Berichten

Theater / Voorstelling

Het beest is terug!

recensie: De Nationale Opera – A Dog’s Heart

Het komt niet vaak voor dat een opera nog echt ranzig en baldadig is. A Dog’s Heart is dat gelukkig wel, en ook nog eens op zo’n creatieve en energieke manier dat je tegelijkertijd gruwelt en geniet.

In 2010 ging de vers geschreven opera A Dog’s Heart van de Russische componist Alexander Raskatov in première bij De Nationale Opera. Het stuk verblufte door muziek en regie, maar de grote publiekstrekker was een hondenpop, een mormel dat beeldschoon is in zijn lelijkheid. Zeven jaar later – omgerekend één hondenjaar, zo wil de vuistregel – is het dier terug in Amsterdam.

Moderne scheppingsmythe of mislukt experiment

Het verhaal, naar de in 1925 geschreven en kort daarna verboden novelle Een Hondenhart van Michail Boelgakov, is op zijn zachts gezegd ongebruikelijk. De arrogante professor Filipp Filippovitsj (Sergei Leiferkus) transplanteert de testikels en de hypofyse van een mens in het lichaam van de straathond Sjarik (met de stemmen van Elena Vassilieva en Andrew Watts). Hierop verandert het beestje in de mens Sjarikov (Peter Hoare), althans fysiek. Mentaal is deze nieuwe mens een zedeloos monster dat zich volledig laat leiden door zijn instincten. Terwijl Sjarikov rookt, vloekt en katten onteert, zit de professor in over wat hij met zijn misbaksel moet beginnen.

Zelfs voor opera, een genre waarin veel mogelijk is, is het verhaal opvallend grotesk. Boelgakov drijft duidelijk de spot met het grote Sovjetexperiment: de poging om een nieuwe maatschappij te creëren waarin de burger onbaatzuchtig werkt voor het grotere goed. Maar ook nu, een kleine honderd jaar later, is het verhaal een spitsvondige steek naar de hypocriete machthebber die de kleine mens wil veranderen, maar zijn eigen tekortkomingen niet kan of wil zien. Zoals een archaïsch spreekwoord zegt: de ene hond verwijt de andere dat hij vlooien heeft.

Hondenblues

Componist Raskatov vraagt het uiterste van zijn muzikanten. Sommigen zingen louter in de allerhoogste regionen, voor anderen bestaat de partij uit razendsnelle toonladders en gebroken akkoorden. Hoewel iedere zanger zich met verve van zijn taak kwijt, is de jubelrol weggelegd voor het duo dat de stemmen van de hond op zich neemt. Watts vertolkt de empathische kant van de hond met zijn breekbare contratenor. Daartegenover staat Elena Vassilieva, die gromt en huilt door de megafoon en daarbij in de verte aan Tom Waits doet denken. Ondanks het feit dat de fenomenale poppenspelers altijd te zien zijn, wordt de hond op deze manier levensecht en zelfs menselijker dan de andere personages.

Het decor is minimaal – een truttig bolletjesbehang – maar door een minutieuze choreografie van personen en rekwisieten weet regisseur Simon McBurney constant te verrassen. Het toneelbeeld doet afwisselend denken aan socialistisch-realistische agitprop, klassieke griezelfilms (Frankenstein ligt natuurlijk op de loer) en spionagefilms uit de Koude Oorlog.

Elk element in deze opera is een kunstwerk op zich, maar de synergie en de perfecte balans tussen humor en horror maken A Dog’s Heart een 21ste-eeuwse operaklassieker.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Het beest is terug!

recensie: De Nationale Opera – A Dog’s Heart

Het komt niet vaak voor dat een opera nog echt ranzig en baldadig is. A Dog’s Heart is dat gelukkig wel, en ook nog eens op zo’n creatieve en energieke manier dat je tegelijkertijd gruwelt en geniet.

In 2010 ging de vers geschreven opera A Dog’s Heart van de Russische componist Alexander Raskatov in première bij De Nationale Opera. Het stuk verblufte door muziek en regie, maar de grote publiekstrekker was een hondenpop, een mormel dat beeldschoon is in zijn lelijkheid. Zeven jaar later – omgerekend één hondenjaar, zo wil de vuistregel – is het dier terug in Amsterdam.

Moderne scheppingsmythe of mislukt experiment

Het verhaal, naar de in 1925 geschreven en kort daarna verboden novelle Een Hondenhart van Michail Boelgakov, is op zijn zachts gezegd ongebruikelijk. De arrogante professor Filipp Filippovitsj (Sergei Leiferkus) transplanteert de testikels en de hypofyse van een mens in het lichaam van de straathond Sjarik (met de stemmen van Elena Vassilieva en Andrew Watts). Hierop verandert het beestje in de mens Sjarikov (Peter Hoare), althans fysiek. Mentaal is deze nieuwe mens een zedeloos monster dat zich volledig laat leiden door zijn instincten. Terwijl Sjarikov rookt, vloekt en katten onteert, zit de professor in over wat hij met zijn misbaksel moet beginnen.

Zelfs voor opera, een genre waarin veel mogelijk is, is het verhaal opvallend grotesk. Boelgakov drijft duidelijk de spot met het grote Sovjetexperiment: de poging om een nieuwe maatschappij te creëren waarin de burger onbaatzuchtig werkt voor het grotere goed. Maar ook nu, een kleine honderd jaar later, is het verhaal een spitsvondige steek naar de hypocriete machthebber die de kleine mens wil veranderen, maar zijn eigen tekortkomingen niet kan of wil zien. Zoals een archaïsch spreekwoord zegt: de ene hond verwijt de andere dat hij vlooien heeft.

Hondenblues

Componist Raskatov vraagt het uiterste van zijn muzikanten. Sommigen zingen louter in de allerhoogste regionen, voor anderen bestaat de partij uit razendsnelle toonladders en gebroken akkoorden. Hoewel iedere zanger zich met verve van zijn taak kwijt, is de jubelrol weggelegd voor het duo dat de stemmen van de hond op zich neemt. Watts vertolkt de empathische kant van de hond met zijn breekbare contratenor. Daartegenover staat Elena Vassilieva, die gromt en huilt door de megafoon en daarbij in de verte aan Tom Waits doet denken. Ondanks het feit dat de fenomenale poppenspelers altijd te zien zijn, wordt de hond op deze manier levensecht en zelfs menselijker dan de andere personages.

Het decor is minimaal – een truttig bolletjesbehang – maar door een minutieuze choreografie van personen en rekwisieten weet regisseur Simon McBurney constant te verrassen. Het toneelbeeld doet afwisselend denken aan socialistisch-realistische agitprop, klassieke griezelfilms (Frankenstein ligt natuurlijk op de loer) en spionagefilms uit de Koude Oorlog.

Elk element in deze opera is een kunstwerk op zich, maar de synergie en de perfecte balans tussen humor en horror maken A Dog’s Heart een 21ste-eeuwse operaklassieker.

Reageer op dit artikel

Muziek / Concert

Knappe releaseshow

recensie: Sue the Night@Tolhuistuin

Wanderlust is het nieuwe album van Sue The Night. Vanavond vindt de release ervan plaats in de Tolhuistuin te Amsterdam. Het podium staat volgebouwd met verschillende instrumenten, en de verwachtingen zijn hooggespannen.

Waar Sue The Night tegenwoordig de hele groep representeert, stond de naam vroeger alleen voor singer-songwriter Suus de Groot. Sinds zij met een band optreedt gaat het hard. Inmiddels is Sue The Night al een tijdje geen onbekende naam meer in Nederland. Het succes van nu is mede dankzij De Wereld Draait Door die haar tot huisband vernoemde.

Dansbaar duo

Tussen alle instrumenten op de bühne past nog net de apparatuur van Nosoyo. Dit duo bestaat uit een frontvrouw, die met haar stemgebruik geïnspireerd lijkt door Florence Welch van Florence and the Machine, en een drummer, die alle geluiden op haast magische wijze uit zijn vingers tovert. Door deze samenstelling mist het geluid van de act weliswaar de gelaagdheid van een volledige band, maar de nummers zijn dansbaar, en de uitvoering professioneel. Nosoyo zet een vlotte en strakke set neer van zeven nummers en warmt hiermee de toeschouwers goed op.

In duistere sfeer komen na een korte pauze de zes leden van Sue The Night op. Het optreden duurt slechts een uur, maar zit heel goed in elkaar. Zowel oude nummers als tracks van het nieuwe album worden gespeeld. De kracht van de band zit ‘m vanavond vooral in de variatie die ze laten zien. Waar het openingsnummer donker is, klinkt het volgende nummer juist weer licht en vrolijk. De set bevat nummers die gedomineerd worden door synths, afgewisseld met overwegend akoestische liedjes. Allemaal hebben ze één ding gemeen, en dat is het kenmerkende geluid van Sue The Night: indiepop met een wat klassieke sound, dat vaak wordt vergeleken met bijvoorbeeld Fleetwood Mac.

Slim optreden

Dat Sue The Night vroeger solo optrad is nog te zien. In de eerste plaats is ze een prima zangeres, met een heldere stem waarmee ze alle kanten op kan. Halverwege de set doet ze een nummer alleen, en met afwisselend en krachtige zang veroorzaakt ze kippenvel bij menig luisteraar. Maar daarnaast neemt ze de rol van de charmante frontvrouw perfect op zich. Met soepele heupen en bijna constant een lach op haar gezicht neemt ze het publiek mee in haar teksten. Een goede frontvrouw kan echter alleen bestaan met een minstens zo goede band achter zich, en ook dat zit vanavond goed. De band speelt strak en is goed op elkaar ingespeeld. Ook de samenzang is prachtig en de stemmen van de twee andere zangeressen passen er perfect bij.

De keerzijde van dit alles is dat het optreden bijna te braaf is. Het is knap, strak en zuiver, maar nergens springen ze echt uit de band. Pas tijdens het laatste nummer van de toegift is er iets meer vrijheid en ruimte voor creativiteit en met een lang uitgerekt muzikaal stuk wordt het optreden afgesloten. Het mag allemaal net iets losser, maar buiten dat is succesformule Sue The Night een act waar Nederland hopelijk nog lang van mag genieten.

Reageer op dit artikel

Muziek / Concert

The Simon & Garfunkel Story @ Theater aan de Parade

recensie: Onderhoudend eerbetoon

Het Theater aan de Parade ligt op een steenworp afstand van de Sint Jan in het centrum van ‘s-Hertogenbosch. Op de zonnige avond van deze vroege zomerse aprildag zit de grote zaal tot de nok toe gevuld met liefhebbers van de muziek van Simon & Garfunkel.

De muziek van dit duo trekt zelfs op het allerlaatst nog fans naar de zaal, ondanks het fraaie weer. Bij binnenkomst horen we van bezoekers dat ze nog op het laatste moment kaarten hebben gekocht om toch maar bij de show aanwezig te zijn.

Geen platgetreden paden

De band start de show met de vertolking van de eerste hit van Simon & Garfunkel: ‘The Sound of Silence’. Gevoelig geopend met de akoestische gitaar en eindigend in de folkrock, zoals we het nummer in de hit-uitvoering kennen.

Al snel is duidelijk dat het duo, dat de rollen van de hoofdpersonen vertolkt, wordt bijgestaan door een zeer vakkundige en energieke band, bestaande uit een bassist, drummer en toetsenist/gitarist. Met zijn vijven zetten ze regelmatig de volle zaal in vuur en vlam met de hits van Simon & Garfunkel. Toch weten de twee ook minder bekende liedjes, als ‘Patterns’ voor het voetlicht te brengen. Ze betreden daarmee niet alleen de meest platgetreden paden van de grootste successen. Al zijn er in het oeuvre van Simon & Garfunkel eigenlijk geen liedjes te bedenken die we te vaak gehoord zouden kunnen hebben. Geen enkel nummer verveelt, dus platgetreden paden komen we daardoor eigenlijk niet tegen.

De kers op de taart

In de tweede helft van de show ligt de nadruk op de laatste twee studioalbums die het duo maakte. Bookends en natuurlijk het megasuccesalbum Bridge Over Troubled Water. Dat laatste album was zowel in 1969, 1970 en 1971 het meest verkochte album van het jaar! Een prestatie van formaat die nog maar zelden eerder vertoond was.

De show van The Simon & Garfunkel Story kent niet alleen de vertolking van de liedjes, maar ook het verhaal van het duo wordt verteld. Alles bij elkaar maakt dit de avond tot een onderhoudend eerbetoon. Zo horen we hoe ze elkaar leerden kennen en hoe ze naar het succes toewerkten. Dit werd ondersteund met een diashow en filmbeelden op de achtergrond. Soms aangevuld met voice-overs en geluidsfragmenten uit het nieuwsarchief of het concertregistratiearchief van het duo.

Is er dan niets op de show aan te merken? Natuurlijk wel, want als je zit te wachten op dat ene persoonlijk favoriete liedje van Simon & Garfunkel, dan kan het gebeuren dat de tijd gewoonweg te kort is om het hele liedjesarchief te spelen. Zo zat ik persoonlijk te wachten op de uitvoering van de laatste hit samen na het scheiden van de artistieke wegen: ‘My Little Town’. Dat kwam dus niet langs. Is dat erg? Nee, natuurlijk niet; het maakt de show niet minder. Maar het had het persoonlijk wel helemaal af gemaakt.

Reageer op dit artikel

Annie Proulx - recensie Andre van Dijk
Boeken / Fictie

Over hakken en spaanders

recensie: Annie Proulx - Schorshuiden
Annie Proulx - recensie Andre van Dijk

De nieuwe, vuistdikke roman Schorshuiden van Annie Proulx heeft alles met bomen van doen. Niet alleen door het enorme aantal pagina’s, maar ook omdat de inhoud voornamelijk over bomen gaat. Omgehakte bomen als leidend thema, vanaf de 17e eeuw tot nu, in een fascinerende kroniek.

Proulx legt haar vinger opnieuw op een zere plek wat betreft onze omgang met Moeder Aarde. De veronachtzaming van het milieu is hoofd- of bijzaak in al haar romans en de hedendaagse klimaatverandering blijkt een oorsprong te hebben in de geschiedenis van het Noord-Amerikaanse boslandschap. Dat gegeven wordt door de schrijfster aangepakt door in Schorshuiden twee Franse gelukzoekers in 1693 naar Nieuw Frankrijk te laten emigreren. In dat gebied – het tegenwoordige Canada – worden ze als lijfeigenen ingezet om in dienst van een grondbezitter het grenzeloze woud te temmen. Met de bijl in de aanslag moet de naar hout snakkende rest van de wereld gevoed worden.

Door God gegeven land

De twee houthakkers staan beiden aan de basis van een stamboom die eeuwen beslaat en door Annie Proulx afwisselend en enerverend wordt beschreven. René Sel trouwt met een indiaanse Mi’kmaq-vrouw, zijn nageslacht kenmerkt zich door noeste arbeid en de strijd om het voortbestaan van de oorspronkelijke bevolking van Nieuw Frankrijk. Zijn tegenpool Charles Duquet ontpopt zich als nietsontziende ondernemer in de houtproductie. Met een handelsgeest die hem van de Canadese bossen, via een Nederlandse verbintenis, zelfs naar China en Nieuw Zeeland voert. Het levenspad van deze zielen is het startpunt van een langlopende familiekroniek.

Proulx houdt van de natuur, veel meer dan van mensen, en probeert aan de hand daarvan de menselijke invloed in perspectief te zetten. Met de kennis van nu is met het kappen van de Noord-Amerikaanse bossen een catastrofale ontwikkeling in gang gezet, maar in de 17e eeuw zag men dat anders: er was nieuw land, met oneindige wouden en hout was ’s werelds grondstof nummer één. De omvang en ambitie waarmee de exploitatie plaatsvond is ongekend, niet in de laatste plaats omdat de Europese kolonisten het als een bijbelse taak zagen het onherbergzame land te cultiveren. Door God gegeven land dient agrarisch bewerkt te worden – tot nut van de mensheid – dus weg met die bomen. De inheemse bevolking werd verjaagd, uitgeroeid of onder invloed van alcohol als goedkope arbeidskracht ingezet.

‘Het grootste pijnpunt is dat ze weigeren in te zien dat het land toebehoort aan de man die het bewerkt. Het enige wat ze doen is jagen, een bezigheid voor leeglopers.’

Doodgaan is geen drama

‘Ik ben meer een lezer dan een schrijver’, zegt Annie Proulx in een VPRO-interview met wijlen Wim Brands. Waarmee ze wil zeggen dat de jarenlange research, het vlooien in de meest uiteenlopende bibliotheken, voor haar de grootste uitdaging vormt en het uiteindelijke boek het sluitstuk is. Schorshuiden staat boordevol gedetailleerde kennis die op de voor Proulx-fans bekende wijze prachtig wordt vermengd met de menselijke factor in het grote geheel. Een ruime vogelvlucht, waarin vele decennia over een handvol bladzijden zijn uitgestrooid, wordt afgewisseld met de simpele uiteenzetting hoe een stoomlier door onoplettendheid een houthakkersvoet van een onderbeen scheidt.

Dat doodgaan in deze roman geen drama is, is vanaf het begin duidelijk: hoofdpersoon René Sel wordt in het eerste deel al gescalpeerd en wordt zo de ongelukkige wegbereider voor zijn uitwaaierende nageslacht. De eeuwen die Schorshuiden bestrijkt hebben ervoor gezorgd dat Proulx, ondanks de achthonderd pagina’s, een flink tempo moest aanhouden in het opvoeren en laten wegvallen van haar personages. Dat maakt de lezer na driekwart van het boek enigszins blasé, maar doet niets af aan de indringende leeservaring die deze bijzondere roman teweegbrengt.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Van Hove’s Spel der Tronen

recensie: Toneelgroep Amsterdam - Kings of War

Ongeveer twee jaar geleden begon Ivo van Hove aan een bizarre onderneming: van drie Shakespeare-stukken een 4,5 uur durende voorstelling maken; 14 acteurs, 35 verschillende rollen en dat alles in drie maanden repetitietijd. Ik was aanwezig bij zo’n repetitie in een grote loods in Amsterdam-West. Die loods was doordrenkt van het soort focus en spanning waar je spontaan een burn-out van zou krijgen

Inmiddels is Kings of War twee succesvolle jaren later begonnen aan de herneming. Van Hove vermaakte Henry V, Henry VI en Richard III vakkundig tot één chronologisch verhaal. We starten in de vijftiende eeuw, maar verwacht niets oubolligs. Lijken liggen op herkenbare ziekenhuistrolleys, zwaarden zijn vervangen door dodelijke injecties en oorlogsspeeches worden live in de camera gehouden.

Waar Henry V (Ramsey Nasr) bij aanvang nog kinderlijk met de kroon speelt, ontpopt hij zich al gauw tot een waanzinnig leider midden in de strijd met Frankrijk. De speech van Nasr vlak voor het gevecht schalt door de zaal. Terwijl de drums een mars slaan, bezorgt zijn stem mij kippenvel. Op animaties zien we hoe het Engelse leger het Franse, dat zes keer zo groot is, op onwaarschijnlijke wijze verslaat. Des te frustrerender om even later te zien dat zijn zoon Henry VI (Eelco Smits) het gewonnen grondgebied voor haast niets teruggeeft. Door de verschillende Shakespearetragedies achter elkaar te plaatsen, creëert Van Hove in korte tijd een historisch besef van een wereld die zo ver van ons af staat.

Ondanks de vele dubbelrollen en het duizelingwekkende aantal personages – zoals we gewend zijn van Shakespeare (en dan nog keer drie) – blijft zelfs zonder programmaboekje de rolverdeling overzichtelijk. Bij iedere kroning wordt deze gemakkelijk visueel gemaakt door de rolverdeling op het scherm te tonen. Het is een feest om te zien hoe de acteurs transformeren in hun dubbelrollen. Met name Aus Greidanus jr. verandert compleet van de opvliegende Gloucester in een geniepige Buckingham.

Het is duidelijk; dit is de elite van het Nederlandse acteursgilde. Met ernst speelt eenieder zijn vele rollen. Haast als een schaakspel met vaste zetten bewegen de acteurs over het toneel. Ze kijken op precies de juiste momenten in of langs de camera en je gaat haast hopen op een misser; het is soms wel erg gelikt. Het is dan ook een verademing als na het serieuze machtsspel in de eerste helft, het publiek mag grinniken bij het geklungel van Henry V tegenover een beeldschone vrouw. We mogen de imperfectie even omarmen.

 

Door de lens

In Van Hove’s strakke regie zijn film en theater vervlochten. Naast het ruime toneel is er een complex van gangen rondom en achter het toneel dat het publiek vanaf de zaal niet direct kan zien. In deze gangen wordt live gefilmd en deze beelden worden op een scherm getoond. De achterkamertjespolitiek en intriges vinden niet op het grote toneel plaats, maar in de coulissen. Dat is waar de plannen worden gesmeed en waar de lijken worden geborgen.

Niet alleen de achterkant van het toneel komt in beeld, ook het voortoneel wordt met behulp van camera’s flink uitvergroot. Zo zitten we door de camera’s als publiek opeens dicht op de huid van de acteurs, maar gek genoeg creëert dit juist een afstand. Uiteraard zijn de acteurs fantastisch en door de lens van de camera raak ik daar meer van overtuigd. Toch merk ik dat het me begint te storen dat ik de helft van de tijd naar een scherm zit te kijken.

Door af en toe het beeld te manipuleren, houdt Van Hove zijn publiek voor de gek.  De lijken zijn akelig realistisch en we maken sprongen in de tijd. Soms worden film en theater één, terwijl het Franse leger zich in een roes van alcohol verzuipt, knielt op de voorgrond een biddende Henry V.

 

Overdonderend eind

Na de pauze klinkt loungemuziek, de bloemen bloeien en de taart is aangesneden. Het is even vrede, maar niet voor lang, want Richard de Derde (Hans Kesting) betreedt het toneel. Door de zaal voel ik een hernieuwde energie binnenstromen, ik zit op het puntje van mijn stoel. Niet vreemd dat Kesting de Louis d’Or gewonnen heeft voor deze rol. In elke vezel van het lichaam is Kesting Richard de Derde. Terwijl hij zijn plannen niet in de hal smeedt maar en plein public merk ik dat ik hem ook geloof wanneer hij ze al veinzend uitvoert.

In het laatste deel gaat de camera voorbij aan de vorm. Terwijl Richard in de camera “Koning Richard” roept, wordt zijn projectie als een optische illusie gedubbeld in een Droste-effect. Ook Richard richt zich niet rechtstreeks tot het publiek maar tot zijn spiegelbeeld, want ondanks zijn wijnvlek blijft hij een ijdele man. Vanuit de hermetisch gesloten bunker maakt Kings of War een sprong naar het heden. Richard belt met Trump, Poetin en Merkel.

In Kings of War wordt het publiek, net zo vakkundig genegeerd als de machthebbers hun volk negeren: er wordt enkel gecommuniceerd via de camera. We zien koninkrijken vallen en opstaan met degene die ze bestuurt. Maar dan vlak na zijn “democratische verkiezing” richt Richard zich eindelijk rechtstreeks tot het publiek; “De verantwoordelijkheid ligt bij u.” Om vervolgens zijn koninkrijk definitief ten gronde te richten. Zo blijft zo’n 400 jaar later, Shakespeare verassend actueel.

Reageer op dit artikel

Muziek / Album / Concert

Uiterst aangename tweede

recensie: Aidan's Well @ Grandcafé Meneer Frits

In het Grandcafé Meneer Frits bij Muziekgebouw Eindhoven hield Aidan’s Well op de avond van 20 maart jl. het tweede album ten doop. Samen met zijn uitstekende band vertolkte bandleider Frank Veenstra liedjes van zijn nieuwe album Unfold, aangevuld met enkele composities van zijn eerdere werk.

In het dagelijks leven is Frank Veenstra de cultureel verantwoordelijke van het Muziekgebouw Eindhoven. Zijn band Aidan’s Well debuteerde in 2013 met het naar henzelf genoemde debuut, dat ten onrechte erg onbekend bleef. Hopelijk verandert dit met het nieuwe album, want het verdient het om gehoord te worden.

Warm gevoel

Veenstra neemt de leadzang, de akoestische gitaar en in een enkel nummer zelfs de toetsen voor zijn rekening. Daarnaast horen we Paul Gerritsen op de Gibson elektrische gitaar. Ruben de Wilde neemt de akoestische en elektrische basgitaar voor zijn rekening naast de backing vocals. Hein-Jan van der Veen drumt en Jurriaan Westerveld speelt een aantal liedjes mee op de cello. In deze bezetting spelen ze ook live in het Grandcafé, terwijl we op het album ook nog trompet horen, gespeeld door Jan Wessels in het nummer ‘Don’t Say You Will’.

Het album opent met ‘Sun and Rain’, waar we ook Westerveld op de cello horen spelen. Het is de compositie waar het concert van de albumpresentatie mee eindigt. Een mooie link tussen de live vertolking en de beleving van het luisteren naar de cd daarna.

Met ‘Sun and Rain’ kiest Veenstra voor een prachtig gevoelig lied met een warme begeleiding en voor een rustig begin van zijn nieuwste album. De stem van Veenstra lijkt nog steeds veel op die van Christopher Cross, zoals ik bij zijn debuut al aangaf. De muziek van Aidan’s Well is echter op een veel alternatievere leest geschoeid dan die van Cross. Met dit openingsnummer roept de band wel een heel warm gevoel op en het liedje nestelt zich lekker in je hoofd.

Fraaie melodieën

Op het album Unfold ligt het tempo afwisselend hoog en weet Aidan’s Well een fraaie melodie te koppelen aan een snelheid, waarmee sommige liedjes radio-geschikt zijn. Dat is natuurlijk belangrijk om kans te maken opgepikt te worden. Wie met een ballad wil scoren moet van heel goeden huize komen en veel geluk hebben. Dat van goeden huize komen zit bij deze band wel snor, maar de geluksfactor is wat moeilijker af te dwingen.

De iets veranderde koers van Aidan’s Well is geen aardverschuiving, maar meer een evolutie. Wie al van de band hield bij het debuut zal zich ook met Unfold comfortabel voelen. Veenstra en de zijnen schuiven iets op richting een mogelijke hit-gevoeligheid, die hen overigens van harte gegund is. Live weet de band dat ook kracht bij te zetten door af en toe steviger uit de startblokken te komen dan bij het vorige optreden. Het klinkt allemaal net wat strakker en vooral zelfverzekerder. Als we dat combineren met het vakmanschap en het spelplezier, dat zowel van het podium als van het album spettert, dan kunnen we alleen maar heel gelukkig zijn met deze tweede worp van Aidan’s Well. Een plaatje om steeds maar weer opnieuw van te genieten.

Reageer op dit artikel

Escher - Vesuvius
Kunst / Expo binnenland

Escher van dichtbij

recensie: Escher, close up
Escher - Vesuvius

Een doolhof, een mysterie, een mindf*ck, dat zijn de werken van kunstenaar M.C.Escher. Maar daarachter zat ook een man, met hobby’s, een grote liefde en talent voor fotografie. Dat laten Eschers persoonlijke foto’s zien in Escher, close up.

De tentoonstelling Escher, close up geeft met nooit eerder vertoonde foto’s uit Eschers eigen fotoalbums een nieuwe blik op zowel zijn persoon als zijn kunstenaarschap. De Nederlandse kunstenaar Maurits Cornelis Escher (1898-1972), liefkozend ‘Mauk’ genoemd, plaatste zichzelf ergens tussen kunstenaar en wiskundige in. Hij noemde zichzelf een ‘begripsmens’ en minder een ‘gevoelsmens’, iemand die de wereld om hem heen bestudeert en niet zozeer zijn relaties tot andere mensen. Maar Eschers foto’s tonen toch meer van het laatste. We krijgen een lachende Escher te zien, een vader en echtgenoot, een man die geniet van reizen en buiten zijn.

Escher maakte tussen 1921 en 1935 jaarlijks een trektocht in Italië. Vrienden fotografeerden hem op deze reizen en hij maakte zelf foto’s en schetsen van indrukwekkende uitzichten, die hij bijna letterlijk weer in zijn latere prenten zou verwerken. Zijn ‘landscapes’ (de foto’s en schetsen) zijn een voorloper van de latere ‘mindscapes’ waarin hij de werkelijkheid echt naar zijn hand zette.

Van Rome tot Den Haag: foto’s uit het hart

escher

Echtgenote van Maurits Cornelis Escher met uitzicht op Atrani,
mei 1931

Eschers foto’s laten zijn grootste liefde Jetta Umiker zien, de vrouw die hij op een van zijn Italiaanse reizen ontmoette en met wie hij trouwde. Hij bracht haar romantisch in beeld bij een vijver, dromerig aan tafel in hun huiskamer in Rome en bovenop een rots met ongelofelijk uitzicht op een wit, Italiaans dorpje, dat hij later weer verwerkte in een prent.

Deze tentoonstelling is een welkome afwisseling met de grafische werken van Escher, die vooral het hoofd aanspreken. Ook de foto van Escher met zijn net geboren zoon George is ontroerend. Vader kijkt vertederd neer op de baby in zijn armen die aan zijn baard trekt. Met het licht van boven lijkt dit serene tafereel wel een mannelijke versie van de Madonna met kind. De foto van Escher met vrouw en kinderen in Scheveningen op het strand, de pier op de achtergrond, spreekt ook al tot het hart en werkt goed in de Haagse setting van het Eschermuseum.

Escher als fotograaf

escher

Maurits Cornelis Escher met George Arnold Escher
29 december 1926

Fascinerend aan de foto’s die Escher zelf heeft gemaakt is de focus op het lijnenspel en de compositie. Het licht, de schaduw, de bomen, twee zuilen, ze vormen allemaal patronen in Eschers ingekaderde beeld. Zijn vrouw en kinderen portretteerde hij op heel bijzondere wijze. Op een foto uit 1931 staat zoontje George Arnold half in het water. De spiegeling in het water geeft een verdubbeling van het beeld, waardoor een speels beeld van de werkelijkheid ontstaat, zoals ook in latere werken als de Modderplas (1952). Maar steeds rijst dan de vraag waar de mensen zijn gebleven in Eschers uiteindelijke kunstwerken. Blijkbaar zag hij de natuurlijke en wiskundige wetmatigheden eerder als geschikt onderwerp voor kunst, dan de portretten van zijn dierbaren.

Museumwaardig

Eschers blik op de wereld was poëtisch. Hij toonde de schoonheid van de omgeving en van de mensen die hij fotografeerde. Oorspronkelijk waren het kiekjes in zijn fotoalbum, niet bedoeld voor expositie. Maar nu ze zijn uitvergroot en ingelijst, wordt de schoonheid van Eschers foto’s heel duidelijk. Desondanks had het museum wel groter mogen uitpakken. Een duidelijke verhaallijn in de expositie ontbreekt en citaten uit Eschers dagboeken of lezingen zouden meer licht kunnen werpen op zijn persoon. Om Escher ‘close up’ te zien, moet je als bezoeker wel de tijd nemen om zelf in te zoomen. Maar dan komt Escher ook verrassend dichtbij.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Wie niet sterk is, moet slim zijn

recensie: Luc Panhuysen - Oranje tegen de Zonnekoning​

Als herdersjongen versloeg koning David, het favoriete Bijbelpersonage van Willem III, de reus Goliath met een steen. Luc Panhuysen (1962) beschrijft in zijn schitterende boek ​Oranje tegen de Zonnekoning​. ​De strijd van Willem III en Lodewijk XIV om Europa, welk wapen Willem zelf gebruikte: coalitievorming.

Historicus Panhuysen, bekend van zijn klassiekers Rampjaar 1672 (2009) en De Ware Vrijheid (2005), is een rasverteller. Met behulp van omvangrijk bronmateriaal wekt hij de protagonisten op toegankelijke wijze tot leven alsof je er zelf tussen staat. Je voelt bijna de siddering van het Franse publiek tijdens Lodewijks immense vuurwerkshow en je ruikt haast de bezwete paarden wanneer Willem terugkeert van zijn jachtgronden.

Glorie

Tijdens de Fronde van 1649 moest Lodewijk XIV (1638-1715) Parijs ontvluchten. Hij leerde dat een koning nooit in de stad kan wonen, maar alleen daarbuiten machtig en veilig kan zijn. Na zijn kroning in 1654 veranderde Lodewijk in de Zonnekoning, wiens gloire (glorie) afhing van de veiligheid van het koninkrijk én van zijn veroveringen op het slagveld. Voor Lodewijk vormden de Spaanse Nederlanden het perfecte toneel voor de verwerving van glorie en veiligheid.

Ook zijn, tot dan toe onbeduidende tegenstrever Willem III (1649-1702), was door veiligheid geobsedeerd. Willem stelde zich de fortificatie van de Spaanse Nederlanden ten doel. Hoewel Willem na 1672 machtiger was dan alle stadhouders voor hem, kon hij zich nooit aan de diepgewortelde Nederlandse overlegcultuur onttrekken. Toen Amsterdam in 1683 weigerde tegen Frankrijk te vechten haalde de prins bakzeil.

Pragmatisch politicus

Daarin schuilt volgens Panhuysen het grote verschil tussen de beide kemphanen. Terwijl Lodewijk als absoluut vorst telkens zijn zin kon doordrijven, was Willem afhankelijk van (inter)nationale coalities om Frankrijk te kunnen weerstaan. Die coalities legden hem overigens geen windeieren. Door de Haagse Alliantie van 1673 en de Grote Alliantie van 1689, werd de macht van Lodewijk op beslissende momenten ingeperkt.

Na het overlijden van Karel II van Engeland in 1685, kwam zijn kinderloze broer Jacobus op de troon. Als katholiek bevoordeelde Jacobus echter schaamteloos zijn geloofsgenoten, waardoor zijn populariteit in het anglicaanse Engeland rap afnam. Willem begon een openlijke propaganda campagne om samen met zijn Engelse vrouw Mary de troon over te nemen. Panhuysen laat goed zien hoe de pragmatische politicus Willem daarin slaagde.

Historische concessie

Allereerst beloofde hij volledige vrijheid van geweten, ook voor katholieken. Hieruit bleek Willems streven naar een brede machtsbasis, zo stelt Panhuysen. Maar Willem deed nog iets bijzonders. Hij liet het Engelse parlement meedenken over staatszaken, waardoor het medeplichtig werd. Het klapstuk vormde de Triennial Act. De koning was voortaan verplicht om ten minste één keer in de drie jaar het parlement voor minimaal vijftig dagen bijeen te brengen. Door nieuwe belastingwetten kwam het economische potentieel van Engeland tot bloei én nam de slagkracht van het leger toe. De Act of Settlement (protestantse troonopvolging), die nog steeds geldt, en de Bill of Rights zorgden voor een duurzame ontwikkeling van de constitutionele monarchie.

In zijn kenmerkende frivole stijl, beschrijft Panhuysen hoe Frankrijk ondertussen steeds verder in verval raakte. Tussen 1693-1694 stierven twee miljoen mensen van de honger. De verkoop van openbare ambten om zijn legers te financieren werkte averechts. De belastingopbrengsten liepen sterk terug. Na de dood van Willem in 1702, leed Lodewijk op het slagveld een aantal gevoelige nederlagen, waarvan hij God de schuld gaf. Vlak voor zijn dood drukte hij zijn kleinzoon zelfs op het hart ‘in vrede met de buren te leven.’ Een opmerkelijke uitspraak van een man die zichzelf als Zonnekoning ooit als het stralende middelpunt van de wereld waande.

Reageer op dit artikel

Quality Time
Film / Films

Vijf onzekere dertigers voor de prijs van één

recensie: Quality Time
Quality Time

Hoe is het om dertig te zijn? Regisseur Daan Bakker toont in zijn langspeeldebuut met name de minder leuke kanten: onzekerheid, schoonfamilie, ontvoerd worden door aliens. En daar mag de kijker hem enorm dankbaar voor zijn.

Koen heeft een probleem. Elk jaar als Koen naar de familiereünie gaat, schiet oom Ben hem tegemoet. En dat zegt oom Ben: ‘Kijk Koen, melk!’ En dan drinkt Koen melk. Heel veel melk. En dan zegt oom Ben: ‘Kijk Koen, ham!’ En dan eet Koen ham. Heel veel ham. En oom Ben lachen! Ja, het is leuk. Maar eigenlijk zou Koen wel eens iets anders willen eten dan ham, en iets anders willen drinken dan melk. Hoe gaat Koen dit onmogelijke dilemma te lijf?

Antwoord: met pulserende contouren en haast onverstaanbaar gebulder. Koen is namelijk een bliepende witte stip tegen een felrode achtergrond. En zijn probleem, dat speelt zich af in een wereld die tot in het absurde is gestileerd. Het eerste deel van Daan Bakkers debuutfilm Quality Time – bestaande uit vijf korte films – zal zeker wat kijkers afschrikken, maar zij die zich door dit even grappige als tergende minidrama weten te worstelen, staat wat moois te wachten.

Quality TimeCompromisloos

Wat te denken van de Noorse Kjell, bijvoorbeeld, die met hulp van een beetje te veel tijdreizen zijn sociale angst uit zijn bestaan wil wissen? Of Karel, die als puber ontvoerd werd door buitenaardse wezens en jaren later als nieuw… ding terugkeert bij zijn ouders? De hilarische ideeën van Bakker lijken compromisloos hun weg vanuit zijn brein naar het scherm te hebben gevonden.

Daarnaast is elk verhaal een studie in stijl. In de tweede film wordt bijvoorbeeld geen woord gesproken: elke dialoog vindt plaats via tekstwolkjes op het scherm. Sfeer wordt gecreëerd door de afstandelijke camerastandpunten en de nadrukkelijk aanwezige muziek. Zo wordt de kijker nooit deel van het leven van de overspannen Stefaan, maar voelt deze wel zijn onvermogen om met mensen om te gaan. Dat klinkt misschien pretentieus, maar Bakker vergeet nooit dat vermaak en stijl elkaar niet uitsluiten. Zijn verhalen vervelen gelukkig nooit.

Jeukwoordenbrei

Dat Quality Time niet leunt op louter absurdistische spielerei, bewijst Bakker bovendien in het laatste verhaal, dat het meest in de buurt komt van een ‘gewone’ dramafilm. Het bezoek van Jef aan zijn schoonfamilie kent inhoudelijk en stilistisch de minste verrassingen, maar is daarom niet minder sterk. De humor zit hem hier niet in de grote gebaren, maar juist in de subtiele details: Jefs nieuwe schoonbroer die achteloos, op de achtergrond van een scène een jeukwoordenbrei uitkraamt, of een gitaarsolo die eerst iets te lang, vervolgens veel te lang en ten slotte ondraaglijk lang duurt.

Steeds opnieuw vindt Bakker manieren om zijn korte films interessant te maken. Of het nu alledaagse of juist abnormale gebeurtenissen zijn; onder zijn regie wordt het een wonderlijk schouwspel. Hoe het er voor staat met de dertigers in Nederland, dat weet ik niet, maar in Bakkers wereld is het in elk geval genieten geblazen. Althans, voor de toeschouwers.

 

Reageer op dit artikel

Blees
Boeken / Non-fictie

De terloopsheid van het leven

recensie: Gerda Blees – Aan doodgaan dachten we niet
Blees

Ze maakte furore op de bühne van Poetry Slam en werd onmiddellijk geschaakt door uitgeverij Podium. Met inmiddels ook de Nieuw Proza Prijs Venlo op zak, debuteert Gerda Blees nu met een verhalenbundel. Fris, poëtisch, maar geen verhaaltjes-voor-het-slapen-gaan.

De titel van de bundel, met zijn zweem van onbezorgde lichtvoetigheid, biedt in eerste instantie nog een glimp hoop. Maar wie eenmaal in één van de tien verhalen uit Aan doodgaan dachten we niet verstrikt raakt, krijgt al snel een ongemakkelijk voorgevoel. En dan is het net als met een platgereden eend, langs de kant van de weg. Het besef dat je eigenlijk niet moet kijken, maar het dan tóch niet kunnen laten. Diezelfde magnetische aantrekkingskracht gaat ook uit van de verhalen van Blees.

De lezer als drone

Met onschuldige decors zoals de warme, lome zomerstraten in ‘Zomerkroos’, zet ze je als lezer aan de rand van een verhaal neer. Één vinger houdt ze stevig achter in je kraag gestoken, zodat ze je behoedt voor het onderdeel worden van de gebeurtenissen. Hierdoor blijf je een toeschouwer achter glas, die ziet en registreert, net als Blees zelf voortdurend lijkt te doen in het leven. Het is dat afstandelijke, machteloze toekijken terwijl het verhaal zich voor je ogen voltrekt, dat de verhalen zo buitengewoon sterk maakt.

Soms hangt de toeschouwer zelfs als een drone boven de scène, zoals in het verhaal ‘Kleine mis’. Hierin bezien we, als vanuit een hemels oogpunt, de jonge scholiere Solenelle in een benarde positie:

Genade. Solenelle mag dan wel zojuist bewusteloos geraakt zijn en het is nog maar de vraag of ze op tijd gevonden wordt, maar daar hoeven we nog niet meteen een drama van te maken. Laten we eerst eens rustig in- en uitademen en kijken wat we zien.

De stilte voor de schreeuw

Valt direct een ander sterk punt op waarmee Blees het vervreemdende effect creëert dat haar verhalen ademen: haar onderkoelde, haast terloopse verteltoon. In een kabbelend ritme dein je mee op de gedachten en handelingen van de personages met een hoog gehalte aan geruststellende dagelijksheid. Kopjes koffie onder een ‘automatisch uitschuifbare zonneluifel’ in ‘Regen en geen regen’ en een blauwe lucht en een huilende baby in ‘Blauw, blauw’.

Dat kabbelen maakt dat de duidelijk voelbaar aanwezige donkere ondertoon nooit duister wordt. Het grote drama is nog weg, alles lijkt zich te voltrekken in de stilte voor de schreeuw. En juist die dramaloosheid, leidt tot dat opperste gevoel van beklemming rond je maagstreek. Geen verhalen die een ontspannen nachtrust bevorderen. Wel verhalen die je opnieuw wilt lezen als met, inderdaad, een goed gedicht.

De laatste druppel

Blees lijkt geïntrigeerd door diezelfde terloopsheid die het leven lijkt te bevatten. Hoe haar personages soms ook trachten hun leven richting te geven, het leven zelf fietst daar vaak dwars doorheen. En met een totale willekeur.

Dingen gebeuren, lijkt Blees te willen zeggen. Zoals ze ook niet kunnen gebeuren. En op het overgangsmoment van die gebeurtenissen balanceren haar verhalen. De laatste titel uit de bundel, ‘Regen, geen regen’ leest hierin als een sleutelverhaal. Een vrouw mijmert op haar terras over het precieze moment dat regen geen regen meer is. (Of leven geen leven?). De uitdaging van het waarnemen van die laatste druppel, daar gaat het om:

(…) en één keer dacht ik echt dat ik hem zag, één keer zag ik de laatste druppel haarscherp naar beneden komen en vlak voordat hij zou gaan vallen zei ik dat hij het ook zou zien als hij zijn ogen opendeed.

Gerda Blees heeft een talent voor laatste druppels.
Ze opent je de ogen. En maakt er prachtige literatuur van.

Reageer op dit artikel