis in het toneelstuk. De eerste scène maakt inzichtelijk hoe belangrijk timing binnen een toneelstuk is: keer op keer is de geluids-/lichttechnicus te laat met het toevoegen van een duister licht of spannend muziekje, waardoor de spelers extra sukkelig overkomen. Het decor blijft steevast hetzelfde: een ouderwetse, chique aandoende woonkamer met kroonluchter, schoorsteen en ander kostbaar meubilair. Op de canapé rust het lichaam van Charles Haversham (Frieda Barnhard), de here des huizes. ‘Vermoord’, verkondigt de inspecteur, tot grote schrik van zijn verloofde Florence Colleymoore (Tina de Bruin), broer Cecil (‘Sessel’) Haversham (Rop Verheijen), Florence’ broer Thomas Colleymoore (Ergun Simsek) en butler Perkins (André Dongelmans).

Inside jokes

Het belooft allesbehalve een klassieke ‘Whodunit?’ te worden. Door de continue stommiteiten, worden grootse geheimen te vroeg verklapt, ontbreken attributen (en erger: spelers op de vloer) en wordt het decor meerdere malen gesloopt. Daarnaast worden zinnen over en over en over gespeeld totdat iemand zijn zin herinnert en moeten zelfs de technici inspringen om rollen te vervangen (o.a. Anne-Marie Jung). Het verhaal is uiteindelijk bijzaak – hoewel het een verrassende ontknoping kent. Deze voorstelling is een parodie op theater als kunstvorm. Deze voorstelling geeft een kijkje achter de schermen van een voorstelling, over hoe gepolijst en vlot alles achter het toneeldoek moet verlopen om een goede show neer te zetten. Als de spelers ‘per ongeluk’ de regieaanwijzingen als tekst voorlezen (‘AF!’), roepen en tekst of woorden verkeerd spellen (‘verdonkere-mannen’), moet dit worden beschouwd als een subtiele inside joke over de theaterwereld. Ook stapt de winkelier die Thomas Colleymoore speelt af en toe uit zijn rol en begint dan vervolgens in het Turks te schelden. Hier doorbreekt een acteur die een amateurspeler speelt, de zogenaamde ‘vierde wand’. Naast zulke grapjes, die niet meteen met het blote oog zijn waar te nemen, zijn er ook veel expliciete grappen. Zo gooit butler Perkins per ongeluk een gehele fles whisky leeg en vervangt dit vervolgens door een dodelijk, brandend huishoudelijk middel. De acteurs die dit drinken, spugen keer op keer simultaan dit levensgevaarlijke goedje uit en krijgen zo de lachers op de hand.

Clowneske toestanden

Dit toneelstuk smaakt naar meer, of sterker nog: je zou willen dat je hem nogmaals kunt bekijken. Dat eindoordeel is opmerkelijk. Aan het begin van de voorstelling overheerst namelijk een ander sentiment. Als theaterbezoeker moet je echt wennen aan de extreem flauwe opzet en heeft het geheel iets ‘clownesk’ door de acties die uit het repertoire van Laurel & Hardy lijken te zijn overgenomen. Na een tijdje rest alleen nog de bewondering voor alle ontzettend goed getimede handelingen en de waardering voor de humor zoals die bedoeld is. Het zijn dan niet eens zozeer de flauwe grappen waarom je lacht, maar ook de miscommunicatie die steeds ontstaat en het feit dat het script totaal niet wordt gevolgd (tot steeds groter ongenoegen van het zogenaamde gezelschap). Het leuke is het ‘paradoxale’ aan deze voorstelling: juist doordat alles misgaat, maakt het een voorstelling. Dát maakt deze voorstelling zo ontzettend speciaal, interessant en heerlijk om naar te kijken.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Thuis in de tijd

recensie: Antoine Bodar - Geborgen in traditie

In zijn nieuwste bundel is Antoine Bodar behoorlijk kritisch op Nederland. Taalverloedering, lompheid en egoïsme zijn de verschijnselen waar hij zich het meest aan stoort. Dit hangt allemaal samen met een gebrek aan waardering voor traditie.

Niet voor niets heeft de Brabantse priester zijn Nederland verruild voor Italië. Dat wil echter niet zeggen dat hij de strijd heeft opgegeven. Hij bestookt het vaderland nog regelmatig met boeken en verschijnt geregeld op tv om uitleg te geven over de Rooms-Katholieke Kerk. Daarbij is hij nooit te beroerd om en passant te wijzen op de slechte staat waarin Nederland verkeert.

Niet dat Nederland Bodar weinig te bieden heeft. Hij bewondert Joost van den Vondel, Louis Couperus en Johan Huizinga en schrijft daar graag over. Zijn klacht is vooral dat Nederland zijn rijke culturele traditie bij het grof vuil heeft gezet.

Jaren zestig

Het ging volgens Bodar mis in de jaren zestig. Tijdens deze periode kwam de jeugd in opstand tegen orde en gezag, traditie en etiketten — kortom, tegen het idee van beschaving als zodanig. Bodar maakte de jaren zestig mee als student en omschrijft ze als de meest afgrijselijke periode uit zijn leven. ‘Zulks tekent een mens.’

Bodar hekelt de lompheid, de grofheid en het egoïsme die sinds de jaren zestig in opmars zijn. We zijn veel te veel met onszelf bezig. De populariteit van allerlei nieuwe vormen van spiritualiteit vindt hij daarvan een duidelijk teken: die zijn uitsluitend op het eigen welzijn gericht.

Europa

In de politiek signaleert Bodar een soort nationaal egoïsme. Hij ziet een tendens bij mensen als Wilders en Baudet om zich achter de dijken terug te trekken. Europa is voor hen een vies woord.

Zo niet voor Bodar. Hij houdt een warm pleidooi voor het belang van Europa. Daarin doet hij geen beroep op de toekomst – al zou toenemende politieke integratie in Europa een dwingende noodzakelijkheid zijn in een globaliserende wereld – maar juist op het verleden.

Europa is altijd een eenheid geweest, zo zegt Bodar. Wellicht niet in politieke zin, maar toch zeker in culturele zin. Gemeenschappelijke tradities, waaronder het christendom, hebben altijd voor een zekere verbondenheid gezorgd. Maar juist die traditie, zo stelt Bodar teleurgesteld vast, wordt door de pro-Europese stemmen op dit continent verzwegen.

Hoop

Maar Bodar zou Bodar niet zijn als hij het pessimisme niet overstijgt. Hij schenkt in zijn boek veel aandacht aan het schone. Kunst en literatuur kunnen troost en geborgenheid bieden. Daarbij hoort ook enige kennis van het christendom, dat de inspiratiebron voor zoveel Europese kunst en literatuur vormde. Kennis van de eigen (culturele) geschiedenis is volgens Bodar noodzakelijk om te weten wie we zijn. Met een sterker zelfbewustzijn zullen we ook beter in staat zijn nieuwe culturen in ons op te nemen in plaats van ze louter als bedreiging te zien. Zo biedt het boek toch nog hoop.

Dat Bodar zowel kritiek als oplossingen levert, maakt Geborgen in traditie leesbaar. Omdat het boek een samenstelling van veelal eerder gepubliceerde of voorgedragen stukken is, overlappen veel opstellen met elkaar. Bodar kent ongetwijfeld het Romeinse gezegde dat herhaling de moeder der wijsheid is.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Een verfrissende confrontatie met de dood

recensie: Noord Nederlands Toneel - dood en zo

‘Ik denk dat je inzakt, een beetje als een taart die net uit de oven komt.’ Eva Duijvestein behandelt de 84-jarige Annemarie Prins niet met zijden handschoentjes, maar met het soort van ruwe latex. dood en zo is een frisse confrontatie met datgene waar we het liever niet over hebben, maar ons allen te wachten staat.

Prins wil groots en meeslepend afzwaaien en, zoals het een actrice betaamt, met publiek. Ze plant haar dood tot in de puntjes: van de amandelolie waarmee ze zich insmeert tot de manier waarop ze haar fatale toetje door de yoghurt roert. En terwijl Prins ook tot na de laatste adem controle wil houden, herinnert Duijvestein haar aan wat niemand ook maar durft te denken: ‘Je bent dan dood wat doet het ertoe? Jij bent dan een ding’.

De vrouwen schelen 44 jaar, Het is een bijzondere vriendschap. Prins laaft zich aan het bloed van de jeugdige Duijvestein en die peuzelt op haar beurt alle ervaring van de oudere Prins op. Ze zijn aan elkaar gewaagd. Met regelmaat proberen ze elkaar uit het veld te slaan, maar telkens krabbelen ze weer overeind. Ze huilen, vernederen en houden troostend elkaars handen vast. De chemie tussen Prins en Duijvestein ademt een ultiem vertrouwen uit.

Zonder gêne

De toneelvloer lijkt een spiegel, totdat Duijvestein die op haar sokken betreedt. De kringen die ze in het water achterlaat spiegelen het licht golvend op de muur. Het is een prachtig beeld. Even later zijgt ook Prins in het water neer. De vrouwen gaan geen ongemak uit de weg. Ze banjeren door het koude water en voeren het gesprek over de naderende dood zonder gêne en zonder censuur.

Prins is charismatisch, innemend en windt de zaal om haar vinger. Ondanks haar 84 jaar is ze ontwapenend als een klein meisje. Van haar krukje tuurt ze naar zichzelf in het water en trekt haar opgekropen rok over haar blote knieën: ‘Ik wil me niet meer schamen’.

Gevaarlijk dichtbij

Duijvestein en Prins houden het publiek tot de laatste adem in hun greep. De muziek van Dionys Breukers en Bart Rijnink leidt onder hun gesprekken helaas meer af dan dat die ondersteund. Het lijkt een overbodige poging om suspense op te bouwen. De tekst van Sophie Kassies is oprecht en draait niet om de zaken heen. Daarmee wordt de voorstelling niet zwaar, maar juist verfrissend. Het publiek verkeert niet in een existentiële crisis, maar barst met regelmaat in lachen uit.

Soms slaat de voorstelling je als koud water in het gezicht en komt dood en zo gevaarlijk dichtbij. Terwijl Duijvestein krachtig rond het bassin stampt, zwoegt Prins door het koude water om haar bij te kunnen houden. Op dit soort momenten wil je dat het stopt en Prins in een warme droge handdoek wikkelen. Duijvestein en Prins gaan onverbiddelijk door.

dood en zo is een gitzwarte komedie met een bittere nasmaak. Prins en Duijvestein kijken de dood recht in de ogen, maar verwacht geen verlossing: ‘Ben je bang?’ wordt nooit met een geruststellend nee beantwoord.

Reageer op dit artikel