Berichten

Kunst / Expo binnenland

‘A place to think about life’

recensie: Na – Christian Boltanski

In het hoogkoor van de Amsterdamse Oude Kerk staan stoelen die anders in het schip van de kerk staan. Op elk ervan staat één, of staan een paar woorden geborduurd: droevig, ein end, niets, zware. Alle woorden vormen, als de stoelen allemaal in de goede volgorde zouden zijn geplaatst, een gedicht van Anna Enquist. De vijftien stoelen in het hoogkoor zijn random neergezet, want anders zouden ze volgens directeur en curator Jacqueline Grandjean ‘een werk op zichzelf vormen.’

En dat is niet de bedoeling, want de hele ruimte is voor Christian Boltanski (1944), de Franse kunstenaar die vanaf 1972 regelmatig deelneemt aan de documenta in Kassel en van wie onder meer op dit moment ook werk valt te zien in de Pont in Tilburg.
Voor de Oude Kerk maakte hij een installatie onder de titel ‘Na’ (letterlijk: na, after, après).
Het meest in het oog springen de tombes, staketsels met zwart landbouwplastic overspannen, van laag tot hoog. Je kunt er tussendoor lopen, als bij de betonblokken van  het Holocaustmonument van Peter Eisenman in Berlijn. Het landbouwplastic ‘ademt’ soms door enkele ventilatoren die zijn aangebracht.

Christian Boltanski in de Oude Kerk. Foto: Gert Jan van Rooij

De dood

Onderweg stuit de bezoeker op mensachtige figuren op houten benen met een jas aan en een lamp als hoofd (Le Manteau) , die – als je dichtbij komt -, een vraag stellen over hoe je je dood hebt ervaren, zoals: ‘Zeg eens, ben je weggevlogen?’, ‘Zeg eens, was je bang?’ of: ‘Zeg eens, heb je licht gezien?’
Op de achtergrond hoor je het geluid van een videoprojectie met Japanse bellen (Animates-Blanc), die staan voor de ziel. In het hoogkoor hoor je namen, op fluistertoon ingesproken, van de ruim achtduizend mensen die in de Oude Kerk zijn begraven, en van wie de namen bekend zijn. Je krijgt ze in een boekje (Disparus) bij de tentoonstelling overhandigd.
Ook licht speelt bij deze tentoonstelling een belangrijke rol. Van enkele grote kroonluchters die naar beneden zijn gehaald en in het schip bijvoorbeeld, pal boven de vijfenvijftig, donkere jassen hangen die daar op de grond liggen (Les Manteaux), als vleermuizen tegen de grond gedrukt met hun vlerken uitgespreid, tot de 158 lampjes in de doopkapel (Crépuscule), waarvan er gedurende de duur van de tentoonstelling elke dag om 12.00 uur er eentje automatisch uitgaat.

Christian Boltanski in de Oude Kerk. Foto: Gert Jan van Rooij

Eerder werk

Alles bij elkaar doet denken aan elementen uit eerder werk van Boltanski. Tombes kwamen we in meer bescheiden vorm al tegen als Les tombeaux in Museum Reina Sofia (1996), jassen speelden al een rol in de tentoonstelling Dispersion in Quai de la Gare (1991), namen verwijzen in ander werk naar de Mormonen, die denken dat als je bij het Laatste Oordeel door God geroepen wilt kunnen worden, je een naam moet hebben en de lampjes op de grond in de doopkapel doen tenslotte denken aan Dopo (Na) dat in 2015 te zien was in Fondazione Merz in Torino.
Maar we komen de elementen ook tegen in de kerken waar Boltanski eerder exposeerde. Hij weet ze zo achter elkaar op te nomen: Compostela, Keulen, Parijs en Salzburg. In een mooi boek met interviews met hem van de hand van Hans-Ulrich Obrist (2009) wordt er één uitgelicht: een paascyclus waarbij op Witte Donderdag jassen werden ingezameld, ze op Goede Vrijdag als dood achtergelaten waren en op Paasmorgen een nieuw leven kregen doordat ze aan armen uit de buurt werden weggegeven.
Zoiets kunnen we in Amsterdam niet verwachten. Volgens Grandjean omdat kerkelijk- en museaal gebruik van de Oude Kerk gescheiden zijn, terwijl Boltanski mij zei dit keer vooral de nadruk te hebben willen legen op de kerk als ‘a place to think about life.’

Christian Boltanski in de Oude Kerk. Foto: Gert Jan van Rooij

Het is aan de bezoekers en gebruikers van de Oude Kerk om een oordeel hierover te vormen. In ieder geval is de Oude Kerk, die sinds 2016 officieel een museum werd, er weer in geslaagd een indrukwekkende tentoonstelling te bieden. Dit keer met werk van Boltanski, dat we in de kern kennen maar dat steeds monumentaler en theatraler lijkt te worden. Werk dat niet alleen tot nadenken stemt, maar je ook aanspreekt. Soms zelfs letterlijk.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

‘A place to think about life’

recensie: Na – Christian Boltanski

In het hoogkoor van de Amsterdamse Oude Kerk staan stoelen die anders in het schip van de kerk staan. Op elk ervan staat één, of staan een paar woorden geborduurd: droevig, ein end, niets, zware. Alle woorden vormen, als de stoelen allemaal in de goede volgorde zouden zijn geplaatst, een gedicht van Anna Enquist. De vijftien stoelen in het hoogkoor zijn random neergezet, want anders zouden ze volgens directeur en curator Jacqueline Grandjean ‘een werk op zichzelf vormen.’

En dat is niet de bedoeling, want de hele ruimte is voor Christian Boltanski (1944), de Franse kunstenaar die vanaf 1972 regelmatig deelneemt aan de documenta in Kassel en van wie onder meer op dit moment ook werk valt te zien in de Pont in Tilburg.
Voor de Oude Kerk maakte hij een installatie onder de titel ‘Na’ (letterlijk: na, after, après).
Het meest in het oog springen de tombes, staketsels met zwart landbouwplastic overspannen, van laag tot hoog. Je kunt er tussendoor lopen, als bij de betonblokken van  het Holocaustmonument van Peter Eisenman in Berlijn. Het landbouwplastic ‘ademt’ soms door enkele ventilatoren die zijn aangebracht.

Christian Boltanski in de Oude Kerk. Foto: Gert Jan van Rooij

De dood

Onderweg stuit de bezoeker op mensachtige figuren op houten benen met een jas aan en een lamp als hoofd (Le Manteau) , die – als je dichtbij komt -, een vraag stellen over hoe je je dood hebt ervaren, zoals: ‘Zeg eens, ben je weggevlogen?’, ‘Zeg eens, was je bang?’ of: ‘Zeg eens, heb je licht gezien?’
Op de achtergrond hoor je het geluid van een videoprojectie met Japanse bellen (Animates-Blanc), die staan voor de ziel. In het hoogkoor hoor je namen, op fluistertoon ingesproken, van de ruim achtduizend mensen die in de Oude Kerk zijn begraven, en van wie de namen bekend zijn. Je krijgt ze in een boekje (Disparus) bij de tentoonstelling overhandigd.
Ook licht speelt bij deze tentoonstelling een belangrijke rol. Van enkele grote kroonluchters die naar beneden zijn gehaald en in het schip bijvoorbeeld, pal boven de vijfenvijftig, donkere jassen hangen die daar op de grond liggen (Les Manteaux), als vleermuizen tegen de grond gedrukt met hun vlerken uitgespreid, tot de 158 lampjes in de doopkapel (Crépuscule), waarvan er gedurende de duur van de tentoonstelling elke dag om 12.00 uur er eentje automatisch uitgaat.

Christian Boltanski in de Oude Kerk. Foto: Gert Jan van Rooij

Eerder werk

Alles bij elkaar doet denken aan elementen uit eerder werk van Boltanski. Tombes kwamen we in meer bescheiden vorm al tegen als Les tombeaux in Museum Reina Sofia (1996), jassen speelden al een rol in de tentoonstelling Dispersion in Quai de la Gare (1991), namen verwijzen in ander werk naar de Mormonen, die denken dat als je bij het Laatste Oordeel door God geroepen wilt kunnen worden, je een naam moet hebben en de lampjes op de grond in de doopkapel doen tenslotte denken aan Dopo (Na) dat in 2015 te zien was in Fondazione Merz in Torino.
Maar we komen de elementen ook tegen in de kerken waar Boltanski eerder exposeerde. Hij weet ze zo achter elkaar op te nomen: Compostela, Keulen, Parijs en Salzburg. In een mooi boek met interviews met hem van de hand van Hans-Ulrich Obrist (2009) wordt er één uitgelicht: een paascyclus waarbij op Witte Donderdag jassen werden ingezameld, ze op Goede Vrijdag als dood achtergelaten waren en op Paasmorgen een nieuw leven kregen doordat ze aan armen uit de buurt werden weggegeven.
Zoiets kunnen we in Amsterdam niet verwachten. Volgens Grandjean omdat kerkelijk- en museaal gebruik van de Oude Kerk gescheiden zijn, terwijl Boltanski mij zei dit keer vooral de nadruk te hebben willen legen op de kerk als ‘a place to think about life.’

Christian Boltanski in de Oude Kerk. Foto: Gert Jan van Rooij

Het is aan de bezoekers en gebruikers van de Oude Kerk om een oordeel hierover te vormen. In ieder geval is de Oude Kerk, die sinds 2016 officieel een museum werd, er weer in geslaagd een indrukwekkende tentoonstelling te bieden. Dit keer met werk van Boltanski, dat we in de kern kennen maar dat steeds monumentaler en theatraler lijkt te worden. Werk dat niet alleen tot nadenken stemt, maar je ook aanspreekt. Soms zelfs letterlijk.

Reageer op dit artikel

Muziek / Album

Bekendheid gegund

recensie: Daan – Nada

De Belgische zanger Daan is in eigen land een groot artiest, maar in Nederland nog relatief onbekend. Mogelijk brengt zijn nieuwste album Nada daar verandering in. Als voorproefje van dit artikel verklappen we vast: aan de kwaliteit van het album zal het niet liggen. Dit nieuwe album is het luisteren meer dan waard.

Daan Stuyven speelde eerder in bands als Citizen Kane en Dead Man Ray. Zijn populariteit groeide vooral bij onze zuiderburen. Het is hem gegund ook bij ons bekend te worden en als je een paar maal dit album geluisterd hebt, zul je dat met me eens zijn.

Referenties liggen uit elkaar

Om Nada aan een stijl te koppelen is lastig. Als we het album in zijn geheel op ons in laten werken, komen er diverse referenties naar andere artiesten naar boven, zonder dat Daan een kopie is. Er komt telkens een referentie naar boven, maar toch blijft ook zeker de eigenheid van Daan zelf voorop staan. Als we luisteren naar het tweede nummer van het album, getiteld ‘Wrong Heart’, dan kunnen we niet om een vergelijking met het late album van Johnny Cash heen. De stem van Daan en de klanken van dit nummer komen heel dicht in de buurt van wat Cash destijds realiseerde met Rick Rubin.
Maar als we vervolgens ‘Nontrol’ op ons af horen komen, dan schiet in het intro toch een vergelijking met Sting door mijn hoofd. Nu liggen de eerste en de tweede referentie wel heel ver uit elkaar, maar toch weet Daan van het album geen allegaartje te maken en het tot een eenheid te smeden.

Aanrader

Op papier lijken de vergelijkingen niet bij elkaar te passen, maar wie met open geest luistert zal geen moeite hebben om in ‘Temptation’ de ziel van John Campbell als voodoo-legende binnen te laten dwarrelen. Het voelt als een koude wind uit het hiernamaals. Campbell lijkt als een vleermuis door je hoofd te fladderen. Datzelfde gevoel wordt in ‘Seven Lives’ nog even vastgehouden. ‘King of Nothing’ roept geen vergelijking op, maar hier stopt Daan ineens heel veel octaven in zijn zang.
De albumafsluiter ‘Bala Perdida’ heeft een fraai drumgeroffel, dat doet terugdenken aan Phil Collins met ‘In the Air Tonight’. Het is heel kort maar niet minder onweerstaanbaar. Het doet verlangen naar meer.
Daan levert met Nada een album, dat van verschillende signaturen lijkt te zijn. Het is bijna filmisch. Hoe vaker ik het album luister, hoe meer ik ervan ga genieten. Het album is voor de avontuurlijke luisteraar een echte aanrader!

Reageer op dit artikel

Lecompte_Bezige-Bij
Boeken / Poezie

‘Ik huiver van degelijke gedichten’

recensie: Delphine Lecompte - Western
Lecompte_Bezige-Bij

De poëzie van Delphine Lecompte is als een doordenderende trein die alle stations op de route voorbij snelt. Als er even vaart wordt geminderd is het mogelijk erop te springen en plaats te nemen. Wie de sprong niet waagt, mist de aansluiting.

In het op de eerste pagina van Western geplaatste gedicht Geen succes blues staan de regels: ‘Ik schrijf het liefst kwade overdadige gedichten, dan word ik gelezen. En gelezen worden is veel prettiger dan gefrustreerd te zijn’. Dit kan gezien worden als niets minder dan een beginselverklaring voor de extravagante stijl van deze Vlaamse dichteres. In haar verhalende verzen is de sfeer altijd naargeestig en er komt vrijwel geen rijm in voor.

Therapeutisch

Het stuwende tempo waarin de gedichten worden opgebouwd is tegelijkertijd een katalysator voor de onderliggende tragiek die vaak bestaat uit perversiteiten en incestueuze ervaringen. In een geconstrueerde omgeving schrijft de Lecompte duidelijk ‘van zich af’, waarbij het therapeutische effect een soort vaste waarde lijkt te zijn. De personages zijn stuk voor stuk samengestelde types met een keur aan bijzondere adjectieven: de hautaine manegemadam, de lamlendige brillenverkoper, de analfabetische jongenshoer, de gepensioneerde stierenvechter, enzovoort. Geen sleutelfiguren of handelende karakters, maar ze vormen slechts het decor voor de compromisloze beschrijvingen van de dichteres.

Ik geef je pindakaas om onze band te versterken
Ik vind je oogklonters mooier dan zwaarden
Ik schop je enkel wanneer mijn orgasme mislukt
Tijdens je likactiviteiten daarbeneden denk ik aan
De Gelaarsde Kat, aan Jacobs ladder, en aan spionerende parapluverkopers.

In deze absurdistische wereld is er vrijwel altijd sprake van een ongelijke verhouding tussen de hoofdpersoon en de omringende figuren: dader en slachtoffer in een gewelddadige situatie, meester en slaaf in een sm-achtige sfeer of sekspartners met verschillende motieven. Toch wordt het algemene drama, waar tussen de regels door telkens naar verwezen wordt, afgewisseld met een vorm van speelse humor die gevoeligheid laat zien.

Ik kom God tegen in de wasserette, hij ziet er verfomfaaid uit
Hij staart wezenloos naar zijn tuimelende overhemden
En nog wezenlozer naar zijn buitelende sokken
Een broek draagt God niet, zijn geslacht ziet er ongebruikt uit
Ik vraag God of hij me 20 cent kan lenen voor een pakje wasverzachter.

Verwondering

In de uitzending van VPRO Boeken stelt Lecompte dat overdaad en onmatigheid in haar schrijven de beste poëzie oplevert: ‘Ik huiver van degelijke gedichten’. De haast intuïtieve werkwijze en de veelheid aan wendingen binnen de strofes maken deze gedichten tot een bizar avontuur dat zowel verrassing als vermoeidheid opwekt. Het is de gulzigheid in het verwoorden van gedachten, het zoeken naar de juiste omschrijvingen, waardoor de indruk ontstaat dat – zoals de dichteres zelf zegt – de inspiratie ‘uit zijn voegen barst’. Een niet in te tomen productie die de kwaliteit niet altijd ten goede komt.

Met een VSB Poëzieprijs-nominatie voor haar vorige bundel op zak is Lecompte inmiddels een unieke verschijning in de Nederlandstalige poëzie. Het sprookjesachtige landschap dat ze creëert is een goede uitlaatklep voor de angsten en narigheden die blijkbaar in haar hoofd rondspoken. Het is de zwaarte én de lichtheid, die strijden om voorrang. In samenspel met de haast naïeve verwondering maakt dit Western tot een boeiend geheel. ‘Alles is bespottelijk en vertederend tegelijk.’

Reageer op dit artikel

Muziek / Concert

Iets minder Rebel, maar niet minder goed

recensie: Jett Rebel

Jelte Tuinstra aka Jett Rebel behoeft eigenlijk geen introductie meer. Wie niet één van zijn vele platen in de kast heeft staan, kent hem wel door zijn reputatie van enthousiast drugsgebruik, zijn dwarse imago, of heeft wel eens het gerucht gehoord dat al zijn shows gerust drie uur doorgaan.

Begin dit jaar kwam Jetts nieuwste album Superpop uit, één van de drie studioalbums binnen twaalf maanden. Naar aanleiding daarvan een kleine tour, die vanavond eindigt in de grote zaal van Patronaat te Haarlem. Bij een nieuw album hoort blijkbaar een nieuwe look, want we zien Jett vanavond zonder snor, baard, en lange lokken. Hij en zijn band zijn volledig in het wit gehuld.

Over the top

Wanneer het optreden aangekondigd wordt door iemand die vraagt of de zaal ‘klaar is om te hossen’, weet je eigenlijk al wat voor show dit gaat worden; Jett is een stuk minder Rebel dan een paar jaar geleden. Met zijn over the top toneelstukjes doet hij zijn best om de zaal te entertainen. Af en toe een beetje te hard zijn best. Het publiek moet meezingen, meeklappen en krijgt zelfs in een ware fitnessles danspasjes aangeleerd.

Van Jetts oorspronkelijke band is alleen de bassist nog aanwezig, de rest van de muzikanten zijn er later bijgekomen. Ook de show is een afwisseling tussen nieuwe en oudere nummers, en tussen ballads en up-tempo songs. Alsof Jett per se zijn reputatie waar wil maken, rekt hij het geheel uit tot inderdaad een krappe drie uur. In ballad Green wordt een langdradig instrumentaal stuk van zelfs zo’n tien minuten ingebouwd, en ook een uitgebreid gitaarduel ontbreekt niet.

Nog steeds geniaal

Wie Jett Rebel vanavond voor het eerst live ziet, is ongetwijfeld zwaar onder de indruk. Voor wie hem al langer volgt, is de nieuwe weg die hij met deze iets te gelikte en dramatische show is ingeslagen misschien even wennen, of zelfs teleurstellend. Niemand kan er echter omheen dat hier een geboren podiumbeest staat, een geniale gitarist, en iemand die met zijn charmes en imponerende dansmoves iedereen inpakt. Hij is één bonk energie, de volle drie uur lang. Het maakt niet uit welk jasje Jelte aantrekt, alles past hem.

Het echte hoogtepunt van het optreden komt met de laatste drie nummers. Voor het eerste nummer van de toegift komt Jetts oude drummer terug, en samen met zijn oorspronkelijke bassist spelen ze een van zijn eerste hits, Louise. Ook de twee nummers daarna, Pineapple Morning en Love Me At All, stammen uit het begin van zijn carrière. Dit zijn toch duidelijk wat Jelte het beste kan en wat het publiek het meest waardeert. Lekker hard rocken zonder gedoe.

Jett Rebel weet precies hoe hij zijn publiek de beste drie uur moet geven. Het is indrukwekkend hoe hij op zo’n jonge leeftijd de band leidt. Het geheel is strak gerepeteerd maar tegelijkertijd blijft er genoeg ruimte voor spontaniteit en improvisatie. Het mag dan misschien allemaal iets te gelikt zijn vanavond, maar je kunt niet anders dan de volle vijf sterren geven aan zo’n indrukwekkende muzikant en entertainer.

Reageer op dit artikel

modernisme
Kunst / Kunstboek

Modernisme als katalysator

recensie: Modernism: In Print - Dutch Graphic Design 1917-2017
modernisme

Het modernisme in de grafische vormgeving is niet een van de vele stromingen binnen het vakgebied, maar stond aan de basis van de algehele ontwikkeling ervan. Alles moest op de schop in het begin van de twintigste eeuw, dus ook de traditionele vormen van visuele communicatie.

In de omvangrijke publicatie Modernism: In Print begint auteur Frederike Huygen met de vaststelling dat het begrip modernisme lijkt samen te vallen met het toverwoord ‘Bauhaus’. Dat is een gemakkelijke ingang, die niet betekent dat deze kunst- en designopleiding uit de jaren 20 van de vorige eeuw het alleenrecht bezit op de internationale ontwerprevolutie. Als symbool is het echter wel tot een waardevol cliché geworden. In dat licht stoeit Huygen verder met de veelheid aan betekenissen die het modernisme aankleven: is het een ontwerpmethode, een doorwrochte ideologie of slechts een esthetische stijlvorm?

modernisme

Piet Zwart, catalogus Nederlandse Kabel Fabriek, 1929

Nieuwe beroepsgroep

Ook de onderregel Dutch Graphic Design 1917-2017 wordt terecht tegen het licht gehouden, want hoe Nederlands is die modernistische wending nu helemaal? Bij de Hongaar László Moholy-Nagy vinden we de oorsprong van ‘Die neue Typographie’; een beginselverklaring over de toepassing van typografie en fotografie in vormgeving. Dat maakte veel los bij een keur aan ontwerpers, waaronder in Nederland Piet Zwart, Paul Schuitema en Gerard Kiljan, die deze nieuwe ontwikkelingen overnamen, uitvoerig toepasten en verder verspreidden. Het geheel kan gezien worden als internationale, revolutionaire reactie op de tot dan toe gepubliceerde vormgeving in drukwerk. De overheersende invloed van symmetrie en ornamentiek (Art Nouveau en Arts and Crafts) werd luidruchtig tegengegaan door een wijdverbreide beweging die asymmetrisch, primair gekleurd en strakgevormd de aandacht naar zich toe trok.

Wat Huygen onvoldoende benadrukt in Modernism: In Print is het feit dat er tegelijkertijd een nieuwe beroepsgroep werd geboren. Het vak grafische vormgeving, over het algemeen beoefend door kunstenaars en andere ambachtslieden (met name drukkers), kreeg een duidelijk gezicht door de dogmatische werkwijze en de uitgesproken beeldtaal van de modernisten. Opvallende elementen zijn geometrie, fotografie en schreefloze typografie.

modernisme

Wim Crouwel, affiche Jean Dubuffet, Van Abbemuseum, 1960

Zacht modernisme

Vooral in het vroege werk van Piet Zwart is de heldere lijn te zien. Zijn ontwerpen voor de Nederlandse Kabel Fabriek in 1928 zijn experimenteel en tegelijk informatief, met een continue doorgevoerde beeldtaal die de opdrachtgever – en het Nederlandse ontwerpklimaat – in één klap op de internationale kaart zette. Niet alle ontwerpers waren overtuigd van de effectiviteit van de rigide modernistische stijl. Er ontstonden stromingen (het zachte modernisme) met diverse variaties op de hoofdlijnen: een breder kleurpalet, klassieke typografie en een meer organische vlakverdeling.

Aan de hand van prachtig beeldmateriaal voert Modernism: In Print de lezer mee door de decennia van pionieren, vastleggen en voortbouwen. Eind jaren vijftig is het modernisme via de uitstapjes van ontwerpers als Dick Elffers, Otto Treumann en Jan Bons aangekomen bij de invloed van de Zwitserse school. Een uiterst functionele en rationele systematiek in grafische vormgeving is het gevolg, met voorvechter Wim Crouwel en het spraakmakende bureau Total Design als leidende gids. De ontwerper is niet meer de artistieke createur van voorheen, maar een professionele probleemoplosser die zonder inzet van persoonlijke expressie zijn werk doet.

modernisme

Studio Dumbar, affiche meubelfabriek Artifort, 1985

Pandemonium aan richtingen

Vanzelfsprekend volgt op de dogmatiek van Crouwel (waar hij overigens zelf regelmatig van afweek) weer een tegenbeweging die met enige voorzichtigheid postmodern genoemd kan worden. De expressie van Studio Dumbar en de neoromantiek van ontwerpbureaus als Hard Werken zijn directe reacties op de zakelijke structuur van de Zwitserse stijl. Sinds die periode, de late jaren zeventig, is het hek van de dam en lijkt het modernisme in de grafische vormgeving te zijn aanbeland in een pandemonium aan richtingen en denkwijzen. Dat de doorlopende digitalisering van het vak (handwerk wordt computerwerk) hier mede oorzaak van is, is een understatement.

In een to the point hoofdstuk ter afsluiting meent Huygen te moeten concluderen dat het Nederlandse modernisme heeft geleid tot het bruisende vakgebied dat bekend staat als grafische vormgeving. De vele specialismen en diverse stromingen binnen de branche – autonomie versus commercie, kleinschaligheid versus megabureaus – laten nog altijd zien dat ‘de modernistische ethiek is verweven met de unieke identiteit van het vak’. Deze indrukwekkende uitgave, Modernism: In Print, is daar een zichtbaar bewijs van.

 

Modernism: In Print – Dutch Graphic Design 1917-2017
Auteur: Frederike Huygen
Uitgever: Lecturis
ISBN: 978 94 6226 224 9
184 pagina’s
€ 29,95

Reageer op dit artikel

Kunst / Achtergrond
special: NIEUWE MEESTERS – OUTSIDER ART MUSEUM IN HERMITAGE AMSTERDAM

Kunst die het normale ontstijgt

Kunst gemaakt door mensen die buiten het normale circuit van kunstenaars en musea vallen. Outsiders, dus. De tentoonstelling Nieuwe Meesters van het Outsider Art Museum in de Hermitage Amsterdam toont ruim 70 van zulke werken die ondanks of misschien wel dankzij de verstandelijke beperking of psychiatrische achtergrond van de maker, van bijzondere kwaliteit zijn en met recht een eigen plek hebben veroverd in de kunstwereld.

Sander Troelstra: portret van Ben Augustus

Mensen zoals ze zijn

Aan de muren hangt van elk van de 30 outsider-kunstenaars een grote zwart-witte portretfoto, geschoten door fotograaf Sander Troelstra. Troelstra won in 2015 de Nationale Portretprijs met een foto van succesvol beeldend kunstenaar Ben Augustus. Ben heeft het syndroom van Down. Troelstra heeft een bijzondere interesse in het onalledaagse en wil mensen laten zien ‘zoals ze zijn, ongepolijst. Gewoon als mens dus. Ook al zijn ze anders’. In de tentoonstelling worden naast fotoportretten van de kunstenaars ook videobeelden afgespeeld waarin te zien is hoe Troelstra de outsider-kunstenaars laat poseren en ze vastlegt met zijn camera. De kwetsbaarheid van deze mensen komt hierin goed naar voren en ontroert.

Uiting aan obsessies

In Nieuwe Meesters zijn zeer uiteenlopende werken te zien, die allemaal één ding gemeen hebben: ze geven uiting aan een obsessie van de maker. Elke maker heeft zijn of haar eigen specifieke en vaak eigenaardige belevingswereld die voor buitenstaanders lastig te doorgronden is. Deze mensen vinden ieder om verschillende reden moeilijk aansluiting bij de maatschappij, en veelal is het maken van kunst voor hen een noodzakelijk middel om zich tot die buitenwereld te verhouden en uiting te geven aan hun emoties. Het is kunst zonder pretenties, die geheel spontaan tot stand komt. Alleen al die wetenschap maakt de werken bijzonder. Hoewel alle tentoongestelde werken de moeite van het bekijken waard zijn, springen de stukken van een aantal kunstenaars eruit.

Sander Troelstra: portret van Lionel Plak

Lionel Plak

Kunstenaar Lionel Plak is een rijzige, donkere man die prijkt op de tentoonstellingsposter. Hij tekent op minutieuze wijze dienstregelingen van trams, treinen en metro’s met een handschrift zo priegelig dat je als kijker geneigd bent met je neus het doek aan te raken. Hoewel het onderwerp van zijn kunst in eerste instantie simpel lijkt, zorgt de compositie van tekst, lijnen, kleuren en detail in tweede instantie voor een bewonderenswaardig geheel. Plak heeft een autistische stoornis en zijn werk representeert een bepaalde obsessie met controle en macht. Zijn angst voor de buitenwereld beteugelt hij door zich de netwerken en systemen in die buitenwereld eigen te maken en op te tekenen. Hiermee wordt die wereld een stuk minder griezelig. Overigens heeft Plak zelf nog nooit met openbaar vervoer gereisd.

Werk van Ben Augustus

Ben Augustus

Augustus maakt onderdeel uit van Galerie Atelier Herenplaats in Rotterdam, die plek biedt aan diverse getalenteerde kunstenaars met een beperking. Zijn werk is de afgelopen jaren ontdekt door kunstliefhebbers en wordt in de kunstwereld alom geprezen. Zijn werk is al op meerdere exposities en beurzen tentoongesteld. In de Hermitage hangt een lang, wit papier dat vanaf een paar meter hoogte is uitgerold naar beneden en deels op de grond ligt. Het doet denken aan een rol behang. Het papier is compleet gevuld met een stripverhaal, getekend met zwarte stift. De kwaliteit van de tekeningen valt direct op, hoewel het verhaal niet meteen te volgen is. Van Augustus is bekend dat hij een obsessie heeft voor intimiteit. Hij is hierin niet uniek. Onderzoek door de Universiteit van Twente wees uit dat seks een belangrijk onderwerp is voor mensen met een verstandelijke beperking. Augustus kreeg op een bepaald moment in zijn leven een pornoblad in handen, waarna het onderwerp seks hem niet meer losliet. Intimiteit maakt dan ook vaak onderdeel uit van zijn kunst.

Werk van Coen Ringeling

Coen Ringeling

Het tentoongestelde werk van Coen Ringeling bevat onder andere een bijzonder drieluik waarop hij in kleurpotlood een fantasiewereld laat zien met sierlijke, kleurrijke tekeningen van werelden en oceanen waarin fantastische wezens leven. Ringelings idool is M.C. Escher, zijn tekeningen bevatten dan ook hier en daar optische grapjes. Zijn inspiratie haalt hij voornamelijk uit de verschillende levels van computerspellen die hij van jongs af aan speelt. Fantasie is een thema dat bij veel outsider-kunstenaars terugkomt, iets wat niet erg verwonderlijk is gezien hun unieke brein dat garant staat voor een gigantische verbeelding. Ringelings tentoongestelde werk is van hoge kwaliteit en straalt frivoliteit uit. De tekeningen zouden uitstekend passen in kinderboeken van niveau. Ringeling werkt net als Augustus vijf dagen per week in Galerie Atelier Herenplaats.

Werk van Lionel Plak

Belangstelling voor Outsider Art – iets nieuws?

Is de belangstelling voor kunst gemaakt door wat lang geleden ‘art of the insane’ werd genoemd iets nieuws? Nee, volstrekt niet. Al in 1907 publiceerde Franse psychiater Marcel Rajé een boek genaamd L’art chez les Fous. Rajé was zeer geïnteresseerd in deze kunst en een gepassioneerd verdediger van controversiële kunstenaars uit zijn tijd zoals Edvard Munch. Terwijl Rajé relatief onbekend is bij het grote publiek, is de Heidelbergse psychiater Hans Prinzhorn dat niet. Hij schreef het bekende Bildnerei der Geisteskranken (1922) en markeerde een turning point in de waardering van kunst gemaakt door geesteszieken. Prinzhorn beschouwde deze kunstwerken als ‘meticuleus getekende zielsverkenningen’. Kunstenaar Jean Dubuffet introduceerde de term art brut, wat letterlijk vertaald ‘ruwe, ongepolijste kunst’ betekent. Het is kunst door ongeletterden of ongeschoolden – autodidacten dus. Dubuffet, die zelf geen beperking had, was zodanig geïnteresseerd in art brut dat hij zich op dit genre stortte. In feite sloeg hij de plank hiermee mis – doelbewuste art brut, is eigenlijk geen art brut.

Inspiratie voor Dalí en Picasso

Na de Eerste Wereldoorlog verlangde men naar zuivere kunst, en art brut sloot daar goed bij aan. Pablo Picasso, surrealisten als Salvador Dalí en CoBrA schilders als Karel Appel waren groot fan van art brut, en lieten zich daardoor zichtbaar inspireren. Onderdeel van de Prinzhorn collectie, een verzameling van de werken van zijn patiënten, is de kunst van een patiënt die veel kubistische figuren tekende. Dat dit van invloed is geweest op de stijl die Picasso ontwikkelde leidt geen twijfel. Kortom, de interesse in outsider art, een term die in de jaren 70 werd bedacht door een Britse kunsthistoricus, is eigenlijk van alle tijden.

Doorbraak van Outsider Art

Lange tijd was men huiverig om deze artiesten een plek in het officiële kunstcircuit toe te kennen. Langzaam maar zeker groeit echter de bereidheid binnen musea, galeries en beurzen om zich open te stellen voor deze kunstwerken die buiten het normale kunstcircuit tot stand komen. Een expositie van een zwaar autistische Japanse kunstenaar op de Biënnale van Venetië betekende een doorbraak voor dit kunstgenre. Inmiddels is er een speciale Outsider Art Biënnale in Wuhan, China.

Kunst die ontstijgt

Inmiddels zou je kunnen bepleiten: outsider art is hot. De oprichting in 2016 van het Outsider Art Museum door museum Het Dolhuys in Haarlem en de samenwerking met de Hermitage Amsterdam levert in Nederland een belangrijke bijdrage aan de belangstelling voor en waardering van de rijkdom aan kunstwerken die achter de schermen vervaardigd worden. De tentoonstelling Nieuwe Meesters is al met al zeer de moeite waard en toont meesterlijke werken van een bijzonder genre: kunst van mensen met ongeziene talenten die, juist door hun beperking, werk maken dat door hun unieke verbeelding en buitengewone creativiteit veel ‘normale’ kunst ontstijgt.

De tentoonstelling Nieuwe Meesters is te zien tot en met 28 mei 2018 in het Outsider Art Museum in de Hermitage Amsterdam.

 

 

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Een verfrissende confrontatie met de dood

recensie: Noord Nederlands Toneel - dood en zo

‘Ik denk dat je inzakt, een beetje als een taart die net uit de oven komt.’ Eva Duijvestein behandelt de 84-jarige Annemarie Prins niet met zijden handschoentjes, maar met het soort van ruwe latex. dood en zo is een frisse confrontatie met datgene waar we het liever niet over hebben, maar ons allen te wachten staat.

Prins wil groots en meeslepend afzwaaien en, zoals het een actrice betaamt, met publiek. Ze plant haar dood tot in de puntjes: van de amandelolie waarmee ze zich insmeert tot de manier waarop ze haar fatale toetje door de yoghurt roert. En terwijl Prins ook tot na de laatste adem controle wil houden, herinnert Duijvestein haar aan wat niemand ook maar durft te denken: ‘Je bent dan dood wat doet het ertoe? Jij bent dan een ding’.

De vrouwen schelen 44 jaar, Het is een bijzondere vriendschap. Prins laaft zich aan het bloed van de jeugdige Duijvestein en die peuzelt op haar beurt alle ervaring van de oudere Prins op. Ze zijn aan elkaar gewaagd. Met regelmaat proberen ze elkaar uit het veld te slaan, maar telkens krabbelen ze weer overeind. Ze huilen, vernederen en houden troostend elkaars handen vast. De chemie tussen Prins en Duijvestein ademt een ultiem vertrouwen uit.

Zonder gêne

De toneelvloer lijkt een spiegel, totdat Duijvestein die op haar sokken betreedt. De kringen die ze in het water achterlaat spiegelen het licht golvend op de muur. Het is een prachtig beeld. Even later zijgt ook Prins in het water neer. De vrouwen gaan geen ongemak uit de weg. Ze banjeren door het koude water en voeren het gesprek over de naderende dood zonder gêne en zonder censuur.

Prins is charismatisch, innemend en windt de zaal om haar vinger. Ondanks haar 84 jaar is ze ontwapenend als een klein meisje. Van haar krukje tuurt ze naar zichzelf in het water en trekt haar opgekropen rok over haar blote knieën: ‘Ik wil me niet meer schamen’.

Gevaarlijk dichtbij

Duijvestein en Prins houden het publiek tot de laatste adem in hun greep. De muziek van Dionys Breukers en Bart Rijnink leidt onder hun gesprekken helaas meer af dan dat die ondersteund. Het lijkt een overbodige poging om suspense op te bouwen. De tekst van Sophie Kassies is oprecht en draait niet om de zaken heen. Daarmee wordt de voorstelling niet zwaar, maar juist verfrissend. Het publiek verkeert niet in een existentiële crisis, maar barst met regelmaat in lachen uit.

Soms slaat de voorstelling je als koud water in het gezicht en komt dood en zo gevaarlijk dichtbij. Terwijl Duijvestein krachtig rond het bassin stampt, zwoegt Prins door het koude water om haar bij te kunnen houden. Op dit soort momenten wil je dat het stopt en Prins in een warme droge handdoek wikkelen. Duijvestein en Prins gaan onverbiddelijk door.

dood en zo is een gitzwarte komedie met een bittere nasmaak. Prins en Duijvestein kijken de dood recht in de ogen, maar verwacht geen verlossing: ‘Ben je bang?’ wordt nooit met een geruststellend nee beantwoord.

Reageer op dit artikel

Ballard - High-Rise - Lebowski
Boeken / Fictie

‘Een krachtcentrale van wrok’

recensie: J.G. Ballard - High-Rise
Ballard - High-Rise - Lebowski

Een torenflat met duizenden bewoners valt ten prooi aan achteloosheid, anarchie, moordzucht en totale vernietiging. En niemand die het tij lijkt te kunnen of willen keren. J.G. Ballard maakt er in High-Rise een absurde en tegelijkertijd angstaanjagende vertoning van.

‘Later, toen hij op zijn balkon van de hond zat te eten (…)’. Met deze woorden begint de roman, waarmee blijk gegeven wordt van een vervreemding die in de rest van het eerste hoofdstuk nog niet wordt prijsgegeven. Robert Laing, een van de hoofdpersonen, is dan al afgezakt naar het dieptepunt van zijn bestaan en kijkt terug op hoe het allemaal zover heeft kunnen komen. De lezer is direct op het verkeerde been gezet en leest behoedzaam verder.

In High-Rise (1975, nu opnieuw vertaald door Irving Pardoen) speelt een luxe appartementengebouw de hoofdrol. De bewoners, onder te verdelen in een drietal sociale klassen, vervallen collectief in een staat van wetteloosheid die tot totale chaos leidt. Voor een veelzijdig schrijver als J.G. Ballard, bekend van The empire of the sun (1984) en de cultklassieker Crash (1973), is het gesneden koek om een bizarre situatie te creëren in een ogenschijnlijk normale samenleving. Zijn verbeelding is grenzeloos als het gaat om het oprekken van de menselijke omgangsvormen, zoals zijn werk in het fantasy- en sciencefiction-genre al volop heeft bewezen.

Champagnefles

Waar Ballard minder goed mee uit de voeten kan is de aanloop naar zo’n omstandigheid. Hij excelleert in de losgeslagen gekte maar heeft moeite met het aannemelijk maken van de oorzaken. Op pagina dertien gaat het plotseling mis als de volstrekt normaal functionerende Robert Laing een lege champagnefles over de balustrade kiepert. ‘Hardop lachend om deze dwaze inval keek hij omhoog’, staat er dan en vervolgens dendert het verhaal richting de wanorde die de schrijver zo snel mogelijk lijkt te willen bereiken.

Het ontbreken van een psychologische opmaat naar deze extreme situatie is een gemis aan kracht in een verder goed geschreven roman. Ballard laat de bevolking van het gebouw te snel afzakken naar volledige krankzinnigheid, terwijl de lezer hem probeert bij te houden, maar blijft denken: hoe heeft het zover kunnen komen? De insteek van dit verhaal is duidelijk: wij mensen zijn uiteindelijk de diersoort die alle vormen van beschaving van zich afwerpt als de directe leefomgeving wordt bedreigd door een overheersende klasse. In de ‘krachtcentrale van wrok’ leidt dat tot een vorm van guerilla-oorlog die begint met pesterijtjes en verborgen afgunst en eindigt in moordpartijen en mensonterende omstandigheden.

Psychopathologie

Het doel van de schrijver, de beschrijving van de ondergang van een compacte menselijke samenleving, is al binnen enkele pagina’s bereikt door het vermengen van de normaliteit met een flinke dosis absurdisme. Het perspectief verschuift naar de totale ontluistering, of zoals Ballard het schrijft: ‘de torenflat als het model om de uitdrukking van een werkelijk ‘vrije’ psychopathologie mogelijk te maken (…) een domein waarin de meest abnormale impulsen de vrijheid krijgen om zich naar believen te uiten’.

Hij maakt er een bizarre geschiedenis van, die natuurlijk door de ogen van de tijd gezien moet worden, en leeft zich uit in verbeeldingen die zich gemakkelijk laten vertalen in fantasy-achtige sferen. High-Rise lijkt vooral te zijn geschreven om abnormale impulsen de vrijheid te geven zich op papier te manifesteren. Een boeiend en leesbaar experiment, waarbij de nodige verfijning nog ontbreekt.

Reageer op dit artikel

Borg McEnroe
Film / Films

Stoïcijns ijskonijn vs. ontvlambaar enfant terrible

recensie: Borg McEnroe
Borg McEnroe

Wimbledon 1980. Björn Borg heerst al jaren op de internationale tennisbanen. De Zweed heeft het Engelse tennistoernooi viermaal op een rij gewonnen en gaat voor zijn vijfde titel. Het jonge Amerikaanse talent John McEnroe wil de hegemonie van de nummer een van de wereld doorbreken. Borg is een sympathieke en vriendelijke sportman. McEnroe ontploft tijdens elke wedstrijd wel een keer. Hij scheldt, tiert en raast om beslissingen van de scheidsrechter. Het publiek van de wedstrijden wenst soms heimelijk een scheldkanonnade van de Amerikaan mee te maken. De organisatoren in Engeland hopen op een duel tussen de stoïcijnse Borg en de licht ontvlambare McEnroe. De finale in 1980 van het grootste tennistoernooi ter wereld zou de geschiedenis ingaan als dé wedstrijd van de eeuw.

Regisseur Janus Metz is vooral bekend geworden door het maken van documentaires. Daarnaast heeft hij een episode van de Amerikaanse televisieserie True Detective op zijn naam. De bemoeienis van de Zweedse regisseur is in eerste instantie gericht op het maken van een documentaire over de beroemde tenniswedstrijd. Tot zijn eigen verbazing wordt de weinig ervaren filmmaker naar voren geschoven om de film Borg McEnroe te schieten.

In Zweden is er al er snel een kandidaat voor de rol van Borg. Sverrir Gudnason heeft niet alleen het uiterlijk van het tenniskanon Borg, hij speelt ook een behoorlijk potje tennis. Voor de rol van McEnroe wil Metz de bekende acteur Shia Labeouf. Er wordt een script verstuurd en na lang wachten is er plots een positief antwoord. Labeouf laat weten rechtshandig te zijn en vraagt de regisseur of dat een probleem is. Een van de wapens van McEnroe was het feit dat hij linkshandig speelde.

Chagrijn

Labeouf staat bekend als acteur die zich voor 100% en meer inleeft in zijn rol. In Fury, de oorlogsfilm met Brad Pitt douchte hij zich niet, omdat de soldaten aan het front dat ook niet deden. Het feit dat hij na enkele weken een uur in de wind stonk interesseerde hem niet. Labeouf staat ook bekend om zijn soms wat chagrijnig gedrag op de filmset. Redenen genoeg om de acteur in de schoenen van McEnroe te willen zien acteren.

De wedstrijd tussen beide kemphanen is legendarisch. Op YouTube is het bloedstollende verloop klap voor klap te volgen. Borg tennist met de ijzersterke en keiharde dubbele backhand, McEnroe toont zijn fluwelen techniek en streelt de ballen bijna. Het duel ontspoort ook verbaal niet. De twee tennissers respecteren elkaar en accepteren de beslissingen van de scheidsrechter. De onderhuidse spanning spat van het scherm en is bijna voelbaar, maar leidt niet tot uitbarstingen.

Titel

De strijd gaat gelijk op. Er is in twee gevallen een tiebreak nodig om de set te beslissen. Uiteindelijk wint Borg zijn vijfde titel op rij. Luttele weken na het toernooi kondigt hij zijn afscheid aan. In Borg McEnroe wil de finale niet spannend worden. Er is in de aanloop naar de wedstrijd veel aandacht voor de psychologische aspecten van de topsport. Borg denkt veel na over zijn jeugd en de weg naar de top, McEnroe mist bij het reizen het gezelschap van zijn ouders en is communicatief zo onhandig dat elk telefonisch contact op ruzie uitloopt. De twee beste tennissers van de wereld zijn sociaal beperkte mensen.

Nagelbijtend

De film sleept zich door de finale. Het scorebord is spannender dan de rally’s die worden gespeeld. Met een minimum aan zweetdruppels en een maximum aan gepijnigde blikken spelen de acteurs zich naar het bekende einde. Op het groene gras van Wimbledon was de match Borg tegen McEnroe nagelbijtend spannend, op het witte doek van de bioscoop is de strijd slaapverwekkend.

Leuk detail is de rol van Leo Borg. Er werd gezocht naar een jonge tennisser, die ook acteren kon. De zoon van Borg schreef een brief na de oproep van Janus Metz. De jonge Borg kreeg na veel aarzelingen van de regisseur de rol. Vader Björn kwam zelfs een keer kijken bij de opnames. Zoals van de stoïcijnse ex-topsporter mocht worden verwacht, hield hij zich afzijdig.

De inmiddels 60 jarige Zweedse winnaar heeft laten weten de film zeer te waarderen. Van de Amerikaanse verliezer is nog geen reactie bekend.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

“Die dwaas met zijn vijf vrouwen”

recensie: Anton Heyboer – Het goede moment

De titel van deze recensie geeft aan hoe Heyboer (1924-2005) door het grote publiek werd gezien. De man die aan de lopende band schetsen produceerde van zijn handelsmerk: de kip. Het Gemeentemuseum Den Haag wil met zijn tentoonstelling een ‘andere’ Heyboer laten zien. De man die in de jaren zestig en zeventig internationaal doorbrak. Een man die de normen en waarden van de maatschappij verwierp en een eigen werkelijkheid creëerde.

 

Anton Heyboer, Christus-paradijs, 1979, gelatinezilverdruk met rode (lak)verf, 40 x 30 cm, Gemeentemuseum Den Haag.

De tentoonstelling is ruim opgezet en laat de veelzijdigheid van de kunst van Heyboer zien: etsen schilderijen en foto’s. Het werk begrijpen is een ander verhaal. Veel van zijn etsen tonen primitieve vormen, lijnen, teksten en getallen; zijn foto’s rode verf. Om zijn werk enigszins te doorgronden zal men toch over enige achtergrondinformatie moeten beschikken.

Het begin

Heyboer werd in 1924 geboren in Indonesië (Pulau Weh, Sabang). Vlak na zijn geboorte verhuisde het gezin achtereenvolgend naar Haarlem, Delft, Voorburg, Curaçao en New York.
Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog keerde het gezin echter weer terug naar Haarlem. In 1943 werd hij door de Duitsers werd opgepakt om dwangarbeid in Berlijn te verrichten. Hij ontsnapte en vluchtte getraumatiseerd terug naar Nederland.
In 1951 liet hij zich vanwege zijn oorlogstrauma vrijwillig opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis in Santpoort. Hij verbleef daar vier maanden. De diagnose die door de artsen werd gesteld was: krankzinnigheid met een Christus-complex.

Anton Heyboer, Het goede moment, 1963, ets, Galerie Magnus P. Gerdsen, Hamburg

Internationaal bekend

In 1954 schreef Heyboer zich in Haarlem in als kunstenaar, waardoor hij afhankelijk werd van de contraprestatie. In datzelfde jaar begon hij aan zijn boek Het systeem van Anton Heyboer. In 1957 maakte Heyboer zijn debuut in de toonaangevende Galerie Espace in Haarlem. Daar kocht het Stedelijk Museum Amsterdam direct zesentwintig etsen en kondigde tevens een tentoonstelling aan (1958). In de jaren die daarop volgden verwierf hij internationale bekendheid. In 1964 werd het grootste werk dat hij ooit maakte Het goede moment (1963) getoond op de Documenta III in Kassel (Duitsland). Dit werk bestaat uit zevenentwintig etsbladen met een afmeting van drie bij vijf meter. De afbeeldingen lijken tekens aan de wand; een soort hiërogliefen.

Het systeem

Het systeem van Heyboer bestaat uit hoek- en kruispunten, aangeduid met cijfers. De cijfers staan voor elementaire begrippen, zoals: het wezen, de vader, de moeder, et cetera. Bovendien is zijn werk doordrenkt van christelijke symboliek: God, Maria, Christus, Adam en Eva, schuld, geweten en het kruis. Misschien zag hij zichzelf wel als een soort Christus, gezien de foto Anton Heyboer, Christus -paradijs (1979). In 1976 heeft Hans Locher, de toenmalige hoofdconservator van het Gemeentemuseum,  het systeem van Heyboer proberen te duiden.

Anton Heyboer, Mijn leven verantwoord, 1960, inkt op papier, 50 x 76 cm, Anton Heyboer Stichting

Commune

In 1960 kwam Heyboer Maria tegen. Zij bracht structuur in het leven van Heyboer. In 1961 verhuisden zij van Amsterdam naar Den Ilp (dorp in de provincie Noord-Holland). Respectievelijk kwamen Lotti (1965), Mariken (1974), Joke (1975) en Petra (1982) bij Heyboer wonen. Zijn commune-achtige samenlevingsvorm was voor hem een verzet tegen de samenleving en de kleinburgerlijkheid. Zijn ouderlijk huis vergeleek hij, net als de maatschappij en het werkkamp, met een concentratiekamp (te weinig creatief). Heyboer en zijn vrouwen wilden als spelende kinderen zijn met, welteverstaan, Heyboer als regisseur. Bij Heyboer staat zijn eigen lijden centraal. De kunst was zijn redding. Zijn onderwerp was datgene dat niet onder woorden kon worden gebracht.

Anton Heyboer, Zonder titel, 1975, olieverf en lakverf doek, 200 x 150 cm, collectie Meeuwissen, Oirschot

Nieuwe weg

In 1984 brak hij met Galerie Espace en ging zijn eigen werk verkopen. Het was zijn verzet tegen de gevestigde kunstorde. In 1974 stopte Heyboer met etsen en legde zich verder toe op het schilderen. Hij wilde weer helemaal opnieuw beginnen met iets wat hij niet kon. Om zijn succes te ondermijnen schilderde hij zijn schilderijen over met roze verf.  In 1973 begon hij ook te fotograferen. Heyboer fotografeerde niet om kunst te maken; hij zei: ‘Mijn leven is kunst en ik maak geen kunst’.

De tentoonstelling strookt niet met het beeld dat veel mensen van Heyboer hebben: een clown als parodie op de kunstenaar. Hoewel de uitgebreide expositie dit beeld zeker doorbreekt, blijft zijn werk moeilijk te bevatten.

Reageer op dit artikel