Berichten

Kunst / Expo binnenland

“Ik ben geen Hasselblad-mannetje”

recensie: Gerard Petrus Fieret - Mislukte foto's bestaan niet

Het Fotomuseum Den Haag presenteert de eerste terugblik op het werk van de Haagse fotograaf Gerard Petrus Fieret, die in 2009 overleed. Bij de meeste mensen is hij geen grote bekendheid, alleen misschien in Den Haag, waar hij als markante figuur vaak was te zien.

De tentoonstelling in het Fotomuseum is ruim opgezet – laat vele zwart-witfoto’s uit het oeuvre van Fieret zien – en beslaat een periode van tien jaar. Dat is het enige wat we weten, want verder wordt er bij de foto’s geen informatie gegeven. Je dwaalt tussen een wirwar van onderwerpen, soms ontroerend, soms onduidelijk en verwarrend. Sommige foto’s tonen scherpe vouwlijnen en het veelvuldig gebruik van Fieret’s copyrightstempel.

Gerard Fieret

Gerard Fieret, collectie gemeentemuseum Den Haag, fotopapier

Wie was Fieret?

Fieret werd in 1924 in Den Haag geboren als jongste van drie kinderen. Het gezin viel al snel uiteen en Fieret, die door zijn moeder als ‘onhandelbaar‘ werd bestempeld, bracht zijn jeugd veelal door in katholieke internaten. In de oorlog (1943) werd hij naar een aantal werkkampen in Duitsland gezonden. Na de oorlog keerde hij terug naar Den Haag waar hij de Academie voor Beeldende Kunsten en de Vrije Academie bezocht en hij zich vooral toelegde op het tekenen. Af en toe werkte hij ook als kunsthandelaar. In 1965 werd hij gegrepen door de fotografie en daar zou hij tien jaar lang vol passie mee bezig zijn. Fieret was een wispelturige persoonlijkheid en bemoeide zich op een vrijwel onwerkbare manier met de totstandkoming van tentoonstellingen en publicaties.

Onderwerpen

Fieret legde alles vast wat op zijn pad kwam: mensen, dieren, straattaferelen en zichzelf. Zijn favoriete onderwerp was de vrouw, en dan niet alleen modellen en danseressen, maar ook studenten, moeders en serveersters. Ook zoomde hij vaak in op alleen hun lichaamsdelen, zoals borsten, voeten of lange benen. Zijn stelling was: “Ik wil het allemaal hebben. Mislukte foto’s bestaan niet.”

Experiment

Als onderdeel van de tentoonstelling is de film Gerard Fieret, fotograaf (1971) van Jacques Meijer te zien. Daaruit blijkt duidelijk hoe hij experimenteerde met zichzelf, modellen en zijn techniek. En dat allemaal in zijn ‘kunstenaarsappartement’ ingericht als donkere kamer, zonder watervoorziening. Hij trok zich niets aan van fotografische conventies. Hij zag zichzelf ook niet als fotograaf maar als ‘fotograficus’. Een graficus heeft macht over de techniek en zet die naar zijn hand. Anders dan een ‘Hasselblad-mannetje’ (de gevestigde fotografenorde) die zijn onderwerp zo scherp en waarheidsgetrouw mogelijk wilde weergeven, fotografeerde Fieret juist met goedkope Praktica-spiegelreflexcamera’s.

Gerard Fieret

Gerard Petrus Fieret, Zonder titel, 1965-1975, Collectie Gemeentemuseum Den Haag © Estate G.P Fieret

Paranoia

Zijn werk, wars van alle regels en conventies, paste goed in de tijdgeest van de jaren 60 en 70, waarin men zich afzette tegen academische regels en naakt een symbool van vrijheid vertegenwoordigde. Naarmate zijn eigen paranoia toenam, beschuldigde hij collega’s van plagiaat of diefstal, als hij ook maar iets van zijn eigen stijl in het werk van die personen meende te herkennen. Hij bewaakte zijn copyright dan ook als een havik door zijn werk te overladen met handtekeningen en copyrightstempels. Ook gooide hij nooit iets weg, zelfs geen mislukte foto’s. Negatieven drukte hij zelden meerdere keren af, zodat je wel kunt zeggen dat elke foto van Fieret uniek is.

Vanaf 1975 werden zijn psychische problemen steeds duidelijker, met name zijn uitingen van achtervolgingswaanzin. Hij werd een excentriekeling die in Den Haag bekend stond als panfluitspeler en vanwege het voederen van duiven. Hij tekende nog, maar vooral op bierviltjes in cafés.

Als je houdt van ‘Hasselblad-mannetjes’, dan zal deze tentoonstelling je verbazen. De foto’s van Fieret zijn verre van ‘perfect’. Wat ze wel weergeven is de tijdgeest. De vele foto’s die hij in tien jaar tijd maakte, zou je kunnen zien als een bevlieging, een periode die even snel kwam als ging. Alleen al in het kader van deze ‘verloren’ tijd, zouden we hem zijn plaats moeten gunnen in de Nederlandse fotogeschiedenis. Al met al een verrassende tentoonstelling.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

“Ik ben geen Hasselblad-mannetje”

recensie: Gerard Petrus Fieret - Mislukte foto's bestaan niet

Het Fotomuseum Den Haag presenteert de eerste terugblik op het werk van de Haagse fotograaf Gerard Petrus Fieret, die in 2009 overleed. Bij de meeste mensen is hij geen grote bekendheid, alleen misschien in Den Haag, waar hij als markante figuur vaak was te zien.

De tentoonstelling in het Fotomuseum is ruim opgezet – laat vele zwart-witfoto’s uit het oeuvre van Fieret zien – en beslaat een periode van tien jaar. Dat is het enige wat we weten, want verder wordt er bij de foto’s geen informatie gegeven. Je dwaalt tussen een wirwar van onderwerpen, soms ontroerend, soms onduidelijk en verwarrend. Sommige foto’s tonen scherpe vouwlijnen en het veelvuldig gebruik van Fieret’s copyrightstempel.

Gerard Fieret

Gerard Fieret, collectie gemeentemuseum Den Haag, fotopapier

Wie was Fieret?

Fieret werd in 1924 in Den Haag geboren als jongste van drie kinderen. Het gezin viel al snel uiteen en Fieret, die door zijn moeder als ‘onhandelbaar‘ werd bestempeld, bracht zijn jeugd veelal door in katholieke internaten. In de oorlog (1943) werd hij naar een aantal werkkampen in Duitsland gezonden. Na de oorlog keerde hij terug naar Den Haag waar hij de Academie voor Beeldende Kunsten en de Vrije Academie bezocht en hij zich vooral toelegde op het tekenen. Af en toe werkte hij ook als kunsthandelaar. In 1965 werd hij gegrepen door de fotografie en daar zou hij tien jaar lang vol passie mee bezig zijn. Fieret was een wispelturige persoonlijkheid en bemoeide zich op een vrijwel onwerkbare manier met de totstandkoming van tentoonstellingen en publicaties.

Onderwerpen

Fieret legde alles vast wat op zijn pad kwam: mensen, dieren, straattaferelen en zichzelf. Zijn favoriete onderwerp was de vrouw, en dan niet alleen modellen en danseressen, maar ook studenten, moeders en serveersters. Ook zoomde hij vaak in op alleen hun lichaamsdelen, zoals borsten, voeten of lange benen. Zijn stelling was: “Ik wil het allemaal hebben. Mislukte foto’s bestaan niet.”

Experiment

Als onderdeel van de tentoonstelling is de film Gerard Fieret, fotograaf (1971) van Jacques Meijer te zien. Daaruit blijkt duidelijk hoe hij experimenteerde met zichzelf, modellen en zijn techniek. En dat allemaal in zijn ‘kunstenaarsappartement’ ingericht als donkere kamer, zonder watervoorziening. Hij trok zich niets aan van fotografische conventies. Hij zag zichzelf ook niet als fotograaf maar als ‘fotograficus’. Een graficus heeft macht over de techniek en zet die naar zijn hand. Anders dan een ‘Hasselblad-mannetje’ (de gevestigde fotografenorde) die zijn onderwerp zo scherp en waarheidsgetrouw mogelijk wilde weergeven, fotografeerde Fieret juist met goedkope Praktica-spiegelreflexcamera’s.

Gerard Fieret

Gerard Petrus Fieret, Zonder titel, 1965-1975, Collectie Gemeentemuseum Den Haag © Estate G.P Fieret

Paranoia

Zijn werk, wars van alle regels en conventies, paste goed in de tijdgeest van de jaren 60 en 70, waarin men zich afzette tegen academische regels en naakt een symbool van vrijheid vertegenwoordigde. Naarmate zijn eigen paranoia toenam, beschuldigde hij collega’s van plagiaat of diefstal, als hij ook maar iets van zijn eigen stijl in het werk van die personen meende te herkennen. Hij bewaakte zijn copyright dan ook als een havik door zijn werk te overladen met handtekeningen en copyrightstempels. Ook gooide hij nooit iets weg, zelfs geen mislukte foto’s. Negatieven drukte hij zelden meerdere keren af, zodat je wel kunt zeggen dat elke foto van Fieret uniek is.

Vanaf 1975 werden zijn psychische problemen steeds duidelijker, met name zijn uitingen van achtervolgingswaanzin. Hij werd een excentriekeling die in Den Haag bekend stond als panfluitspeler en vanwege het voederen van duiven. Hij tekende nog, maar vooral op bierviltjes in cafés.

Als je houdt van ‘Hasselblad-mannetjes’, dan zal deze tentoonstelling je verbazen. De foto’s van Fieret zijn verre van ‘perfect’. Wat ze wel weergeven is de tijdgeest. De vele foto’s die hij in tien jaar tijd maakte, zou je kunnen zien als een bevlieging, een periode die even snel kwam als ging. Alleen al in het kader van deze ‘verloren’ tijd, zouden we hem zijn plaats moeten gunnen in de Nederlandse fotogeschiedenis. Al met al een verrassende tentoonstelling.

Reageer op dit artikel

Voudou
Boeken / Non-fictie

Spannend verpakte muziekles

recensie: Leendert van der Valk - Voudou
Voudou

Wie Voudou van Leendert van der Valk leest, begrijpt wat voor invloed de Afrikaanse muziek in de hedendaagse muziek heeft. Die invloed vind je terug in veel meer muziek dan wij beseffen. Voudou, of voodoo, heeft in dit boek niets te maken met poppetjes en spelden maar is de bron waar veel muzieksoorten uit ontstaan zijn.

De ondertitel van Voudou is: van New Orleans naar Cotonou op het ritme van de goden. Na het lezen van het boek begrijp je vooral het laatste beter. Voudou is niet los te zien van voodoosi; en dat zijn gelovigen, net als christenen en islamieten. De muziek die gemaakt wordt bij deze geloofsovertuiging, tijdens het oproepen van de goden bijvoorbeeld, is de muziek die zijn invloeden heeft laten gelden in veel andere muzieksoorten. Muziek die mee werd gebracht met de slaventransporten van Afrika naar andere plaatsen op de wereld.

Breed pallet aan invloeden

Als één ding duidelijk wordt in het boek dan is wel dat voudou helemaal verweven is met onze moderne muziek. De tentakels van deze muziek vinden we terug in bijvoorbeeld ht werk van Buena Vista Social Club, James Brown, Beyoncé, Arcade Fire, Dr. John en The Neville Brothers. En die lijst is nog veel en veel langer. Fela Kuti is een van de Afrikaanse grootmeesters die ook in Europa voet aan de grond wist te krijgen. In zijn muziek is de voudou misschien wel het puurst aanwezig; muziek die wij in het Westen hebben leren waarderen.

Een opvallende link tussen de muziek uit Afrika en de moderne muziek is Cuba. Dit land herbergt een bijzondere verbinding tussen de stromingen die niet direct te verklaren is.Cuba fungeert als een soort tussenhaven naar andere muziekstromingen. In Cuba wordt de Afrikaanse muziek versneden met de westerse.

Inwijding voor bescherming

Wie de muzikale, maar ook fysieke, reis van Leendert van der Valk volgt door dit boek te lezen, zal naast veel plezier ook spannende momenten beleven. Van der Valk laat je meebeleven hoe hij de kennis wist te vergaren. Deze opgedane kennis zal de lezer nog vele jaren bijblijven want elke keer als je nu muziek hoort, zul je de invloeden horen en herkennen. Soms lijkt voudou wel overal in te zitten.

Van der Valk heeft kans gezien om veel informatie zo te verpakken dat het boek leest als een spannend reisverhaal over de wereld en door de muziekgeschiedenis. Zijn belevenissen, allemaal op touw gezet om het naadje van de kous te weten te komen over voudou, brengen hem op plaatsen en in situaties die soms hachelijk genoemd kunnen worden. Zo wordt van der Valk ingewijd in de voodoosi en wordt hem op het hart gedrukt nooit in trance te raken omdat dat gevaarlijk voor hem is. Ook hoort hij dat hij geen rode kleding mag dragen. Er worden dieren voor hem geofferd, hoewel Van der Valk daar eigenlijk heel veel moeite mee heeft. Toch laat hij het toe en hij beschrijft hoe de angst hem soms om het hart slaat. Hij heeft de wil het boek te schrijven maar heeft daar wel de bescherming en toestemming van de voodoosi voor nodig.

Soms moet de schrijver engelengeduld hebben om iets te weten te komen; Afrikanen hebben geen moeite met wachten en laten wachten. Een enkele keer lijkt die onhebbelijkheid Van der Valk zelfs te veel te worden.

Soundtrack bij het boek

Op het Excelsior-label is tegelijkertijd met het boek een cd verschenen met liedjes die verhelderend werken bij lezen van het boek. Natuurlijk is het onmogelijk om alle composities die genoemd worden in het boek daarop ten gehore te brengen, nog los van het regelen van de rechten omtrent die muziek.

Toch herbergt de cd Voudou – Sound of Voodoo een fraaie bloemlezing om te verduidelijken waar die invloeden van de voudoumuziek in terug zijn te horen. We horen bekende artiesten als Coco Taylor, Gill Scott Heron, Louis Armstrong, Dr. John en Gilles Peterson voorbijkomen. Maar ook artiesten die velen niets zullen zeggen dragen hier hun muzikale steentje bij. Zo vormt ook deze soundtrack een ware ontdekkingstocht door de muziekhistorie met zijn voudou-invloeden, die er niet altijd als een dikke schil bovenop of omheen liggen. Er zitten zeker artiesten bij die nadere bestudering van de muziek de moeite waard maakt. Neem bijvoorbeeld het fraaie ‘River’, uitgevoerd door Ibeyi, dat voor iedereen die het album uit 2015 niet kent een openbaring zou kunnen zijn; zwaar onderschat toen het verscheen. Maar voor mooie muziek is het nooit te laat!

Met Voudou heeft Leendert van der Valk een dijk van een boek geschreven dat een openbaring is over de invloeden van de Afrikaanse muziek op veel andere muzieksoorten. Het zit verstopt in veel hedendaagse, maar ook klassieke muziek. Het is een boek dat je de oren en soms ook de ogen doet openen voor klanken die we eerder wel hoorden maar nog niet begrepen.

Reageer op dit artikel

kunstgeschiedenis
Boeken / Non-fictie

Kunstgeschiedenis in een notendop

recensie: Susie Hodge - De kleine geschiedenis van de kunst
kunstgeschiedenis

Kunsthistorica Susie Hodge schreef tal van bestsellers over de wereld van de kunst. In haar nieuwste boek, De kleine geschiedenis van de kunst, poogt ze een compacte en heldere introductie tot de kunstgeschiedenis te geven.

De kunstgeschiedenis is in deze bundel opgedeeld in vier hoofdstukken: stromingen, werken, thema’s en technieken. Het is mogelijk om De kleine geschiedenis van de kunst chronologisch te lezen, al is het verleidelijker de onderlinge verwijzingen tussen de onderwerpen te volgen. Lees je bijvoorbeeld over Fontein van Duchamp, dan word je ook verwezen naar de onderwerpen ‘dada’, ‘conceptuele kunst’, ‘handgemaakt’, ‘vorm en gedaante’ en ‘readymades’.

Vijftig werken

Het leeuwendeel van Hodges gids bestaat uit de bespreking van vijftig belangrijke werken uit de kunstgeschiedenis. Dit hoofdstuk is verreweg het interessantst, omdat er hier iets meer de diepte ingegaan wordt dan in de andere hoofdstukken. Van prehistorische tekeningen van stieren tot Damien Hirsts opgezette haai biedt Hodge context bij de werken.

Toch is van echte diepgang geen sprake. Hodge wil zo veel mogelijk kwijt in zo min mogelijk woorden. Bijvoorbeeld over Caravaggio, waarover ze schrijft dat ‘zijn korte, turbulente leven even dramatisch [was] als zijn kunst’. Deze wetenswaardigheid schept een verwachting. Hoe zag zijn leven eruit? Op welke manier was het turbulent en hoe is hij aan zijn einde gekomen? Helaas, het antwoord blijft Hodge ons verschuldigd.

Jammer is ook dat Hodge blijft steken bij Hirst. Natuurlijk is hij nog steeds relevant, maar ze bespreekt een werk dat meer dan 25 jaar oud is. Een toevoeging van recent werk van een Ai Weiwei of Cindy Sherman had het geheel wat vollediger gemaakt.

Kernachtig

De kleine geschiedenis van de kunst wordt gekenmerkt door orde en overzichtelijkheid. Hodge heeft haar best gedaan om de kunst vanaf de prehistorie tot aan nu behapbaar te maken. Beslist geen gemakkelijke opgave, maar Hodge slaagt er in kernachtig te blijven en laat zich niet verleiden tot lange uitweidingen. Veel meer dan twee of hooguit drie alinea’s besteedt Hodge niet aan een onderwerp. Gevolg hiervan is dat de teksten vrij statisch lezen, meer als een encyclopedische opsomming van feiten dan als een levendige geschiedenis.

Het is dan ook maar zeer de vraag of de gehele (westerse) kunstgeschiedenis zich er wel toe leent zo beknopt weergegeven te worden. Doordat alle uitleg zo gecomprimeerd is, zijn de teksten weinig genuanceerd. Hodge stipt kernwoorden aan. Romantiek? Dat was verbeelding en emotie. Hodge schetst een referentiekader voor verder onderzoek. De kleine geschiedenis van de kunst is niets meer of minder dan wat het claimt te zijn: een uiterst compacte weergave van de kunstwereld.

Reageer op dit artikel

Kunst / Kunstboek

De Stijl blijft boeien

recensie: De aanstekelijke Stijl 1917-2017 -Kunstschrift

Wat valt er nog te melden over De Stijl, de honderdjarige kunst- en designstroming die vanaf 1917 de wereld revolutionair zou veranderen? We weten inmiddels van de hoed en de rand, maar Kunstschrift brengt oorsprong en gevolg met hernieuwde geestdrift onder de aandacht.

Met het doosje lucifers en de titel ‘De aanstekelijke Stijl’ op het omslag wordt niet gesuggereerd de hele boel in de brand te steken, maar heeft de redactie een wat gekunstelde vorm gevonden om de populariteit van het onderwerp te onderstrepen. Piet Mondriaan vormde honderd jaar geleden het ‘strijkvlak’ in zijn natuurlijke ontwikkeling van realistische doeken naar een strenge vlakverdeling. Bart van der Leck wordt gezien als de ‘lucifer’, de stilist die met zijn fraaie composities de vormgeving van De Stijl bepaalde. Maar voor de werkelijke ‘ontbranding’ zorgde Theo van Doesburg, de idealist en netwerker die standvastig naar buiten trad om ‘de nieuwe wereld’ te presenteren.

Piet Mondriaan, Avond (De rode boom) 1908-1910, Gemeentemuseum Den Haag

Veralgemening

In het openingsartikel van Kunstschrift wordt Mondriaan op het schild gehesen als de man die het allemaal heeft veroorzaakt. Zijn schilderhand – met de fraaie toets en het ‘rijke verftapijt’ – loopt organisch van de zeegezichten, via de bomen naar het kubisme en de rood-geel-blauwe vlakken. De Stijl-revolutie voltrekt zich niet als donderslag bij heldere hemel, maar blijkt al verstopt te zitten in de eerste doeken van de man die als strijkvlak fungeert. Dat lijkt wat kort door de bocht, maar in het streven naar een universele kunst, naar de zogenaamde ‘veralgemening’, is de rol van Mondriaan onmiskenbaar. Abstractie zorgt voor de noodzakelijke ruimte, weg van het oude, het individuele.

Om die opvatting kracht bij te zetten wordt een link gelegd met Leonardo da Vinci die omstreeks 1500 óók op zoek ging naar een universele beeldtaal. Zijn opvatting was dat het zo precies mogelijk weergeven van de natuur zou leiden tot objectivering van de kunst. De ultieme poging om de werkelijkheid te reproduceren brengt de mens het dichtst bij ‘de kracht van de ziel’. Twee kunstenaars, levend in verschillende eeuwen en met hetzelfde doel voor ogen, maar met een volledig tegenstrijdige manier van benadering.

Bart van der Leck, Compositie 1917 no, 4 (Uitgaan van de fabriek) 1917, Kröller Müller Museum, Otterloo

Appelbomen

De vijf bomen van Piet Mondriaan sluiten goed aan bij deze vaststelling. Tussen 1908 en 1912 tekende en schilderde de kunstenaar een serie appelbomen die op indringende wijze zijn ontwikkeling naar abstractie laat zien. De subliem gereproduceerde foto’s tonen een gepassioneerde zoektocht naar een wereld waarin de werkelijkheid langzaam wordt ingewisseld voor een inwendige verbeelding. De grillige weergave van de boomtakken maakt plaats voor een subtiel spel van trefzekere lijnen die als geheel de ‘nieuwe beelding’ aankondigen. Dit is geen eenvoudige studie naar bijzondere technieken, hier is een verlangen naar modernisme zichtbaar dat door medestanders verder uitgekristalliseerd diende te worden.

Bart van der Leck was een van de partners-in-crime die de nieuwe beeldtaal transformeerde in de kenmerkende Stijl-composities. Zijn werk behield nog altijd een zekere vorm van figuratie, maar de rood-geel-blauwe abstracties laten vooral zien hoe hij zocht naar unieke samenstellingen om een onderwerp in de nieuwe vorm te gieten. Van der Leck is een echte ontwerper, overtuigd van de nieuwe stijlmiddelen en zoekend naar de meest krachtige uitwerking, terwijl hij telkens even terugdeinst als de abstractie te overheersend wordt.

Theo van Doesburg, Trap in de Aubette, Straatsburg 2006, foto Pierre Filliquet

Zigeunerwagen

In deze zorgvuldig samengestelde Stijl-publicatie kan de bouwkunst niet ontbreken. Het Rietveld Schröderhuis in Utrecht, glorieus boegbeeld van modernistische architectuur, wordt uitgelicht en, naast bewonderd, ook stevig bekritiseerd. Architect Rem Koolhaas noemt het interieur een ‘gesublimeerde versie van een zigeunerwagen’: vol met handigheidjes die de kleine ruimte zo efficiënt mogelijk bewoonbaar moeten maken. Ook de wereldberoemde buitenzijde heeft bij Stijl-dogmatici altijd onder vuur gelegen. Niets verwijst naar functionaliteit of doelmatigheid, toch de belangrijkste dragers van de modernistische beginselen, en dat maakt het huis in de ogen van enkelen tot niets meer dan esthetische gevelsierkunst. Een fundamentele strijd die tot op de dag van vandaag gevoerd wordt.

Theo van Doesburg wordt in Kunstschrift opgevoerd als de grote aanjager en visionair. Zijn werk behoorde niet tot het meest spraakmakende dat De Stijl te bieden had, maar zijn onvermoeibare inzet voor de beweging was opmerkelijk. Cultureel centrum de Aubette in Straatsburg, waarvoor Van Doesburg de inrichting, de typografie tot en met de asbakken verzorgde, laat goed zien hoe de hij de Nieuwe Beelding vertegenwoordigde.

Opnieuw slaagt Kunstschrift erin een bijzondere editie te maken, nu van een uitgekauwd onderwerp als De Stijl. De taal is leesbaar, de artikelen zijn stuk voor stuk opmerkelijk te noemen en voor de fraaie afbeeldingen wordt alles uit de kast gehaald om ze te laten schitteren. Een aanwinst voor de Stijl-liefhebber!

 

De aanstekelijke Stijl 1917-2017
Uitgave: Kunstschrift nr. 2 / 2017
56 pagina’s – € 10,75

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Balancerend op het snijvlak van abstractie en figuratie

recensie: Jan Roeland; Een Hommage

Op 8 november 2016 overleed op 81-jarige leeftijd de Nederlandse schilder en autodidact Jan Roeland. Hij was niet erg bekend, waarschijnlijk omdat zijn werk geen specifieke boodschap uitdroeg en hij zich daar ook niet mee bezig hield. Roeland is altijd blijven doen wat hij wilde doen. Hij speelde zijn eigen spel met vorm, kleur en spanning. Als hommage aan deze bijzondere kunstenaar stelt de Kunsthal in Rotterdam nu een aantal werken van hem tentoon.

Jan Roeland, F16, 2000, Olieverf op linnen, 152 x 152 cm, © Slewe Gallery, Amsterdam

In het werk van Roeland staan alledaagse dingen centraal, zoals een envelop, een vliegtuig, een bloem, een eend (hij was een verwoed vogelaar), een plant. Deze objecten zijn tot in het uiterste geabstraheerd. Soms heeft een werk een titel nodig, zoals Aansteker gesloten (1969), omdat niet direct duidelijk is wat het werk voorstelt. Ook bloemen en planten hebben niet altijd natuurgetrouwe kleuren. Maar eigenlijk ging het hem daar ook niet om; het object was alleen maar het uitgangspunt. Het ging om de kleur, om de ruimte, om de lagen olieverf die samen iets moesten opleveren. Het is rustig en ingetogen werk; werk dat niet om aandacht schreeuwt. Op een foto lijkt het zelfs een beetje saai. Maar dat is het niet, want als je voor zijn werk staat, begint het te leven.

Spel

Na de keuze van het object, begon pas het echte werk. Het wikken en wegen om de juiste kleur, de juiste ruimte te vinden. Waarom moet de zijtak van een bloem precies op deze hoogte en niet op een andere? Bij de felste kleurvlakken zie je dat ze een klein beetje transparant zijn. Dat komt omdat de eerder opgebrachte kleuren er doorheen lijken te schemeren. De eenvoud van zijn werk maakte het juist moeilijk. Voor Roeland moest er spanning in het werk ontstaan. Je moest kunnen zien dat de kleuren ‘het spel’ gespeeld hadden. Zijn werk is boven alles verf en kleur. Roelands werk bevat geen diepzinnigheden, geen mystiek en geen maatschappijkritiek. Soms deed hij heel lang over een werk, omdat hij niet tevreden was. Dan zette hij het werk een tijdje weg, hopend later tot een oplossing te komen. Wanneer een schilderij af was, werd volgens hem door hogerhand bepaald.

Plan

Jan Roeland, Enveloppe, 1967, Olieverf op linnen, 70 x 70 cm, © Slewe Gallery, Amsterdam

Roeland werkte volgens een voorgenomen plan. Maar dat plan stond niet vast, want tijdens het uitvoeren van zijn plan konden de dingen zo uitpakken, dat het hem niet zinde. Onzekerheid, ontevredenheid en je doel nog niet bereikt hebben waren voor hem de factoren om mee te werken.

Associatie

Vooral in reproductie doet zijn werk soms denken aan het werk van Dick Bruna (1927-2017), beroemd geworden met de tekeningen van ‘Nijntje’. Maar als je doeken van Roeland in werkelijkheid ziet, dan verdwijnt deze associatie. Bij Bruna blijven de kleuren strak en elementair, terwijl bij Roeland door de kleuren en de verfhuid juist beginnen te leven.

Tentoonstelling

De tentoonstelling draagt licht, eenvoud en rust uit. Het gevoel van in een serene omgeving te zijn, waarbij je lang kunt stilstaan, om de compositie op je in te laten werken. Net als Roeland zelf deed als hij aan het werk was.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Bijna echt

recensie: Hyperrealisme – 50 jaar schilderkunst

Een precieze weergave van de werkelijkheid, dat is wat de hyperrealisten voor ogen staat. Maar kan dat eigenlijk wel, het exact naschilderen van de werkelijkheid? En is dat dan nog realiteit te noemen? De Kunsthal toont mooie plaatjes maar komt niet met antwoorden.

Roberto Bernardi, Confini Segreti (2013), Courtesy of Bernarducci.Meisel.Gallery, New York

En dat hoeft ook niet. De bezoeker van de tentoonstelling Hyperrealisme – 50 jaar schilderkunst krijgt een veelzijdig overzicht van de stroming voorgeschoteld, door de jaren heen. De schilderijen – gegroepeerd in drie generaties sinds de jaren 70 – roepen voldoende vragen op om uitvoerig geanalyseerd te worden. Met een wat filosofische gedachtenstroom tot gevolg.

Plaatjes naschilderen

Hyperrealisme is in Amerika ontstaan als reactie op de alom aanwezige abstracte en conceptuele kunst. Het simpelweg reproduceren van een bestaande situatie, vanaf een gecomponeerde foto het beeld op het schildersdoek overbrengen, was het doel van de kunstenaars. De zuiverheid van hun bedoeling lag voor een deel in ambachtelijkheid, maar is ook zeker een uiting van artistieke visie geweest. Het lijkt erop dat de betekenis van het ‘plaatjes naschilderen’ vele malen groter is geworden sinds de moderne fotografie en vooral de fotobewerking een vlucht heeft genomen. Wat is echt en wat is onecht, dat zijn de vragen die in deze tentoonstelling continue door het hoofd spoken. Niet als een op te lossen puzzel, maar als confrontatie met een vaag besef van bestaande werkelijkheid.

Ralph Goings, America’s Favourite (1989), Collection of Susan P. and Louis K. Meisel, New York

Het stilleven America’s Favourite van Ralph Goings uit 1989 is een fotografisch geschilderd ensemble dat zo terug te vinden is op de plakkerige tafel van een willekeurige diner. De weergave is subliem, de lichtval en stofuitdrukking zijn op een virtuoze wijze op het doek overgebracht. Goings heeft maandenlang gewerkt om dit beeld, dat hij eerst zorgvuldig heeft gecomponeerd en gefotografeerd, te reproduceren tot een iconische afbeelding. De flinke uitvergroting – kenmerkend voor het hyperrealisme ­– maakt de kijkervaring nog intenser. Anders dan in de fotografie, waar alleen de cameralens en het oog van de fotograaf voor afstand zorgt, is hier de hand van de kunstenaar in alle details aanwezig. Hoezeer elke kwaststreek ook is weggepoetst in de ondergrond, hij blijft zichtbaar in de algehele verbeelding. Juist de poging om (in een flink tijdsbestek) een ogenblik van de werkelijkheid na te bootsen, bewijst op hetzelfde moment het falen ervan.

Abstracter dan Mondriaan

Het is de ‘stolling’ van een fractie van een seconde, uitgesmeerd over enkele maanden werk, vastgelegd om jaren later door ons gezien te worden. De realiteit is hier niet hyper, ze is zelfs geheel verdwenen: gek genoeg zijn deze beelden stuk voor stuk abstracter dan de meest onbegrijpelijke doeken van Mondriaan. Alle beslissingen die de kunstenaar genomen heeft, zijn gericht op het in vorm weergeven van een realiteitsbesef. Om daar vervolgens zelf in te verdwijnen. Dat komt veel dichter bij abstracte en conceptuele kunst dan de vroege hyperrealisten gewenst zouden hebben.

Robert Bechtle, Alameda Chrysler (1981), Courtesy of Louis K. Meisel Gallery, New York

In 1981 schilderde Robert Bechtle het gigantische doek Alameda Chrysler. Een indringend tafereel, bijna niet van echt te onderscheiden.­ De precieze uitvoering van de kleding van de dame, de glanzende huid van de auto, alles lijkt perfect. Toch is, nog los van de stolling in de tijd, de werkelijkheid ook hier op afstand gehouden. Vrijwel alle hyperrealisten hebben moeite met het plaatsen van hun onderwerp in een omgeving. Dat is de reden waarom de meeste schilderijen een geïsoleerd stilleven bevatten of een sterk uitvergroot detail van een voorstelling: de achtergrond is daarbij te verwaarlozen. De begrenzingen van de belangrijkste onderdelen in de opbouw van verschillende lagen verraden de menselijke hand. De kunstenaar focust zich voornamelijk op zijn hoofdonderwerp, terwijl de beschouwer altijd de verbinding met de omgeving op zijn netvlies heeft.

Hyperrealisme – 50 jaar schilderkunst is een tentoonstelling die opvallend veel losmaakt bij de doordenkende kijker. Natuurlijk is er de virtuositeit van de kunstenaars, maar veel indringender is het bewustzijn van onze eigen waarneming. Hoe tijd en ruimte een confronterende uitwerking hebben op de beoordeling van deze veelzeggende kunstwerken.

 

 

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

The power and the glory of El Anatsui

recensie: El Anatsui: Meyina

Vanaf het moment dat werk van de Ghanese kunstenaar El Anatsui tijdens de Biënnale van Venetië viel te zien (1990, 2007), werd hij in Europa steeds bekender. Ook in Nederland. In 2008 exposeerde hij in Sonsbeek reuzenwandkleden, die hij samen had gemaakt met bewoners van een dorp in Nigeria. In 2009 ontving hij een Prins Claus Prijs en in 2013 hingen in het kader van ArtZuid zijn uit flessendoppen bestaande weefsels in, en lagen onder de bomen voor het Amsterdamse Hilton Hotel. En nu is er dan een tentoonstelling in de Prince Claus Fund Gallery in de hoofdstad.

Portrait van El Anatsui, 2008. Photo Uche James Iroha

El Anatsui werd in 1944 geboren, en leeft en werkt sinds zijn pensionering als docent aan de Universiteit van Nigeria afwisselend in Ghana en Nigeria. Hij is, volgens het juryrapport van de Prins Claus Prijs, een sterk verdediger van artistieke vrijheid en promotor van de rol van kunst binnen landelijke en lokale ontwikkelingen. Tevens heeft hij een grote invloed op jonge kunstenaars. De titel van de tentoonstelling is Ewe (de taal van Ghana en Nigeria) voor Ik ga.

Metalen wandkleden

Een groot deel van het pand waarin de galerie is gevestigd, wordt in beslag genomen door de enorme metalen wandkleden. Ze staan in figuurlijke zin (want letterlijk hangen ze in de verschillende ruimtes en het trappenhuis) voor de relatie tussen West-Europa en Afrika; bierflesjes en dergelijke kwamen uit West-Europa naar Afrika en symboliseren de handel tussen beide continenten. Op sommige wandkleden valt duidelijk de naam van de fabrikant te lezen: Romatex, Kip Beverages, Bacco en Castello.
Een overgangswerk van flessendoppen naar het meer recente gebruik van printary plates vormt een wandkleed waarin El Anatsui zowel de ene als de ander naast elkaar gebruikt: Default (2014-2016). In Oasis uit dezelfde periode zijn louter printary plates gebruikt. Slechts een enkele merknaam valt er nog met moeite uit af te lezen. De relatie met West-Europa, lijkt dit werk te zeggen, is inmiddels een andere geworden; de communicatie vindt plaats via computernetwerken en is minder tastbaar dan flessendoppen. Minder beladen misschien ook.

El Anatsui, Untitled, 2016, bottle caps, 260 x 460cm. Courtesy of the artist. Photo Maarten van Haaff

Keramiek en hout

Dat El Anatsui méér in zijn mars heeft dan alleen dit soort wandkleden waaraan hij zijn grootste bekendheid ontleent, komt op de tentoonstelling niet helemaal uit de verf. In de jaren zeventig van de vorige eeuw maakte hij bakjes, gevolgd door pottenbakkerswerk en keramiek. Deze  zijn – helaas – niet te zien; een schets van Broken pots en een vitrine met schetsen en tekeningen staan er model voor.

In een andere vitrine, waarin een selectie brochures en knipsels wordt getoond, lezen we de kop boven een artikel dat op 2 december 1995 verscheen in The Guardian: ‘Master of wood.’ Dit is terecht, ook al volstaat hier een collage op hout en missen we één of meer grote houten beelden zelf. Op dat hout van de collage zijn enkele krantenknipsels geplakt, met koppen als: ‘Africa moves forward’ en ‘The power and the glory of “La Bomba”.’ Een politiek statement is bij deze kunstenaar nooit ver weg.

El Anatsui, Untitled, 2016, (detail) Photo Maarten van Haaff

Catalogi en brieven

Een opvallende plaats binnen deze expositie neemt een reeks brieven in die de curator van deze tentoonstelling, Bisi Silva (Lagos), mocht ontlenen aan het archief van de inmiddels 73-jarige kunstenaar. Deze zijn opgehangen op een manier die doet denken aan de metalen wandkleden. De brieven staan ongetwijfeld symbool voor wat Bisi Silva omschrijft als ‘het concept van een grenzeloze horizon, een enorme ruimte waarin mogelijkheden werkelijkheid worden en resoneren.’
Een sympathieke, symbolisch geladen tentoonstelling van een groot kunstenaar die in 2009 terecht de Prins Claus Prijs kreeg – dat is het.

 

Reageer op dit artikel

surrealisme_boijmans
Kunst / Expo binnenland

Voorbij de gekte

recensie: Gek van surrealisme
surrealisme_boijmans

Voor Gek van surrealisme heeft Museum Boijmans Van Beuningen samengewerkt met de Scottish National Gallery of Modern Art in Edinburgh en de Hamburger Kunsthalle. Zij hebben tweehonderd kunstobjecten, zeldzame publicaties en archiefstukken bijeengebracht. Een uniek overzicht van de vroege jaren van het surrealisme is daarvan het resultaat.

In welk ander museum in Nederland was het surrealisme beter tot zijn recht gekomen? ‘Het Boijmans’ is al vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw bezig met het uitbreiden van hun surrealistische collectie, wat het de perfecte gastheer maakt voor deze overzichtstentoonstelling.
In het midden van de Bodonzaal is een ellips van wanden geplaatst, waardoor er een natuurlijke verdeling ontstaat. Deze ellips is één van de vijf ruimtes en is ingericht als het kloppend hart van het surrealisme. Aan de hand van acht monografische en thematische clusters wordt in deze ovaalvormige zaal antwoord gegeven op de vraag: Wat is surrealisme? De andere vier ruimtes zijn voor de kunstverzamelaars Edward James, Roland Penrose, Gabrielle Keiller en het echtpaar Ulla en Heiner Pietzsch, die zo ieder hun eigen portret hebben gekregen.

Verzamelaars

surrealisme_miro

Joan Miró, Tête de paysan Catalan (Hoofd van een Catalaanse boer), 1925. c/o Pictoright Amsterdam 2017.

Begonnen wordt met de verzamelaar Gabrielle Keiller die de meest bescheiden kunstcollectie had. Daarentegen bezat zij wel een uitgebreide bibliotheekcollectie bestaand uit zeldzame kunstenaarsboeken, manuscripten, tijdschriften en catalogi. Op deze manier worden naast de kunstwerken ook andere vervreemdende creaties getoond, die de wondere en droomachtige herkomst van het surrealisme tonen.
In de volgende ruimte staat de collectioneur Roland Penrose centraal, die één van de belangrijkste privécollecties bezat op het gebied van deze kunststroming. Naast de geweldige kunst die hier te zien is, zijn er ook aankooplijsten tentoongesteld, waarop te zien is hoe en van wie hij werken verwierf. Penrose was zelf ook actief als kunstenaar, en enkele van zijn werken zijn te zien binnen de tentoonstelling.
Speciaal is het Surrealist Album, de enige van de vier die in tact gebleven is, waarin vijftien kunstwerken werden uitgegeven. Tête de paysan Catalan (Hoofd van een Catalaanse boer) van Joan Miró is eveneens indrukwekkend; een werk dat volgens de kunstenaar in staat van trance is vervaardigd. Hoewel deze bewering niet lijkt te kloppen door de aanwezigheid van een ondertekening, is het desalniettemin een absurdistisch werk dat zijn thuis lijkt te hebben gevonden in deze tentoonstelling.

Verzamelaarsechtpaar Ulla en Heiner Pietzsch (de enigen nog in leven) hebben de kunstenaar Max Ernst goed vertegenwoordigd als het zwaartepunt van hun collectie. Naast het surrealisme verzamelden ze ook abstract expressionistische kunst. Een samenkomst van de twee stromingen is te zien in het werk Jeune homme intrigué par le vol d’une mouche non-eclidienne (Jongeman, geintrigeerd door de vlucht van een niet-euclidische vlieg) van Max Ernst. In dit werk heeft Ernst gebruik gemaakt van een nieuwe automatische techniek, oscillatie, waarbij de verf uit een blik met een gat druipt terwijl dit heen en weer geslingerd wordt boven een doek. Deze druipende verf techniek doet direct denken aan werken van Jackson Pollock waardoor het op het randje van abstract expressionisme ligt.

Dé surrealistische schatkamer

surrealisne

Salvador Dalí, White Aphrodisiac Telephone (Witte lustopwekkende telefoon), 1936. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. ©Salvador Dalí, Fundación Gala-Salvador Dalí, c/o Pictoright Amsterdam 2017.

Hoewel in de gethematiseerde ruimte een goede poging wordt gedaan de gekte van het surrealisme tot uiting te brengen, komt deze levendige en speelse stijl pas echt tot leven in de zaal die is gewijd aan Edward James. Waar de andere vertrekken vrij statisch zijn, is dat hier niet het geval. Wellicht heeft dit te maken met de grote vertegenwoordiging van de surrealistische meester Savador Dalí. Zijn shaped canvas is hier te zien, net als de White Aphrodisiac Telephone (Witte lustopwekkende telefoon), de fameuze Mae West Lips Sofa en – ook heel bijzonder- de Champagne Lamps die bestaan uit opeengestapelde champagneglazen. De gekte en speelsheid van het surrealisme komen in deze ruimte het best tot hun recht.
Door de focus te leggen op de verzamelaars ontstaat er enerzijds meer diepgang, anderzijds zorgt het er wel voor dat de levendigheid van deze kunstbeweging niet in alle ruimtes goed tot zijn recht komt. Toch is het een prachtige tentoonstelling waar de werken je verwonderen en je doen wanen in een droom te zijn.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Massaal monumentaal en méér

recensie: Sol LeWitt. A tribute

Het kan verkeren. Terwijl de nieuwe eigenaar van het AEGON-gebouw in Leeuwarden de grote muurschildering van de Amerikaanse kunstenaar Sol LeWitt uit 1989 over laat schilderen, toont het GEM, Museum voor Actuele Kunst in Den Haag tien jaar na diens dood een tribute aan de pionier van de minimal art en de conceptuele kunst.

LeWitt

Sol LeWitt, Ontwerptekening voor plastic draagtasje Haags Gemeentemuseum, 1987, potlood en Oostindische inkt op papier, 46,4 x 42,2 cm. Gemeentemuseum Den Haag.

We zijn natuurlijk min of meer op heilige grond; de gevel van het GEM wordt immers gesierd door geometrische figuren van de meester, en in de hal van het belendende Gemeentemuseum realiseerden LeWitts assistenten muurschilderingen van de kunstenaar. Laten we hopen dat op grond van de documentatie de schildering in Leeuwarden ook ooit weer eens wordt aangebracht.
Wat het GEM toont, is werk van LeWitt zelf en door hem geïnspireerde kunst van vier gerenommeerde kunstenaars. Van LeWitt is bijvoorbeeld de ontwerptekening van de hiervoor genoemde wandschilderingen in het Gemeentemuseum (1970) te zien, naast ontwerpen voor draagtasjes, A2B2C2D2 (1967) dat eerder werd getoond op de eerste minimal art-tentoonstelling in Europa: Minimal art: massaal monumentaal (1968). Inderdaad: in het Gemeentemuseum.

LeWitt

Esther Tielemans (1976), Zonder titel (Pedestal Painting), 2014 Collectie kunstenaar. Foto: Peter Cox

Esther Tielemans en Jose Dávila

LeWitts wandtekening #1024 (2002) beïnvloedde de Nederlandse kunstenaar Esther Tielemans (1976), van wie onder andere Een cirkel is een zacht vierkant 1 (2014) valt te zien. In een ander schitterend werk, Zonder titel (Pedestal Painting, 2014) voegt zij aan de strakheid die minimal art per definitie kenmerkt, een expressieve toets toe die doet denken aan de gouaches Zonder titel (1992) van LeWitt.
Dat minimal art niet stil is blijven staan, en zich nog steeds ontwikkelt, toont een werk in roestvrij staal en autolak van de Mexicaanse kunstenaar en architect Jose Dávila (1974).

LeWitt

Rana Begum (1977), Nr. 342, 2012, Lak en staal, 71 x 61 x 15 cm Courtesy Galerie Christian Lethert

Susan Hefuna en Rana Begum

Een extra laag van geheel andere aard passen zowel de Egyptisch-Duitse Susan Hefuna (1962) als de in Bangladesh geboren Rana Begum (1977) toe. Bij beide kunstenaars speelt hun culturele achtergrond een rol. En uiteraard de invloed van LeWitt.
Bij Hefuna bijvoorbeeld schemert een sociaal-politieke boodschap door, die we ook uit LeWitts werk kennen. Bijvoorbeeld uit de tekst van een Statement dat deel uitmaakte van de hiervoor genoemde eerste minimal art-expositie en die hier weer te zien is. Hierin spreekt de kunstenaar zich uit tegen de politiek van Amerika en voor een kunst, die voor iedereen toegankelijk moet zijn.
Prachtig zijn de geometrische patronen in het werk van Begum, dat zowel verwijst naar minimal art (en overigens ook Mondriaan!) als naar islamitische patronen.

LeWitt

Susan Hefuna (1962), Woman Cairo (Vrouw Caïro), 2010, Hout en zwarte inkt, 200 x 200 cm Courtesy Rhona Hoffman Gallery, Chicago

Op de één of andere manier zorgt deze zorgvuldig door Benno Tempel in samenwerking met Frouke van Dijke samengestelde en ruimtelijk opgezette tentoonstelling ervoor, dat de bezoeker in het verbouwde GEM verder kijkt dan zijn neus lang is; de roosters van de ventilatie of verwarming in de tentoonstellingszaal kun je bijvoorbeeld met gemak in verband brengen met Hefuna’s Woman Cairo (2010).
Het e-book dat bij de tentoonstelling te downloaden is, geeft het geheel een historische context die je bij een fraaie tentoonstelling als deze mag verwachten.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Kunstenaar met een sociale boodschap

recensie: Johan van Hell, op klare toon

In Museum MORE te Gorssel is momenteel een tentoonstelling gewijd aan de kunstenaar en musicus Johan van Hell (1889-1952). De tentoonstelling draagt zijn naam met als toevoeging ‘Op klare toon’. Deze ‘klare toon’ heeft zowel betrekking op zijn werk als beeldend kunstenaar als op zijn werk als musicus. Bij een musicus is die toon wel duidelijk, maar hoe uitte hij dit in zijn schilderwerk en grafiek?

Johan van Hell werd geboren in Amsterdam en volgde daar zijn schilder-, teken- en muzieklessen. Naast het schilderen, was hij tot aan zijn dood werkzaam als tekenleraar op diverse scholen. Verder speelde hij regelmatig als invaller klarinet in het Concertgebouworkest en gaf hij klarinetlessen bij hem thuis. Vanaf 1918 raakte hij actief betrokken bij de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), de jongerenbeweging van de SDAP. De AJC was een socialistische jeugdbeweging, die tot doel had de arbeidersjeugd op te voeden en te ontwikkelen. Hij maakte pamfletten en affiches. In zijn werk probeerde hij kunst voor iedereen toegankelijk te maken, door een herkenbare wereld van alledag te tonen.

Johan van Hell

Opkomend onweer, 1921

Ontwikkeling in stijl

De tentoonstelling geeft in drie zalen een mooi overzicht over het leven van Van Hell. Er wordt aandacht besteed aan zijn vroege en latere schilderwerk, zijn grafiek en zijn liefde voor muziek. Dit laatste komt tot uitdrukking door de vele schilderijen waarop muzikanten worden afgebeeld. Tot ongeveer 1925 schilderde Van Hell voornamelijk portretten en landschappen, waarin hij duidelijk nog op zoek is naar zijn eigen stijl. Daarna is er een verandering te zien in zowel zijn manier van schilderen als de keuze van zijn onderwerp. Zijn thematiek hangt nauw samen met zijn socialistische overtuiging en zijn werkzaamheid tijdens de crisisjaren (1929-1940). Van Hell schilderde deze beelden in zijn eigen gestileerde stijl. Hoewel zijn geometrische composities raakvlakken hebben met De Stijl en het Constructivisme, blijven zijn figuren herkenbaar. Dat had ook te maken met het feit dat kunst voor hem toegankelijk moest blijven voor de gewone mens. Vanaf 1940 kiest Van Hell voor meer levendige en gedetailleerde schildertrant. De tentoonstelling zet hiervan een goed overzicht neer. Je ziet duidelijk de tijdgeest van deze jaren in Amsterdam. Van Hell portretteerde de mensen van de straat. Vaak maakte hij ook litho’s van zijn schilderwerken, om ze toegankelijk te maken voor minder draagkrachtigen.

Straatmuzikanten,1930 Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Straatmuzikanten, 1930, Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Crisisjaren

Het schilderij Man met sandwichbord uit 1922 is het eerste werk waar Van Hell zijn betrokkenheid bij de arme stedeling laat zien. Lopen met een sandwichbord doe je alleen als de nood groot is. Amsterdam wordt op dat moment geteisterd door armoede en werkeloosheid. Het is een somber schilderij. De houding van de man en zijn gezicht laten een en al treurigheid zien. De klompen verwijzen naar armoede, die droeg je alleen als je geen geld had om schoenen te kopen. Het gezicht van de man, de achtergrond, de straat en de klompen tonen duidelijk kubistische invloeden.

De wereldwijde economische crisis die in 1929 ook Nederland trof, veroorzaakte veel werkloosheid.
Vooral arbeiders werden getroffen. De werklozensteun die zij kregen was laag en daarom probeerden zij op allerlei manieren wat bij te verdienen, bijvoorbeeld als straatverkoper, acrobaat of muzikant. De schilderijen: Olieman (1928), Straatmuzikanten (1930), Acrobaten ( 1935) en Fruitkar (1936) tonen duidelijk zijn stijl en thematiek in heldere kleuren.

Fruitkar, 1936, Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Fruitkar, 1936, Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Op klare toon

Van Hell gaf door middel van zijn onderwerpkeuze duidelijk zijn socialistische opvattingen weer. Een combinatie van verhalende kunst weergegeven in heldere kleuren, vorm en inhoud. Hij liet geen groot oeuvre achter, omdat hij aan zijn dubbele talent, kunst en muziek, evenveel aandacht schonk. Ondanks het feit dat zijn werk geen vrolijk onderwerp heeft, wekken de meeste werken, door veel gebruik van felle primaire kleuren, geen verdrietige emoties op.

Reageer op dit artikel