Berichten

Boeken / Non-fictie

Wie niet sterk is, moet slim zijn

recensie: Luc Panhuysen - Oranje tegen de Zonnekoning​

Als herdersjongen versloeg koning David, het favoriete Bijbelpersonage van Willem III, de reus Goliath met een steen. Luc Panhuysen (1962) beschrijft in zijn schitterende boek ​Oranje tegen de Zonnekoning​. ​De strijd van Willem III en Lodewijk XIV om Europa, welk wapen Willem zelf gebruikte: coalitievorming.

Historicus Panhuysen, bekend van zijn klassiekers Rampjaar 1672 (2009) en De Ware Vrijheid (2005), is een rasverteller. Met behulp van omvangrijk bronmateriaal wekt hij de protagonisten op toegankelijke wijze tot leven alsof je er zelf tussen staat. Je voelt bijna de siddering van het Franse publiek tijdens Lodewijks immense vuurwerkshow en je ruikt haast de bezwete paarden wanneer Willem terugkeert van zijn jachtgronden.

Glorie

Tijdens de Fronde van 1649 moest Lodewijk XIV (1638-1715) Parijs ontvluchten. Hij leerde dat een koning nooit in de stad kan wonen, maar alleen daarbuiten machtig en veilig kan zijn. Na zijn kroning in 1654 veranderde Lodewijk in de Zonnekoning, wiens gloire (glorie) afhing van de veiligheid van het koninkrijk én van zijn veroveringen op het slagveld. Voor Lodewijk vormden de Spaanse Nederlanden het perfecte toneel voor de verwerving van glorie en veiligheid.

Ook zijn, tot dan toe onbeduidende tegenstrever Willem III (1649-1702), was door veiligheid geobsedeerd. Willem stelde zich de fortificatie van de Spaanse Nederlanden ten doel. Hoewel Willem na 1672 machtiger was dan alle stadhouders voor hem, kon hij zich nooit aan de diepgewortelde Nederlandse overlegcultuur onttrekken. Toen Amsterdam in 1683 weigerde tegen Frankrijk te vechten haalde de prins bakzeil.

Pragmatisch politicus

Daarin schuilt volgens Panhuysen het grote verschil tussen de beide kemphanen. Terwijl Lodewijk als absoluut vorst telkens zijn zin kon doordrijven, was Willem afhankelijk van (inter)nationale coalities om Frankrijk te kunnen weerstaan. Die coalities legden hem overigens geen windeieren. Door de Haagse Alliantie van 1673 en de Grote Alliantie van 1689, werd de macht van Lodewijk op beslissende momenten ingeperkt.

Na het overlijden van Karel II van Engeland in 1685, kwam zijn kinderloze broer Jacobus op de troon. Als katholiek bevoordeelde Jacobus echter schaamteloos zijn geloofsgenoten, waardoor zijn populariteit in het anglicaanse Engeland rap afnam. Willem begon een openlijke propaganda campagne om samen met zijn Engelse vrouw Mary de troon over te nemen. Panhuysen laat goed zien hoe de pragmatische politicus Willem daarin slaagde.

Historische concessie

Allereerst beloofde hij volledige vrijheid van geweten, ook voor katholieken. Hieruit bleek Willems streven naar een brede machtsbasis, zo stelt Panhuysen. Maar Willem deed nog iets bijzonders. Hij liet het Engelse parlement meedenken over staatszaken, waardoor het medeplichtig werd. Het klapstuk vormde de Triennial Act. De koning was voortaan verplicht om ten minste één keer in de drie jaar het parlement voor minimaal vijftig dagen bijeen te brengen. Door nieuwe belastingwetten kwam het economische potentieel van Engeland tot bloei én nam de slagkracht van het leger toe. De Act of Settlement (protestantse troonopvolging), die nog steeds geldt, en de Bill of Rights zorgden voor een duurzame ontwikkeling van de constitutionele monarchie.

In zijn kenmerkende frivole stijl, beschrijft Panhuysen hoe Frankrijk ondertussen steeds verder in verval raakte. Tussen 1693-1694 stierven twee miljoen mensen van de honger. De verkoop van openbare ambten om zijn legers te financieren werkte averechts. De belastingopbrengsten liepen sterk terug. Na de dood van Willem in 1702, leed Lodewijk op het slagveld een aantal gevoelige nederlagen, waarvan hij God de schuld gaf. Vlak voor zijn dood drukte hij zijn kleinzoon zelfs op het hart ‘in vrede met de buren te leven.’ Een opmerkelijke uitspraak van een man die zichzelf als Zonnekoning ooit als het stralende middelpunt van de wereld waande.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Wie niet sterk is, moet slim zijn

recensie: Luc Panhuysen - Oranje tegen de Zonnekoning​

Als herdersjongen versloeg koning David, het favoriete Bijbelpersonage van Willem III, de reus Goliath met een steen. Luc Panhuysen (1962) beschrijft in zijn schitterende boek ​Oranje tegen de Zonnekoning​. ​De strijd van Willem III en Lodewijk XIV om Europa, welk wapen Willem zelf gebruikte: coalitievorming.

Historicus Panhuysen, bekend van zijn klassiekers Rampjaar 1672 (2009) en De Ware Vrijheid (2005), is een rasverteller. Met behulp van omvangrijk bronmateriaal wekt hij de protagonisten op toegankelijke wijze tot leven alsof je er zelf tussen staat. Je voelt bijna de siddering van het Franse publiek tijdens Lodewijks immense vuurwerkshow en je ruikt haast de bezwete paarden wanneer Willem terugkeert van zijn jachtgronden.

Glorie

Tijdens de Fronde van 1649 moest Lodewijk XIV (1638-1715) Parijs ontvluchten. Hij leerde dat een koning nooit in de stad kan wonen, maar alleen daarbuiten machtig en veilig kan zijn. Na zijn kroning in 1654 veranderde Lodewijk in de Zonnekoning, wiens gloire (glorie) afhing van de veiligheid van het koninkrijk én van zijn veroveringen op het slagveld. Voor Lodewijk vormden de Spaanse Nederlanden het perfecte toneel voor de verwerving van glorie en veiligheid.

Ook zijn, tot dan toe onbeduidende tegenstrever Willem III (1649-1702), was door veiligheid geobsedeerd. Willem stelde zich de fortificatie van de Spaanse Nederlanden ten doel. Hoewel Willem na 1672 machtiger was dan alle stadhouders voor hem, kon hij zich nooit aan de diepgewortelde Nederlandse overlegcultuur onttrekken. Toen Amsterdam in 1683 weigerde tegen Frankrijk te vechten haalde de prins bakzeil.

Pragmatisch politicus

Daarin schuilt volgens Panhuysen het grote verschil tussen de beide kemphanen. Terwijl Lodewijk als absoluut vorst telkens zijn zin kon doordrijven, was Willem afhankelijk van (inter)nationale coalities om Frankrijk te kunnen weerstaan. Die coalities legden hem overigens geen windeieren. Door de Haagse Alliantie van 1673 en de Grote Alliantie van 1689, werd de macht van Lodewijk op beslissende momenten ingeperkt.

Na het overlijden van Karel II van Engeland in 1685, kwam zijn kinderloze broer Jacobus op de troon. Als katholiek bevoordeelde Jacobus echter schaamteloos zijn geloofsgenoten, waardoor zijn populariteit in het anglicaanse Engeland rap afnam. Willem begon een openlijke propaganda campagne om samen met zijn Engelse vrouw Mary de troon over te nemen. Panhuysen laat goed zien hoe de pragmatische politicus Willem daarin slaagde.

Historische concessie

Allereerst beloofde hij volledige vrijheid van geweten, ook voor katholieken. Hieruit bleek Willems streven naar een brede machtsbasis, zo stelt Panhuysen. Maar Willem deed nog iets bijzonders. Hij liet het Engelse parlement meedenken over staatszaken, waardoor het medeplichtig werd. Het klapstuk vormde de Triennial Act. De koning was voortaan verplicht om ten minste één keer in de drie jaar het parlement voor minimaal vijftig dagen bijeen te brengen. Door nieuwe belastingwetten kwam het economische potentieel van Engeland tot bloei én nam de slagkracht van het leger toe. De Act of Settlement (protestantse troonopvolging), die nog steeds geldt, en de Bill of Rights zorgden voor een duurzame ontwikkeling van de constitutionele monarchie.

In zijn kenmerkende frivole stijl, beschrijft Panhuysen hoe Frankrijk ondertussen steeds verder in verval raakte. Tussen 1693-1694 stierven twee miljoen mensen van de honger. De verkoop van openbare ambten om zijn legers te financieren werkte averechts. De belastingopbrengsten liepen sterk terug. Na de dood van Willem in 1702, leed Lodewijk op het slagveld een aantal gevoelige nederlagen, waarvan hij God de schuld gaf. Vlak voor zijn dood drukte hij zijn kleinzoon zelfs op het hart ‘in vrede met de buren te leven.’ Een opmerkelijke uitspraak van een man die zichzelf als Zonnekoning ooit als het stralende middelpunt van de wereld waande.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Spannend en leerzaam

recensie: Het verlies van België: de strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830

Na diverse boeken over zijn grote held Napoleon te hebben geschreven, stort Johan Op de Beeck zich in Het verlies van België op de Belgische onafhankelijkheidsstrijd van 1830.

De uitkomst van het boek is al op voorhand bekend: een van Nederland onafhankelijk België. De ruim vierhonderd pagina’s van Het verlies van België beschrijven de aanloop naar die onafhankelijkheid, grofweg de periode van 1815 tot 1830. Ondanks de voor ons bekende uitslag, weet Op de Beeck er een razend spannend boek van te maken.

Hij doet dat door zich te richten op één figuur: Louis De Potter. Deze vrijzinnige liberaal, met zijn scherpe pen en dito politieke inzichten, is vanaf het begin een spilfiguur in de Belgische onafhankelijkheidsstrijd. Met zijn scherpe pen en overredingskracht weet hij, veelal via artikelen in kranten, een grote aanhang te verwerven.

De Potters leven staat vrijwel volledig in het teken van zijn politieke strijd. Het is des te tragischer dat hoe dichterbij het moment komt dat hij zijn idealen kan verwezenlijken, hij meer en meer naar de marge van het politieke spel wordt gedrukt. Uiteindelijk neemt hij de conceptie en de geboorte van België waar vanuit Parijs, voor politieke medestanders – of zijn het tegenstanders – volledig buitenspel gezet omdat zijn idealen té progressief waren. De Potter was een scherpe denker maar had helaas weinig kaas gegeten van het cynische machtsspel dat politiek ook kan zijn.

Katholieken en liberalen


Na de nederlaag van Napoleon werd in 1815 België door de Europese grootmachten bij Nederland gevoegd. Zo kan dat nieuwe land een tegenwicht vormen tegen Frankrijk, mocht dat land het opnieuw op zijn hielen krijgen en de rest van Europa bedreigen.

Al snel na die toevoeging van België bij Nederland ontstond in België onvrede. De taal was het eerste struikelblok: de Nederlandse koning Willem I wilde dat Nederlands de voertaal werd in heel zijn rijk, althans op bestuurlijk niveau. De Belgische elite van waaruit de meeste ambtenaren afkomstig waren, spraken Frans – ook in Vlaanderen.

Ook de katholieke geestelijken joeg de koning al snel tegen zich in het harnas. De jezuïeten, die van oudsher het onderwijs in België verzorgden, werden uit die invloedrijke positie gezet. De staat – niet de Kerk – moest het onderwijs verzorgen.De jezuïeten vertrokken naar Frankrijk, vanwaar zij oppositie zouden blijven voeren tegen het nieuwe bewind in hun vaderland.

Ook de liberalen hadden zo hun bezwaren. De Potter, een van hun bekendste voormannen, zette zich samen met zijn geestverwanten in voor een liberaler beleid van de koning. Zij eisten meer macht voor het parlement, meer democratie, meer burgerrechten en een betere waarborging van de persvrijheid.

Het geluk voor Willem I was dat de liberalen en katholieken uiteraard niet door een deur konden. Een liberaal punt van kritiek op de koning was dat hij te laks was ten aanzien van de katholieken, die zij als tegenstanders van de (politieke) modernisering zagen.

Revolutie


Het boek is voor een groot deel een vlot geschreven illustratie van hoe een revolutie werkt. Op de Beeck zet helder uiteen hoe de belangen van al deze verschillende groepen op elkaar inspelen – de ene keer sluiten groepen een verbond, de andere keer worden ze tegen elkaar uitgespeeld. Zodra belangrijke posities binnen handbereik zijn, worden politieke geestverwanten die lang samen optrokken, plotseling elkaars felste concurrenten. Niet alleen politieke idealen, geopolitieke overwegingen en economische belangen spelen een rol, ook persoonlijke ijdeltuiterij en machtswellust blijken in de geschiedenis vaak van doorslaggevende betekenis.

Het boek is een interessante geschiedenisles – zeker voor veel Nederlanders, voor wie deze geschiedenis voor een groot deel onbekend terrein is, is het geen overbodige luxe. Maar Op de Beeck houdt in de epiloog ook een persoonlijke pleidooi voor de idealen waar De Potter voor streed. Refererend aan de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo, laat hij zien dat ze ook nog altijd actueel zijn. Want, zo zegt hij met De Potter,

‘het enige wapen tegen een meningsuiting is een andere meningsuiting.’

De Belgische grondwet moet volgens Op de Beeck onderwezen worden op school en in het hart van iedere Belg gedragen worden, ‘een beetje als eerbetoon aan de idealen van 1830, maar vooral als instrument en wapen in onze hedendaagse en nog steeds noodzakelijke strijd om vrijheid, gelijkheid en onafhankelijkheid.’

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

De vulkaan heeft het gedaan

recensie: Alberto Angela - De laatste drie dagen van Pompeii

De uitbarsting van de Vesuvius: we hebben er allemaal op school over geleerd, en wellicht weten velen ook dat die in het jaar 79 na Christus plaatsvond. Maar wat er tijdens die verschrikkelijke uren allemaal gebeurde in Pompeii en omgeving, daarover weten we veel minder. En daar brengt dit knappe, goede gedocumenteerde boek verandering in.

Het gebeurt maar zelden dat een boek met zo’n warm onderwerp zo ijzingwekkend verteld wordt. Alberto Angela is een meester in zijn vak: hij bouwt naar het moment van de uitbarsting op zoals in films gebeurt wanneer een bom met een aftelsysteem in beeld wordt gebracht. De hoofdstukken beginnen met mededelingen als ’44 uur voor de uitbarsting’, ‘1 minuut voor de uitbarsting’, ‘2 uur na de uitbarsting’. En telkens wordt dan haarfijn uitgelegd wat er op die noodlottige momenten gebeurde. Dat is heel wat, en het wordt adembenemend beschreven. Zo leren we hoe de beboste top van de Vesuvius erbij lag net voor de uitbarsting:

‘De jager heeft de indruk dat hij door een betoverd bos loopt. Hij hoort alleen het geluid van zijn eigen stappen en langzaam maar zeker nadert hij het midden van de oude caldera van de vulkaan. De geur van zwavel en rotte eieren wordt steeds sterker (…) Er klinkt ook een vreemd geluid, een voortdurend krachtig gesis.’

Gloeiendheet gas

We komen heel veel te weten over die noodlottige uitbarsting. Bijvoorbeeld dat de rookkolom na de uitbarsting een hoogte van maar liefst 24 kilometer bereikte. Of dat de lavastromen gevolgd werden door een door een wolk van gloeiendheet gas (500 graden), dat geluidloos iedereen op zijn pad ter plekke tot as herleidde. Onder meer een groep mensen die beschutting gezocht had in grotten bij het strand en er van uitging dat ze veilig was. Daarnaast komen we ook heel wat leuke zaken te weten over het dagelijks leven in Pompeii. Bijvoorbeeld dat mensen in die tijd hun bedprestaties trots op de muren schreven. Of dat er toen ook al cafés bestonden, of beter: ruimtes met grote tonnen vol drank en voedsel, waar iedereen het zijne kon uithalen.

Historische sensatie?

Is De laatste drie dagen van Pompeii een onversneden meesterwerk? Nee, het boek heeft twee minpunten. Ten eerste is het op sommige momenten wat langdradig (de auteur geeft bijvoorbeeld niet een paar voorbeelden van de dingen die bewoners destijds op de muren kalkten, hij geeft er meteen tientallen). Ten tweede past Angela een nogal belegen kunstgreep toe om de sfeer levendiger voor te stellen. Hij probeert namelijk de sfeer in Pompeii te schetsen en ons medeleven met de bewoners te vergroten door ‘echte’ personen op te voeren: een bakker die een bestelling wegbrengt, een loodgieter die een disfunctionerend aquaduct bestudeert. Dit is het soort belegen geschiedschrijving die bij de lezer de zogenaamde ‘historische sensatie’ moet opwekken (het gevoel er zelf bij te zijn), maar eigenlijk gewoon potsierlijk overkomt omdat het pure willekeur is.

Maar dat is muggenzifterij. En daarbij komt dat die fragmenten wel helpen om het verhaal te verlevendigen. Maar het had niet gehoeven, omdat de uitbarsting zelf, de aanloop er naartoe en de nasleep lezen als een echte thriller, waarbij dergelijke kunstgrepen niet nodig zijn. Dus laat dat zeker de ‘pret’ niet drukken.

Reageer op dit artikel

Herfsttij der middeleeuwen
Boeken / Non-fictie

Het verleden vergeten?

recensie: Johan Huizinga - Herfsttij der middeleeuwen
Herfsttij der middeleeuwen

Herfsttij der middeleeuwen is een van de bekendste, zo niet hét bekendste geschiedkundig werk van de Lage Landen. Een toonbeeld van eruditie, een magnum opus van een geleerde met een fascinatie voor het Avondland. Helaas is het ook een boek dat heel sterk in zijn tijd is ingebed, waardoor ook deze nieuwe editie nauwelijks nog leesbaar is. Zeker omdat ervoor werd gekozen de oorspronkelijke taal van de auteur te hanteren.

Het is natuurlijk een moeilijke spagaat. Kies je ervoor om deze cultuurhistorische klassieker in een hedendaagse Nederlandse hertaling uit te geven, dan ontdoe je het meteen van zijn eigenheid en van de unieke stem van zijn auteur Johan Huizinga. Geef je het uit in de oorspronkelijke taal, zij het minimaal opgepoetst, dan krijg je een hermetisch resultaat. Men koos voor het laatste, en dan ook nog eens zonder de illustraties uit vorige edities – een echte misvatting. Zeker omdat Huizinga voortdurend verwijst naar schilderijen, miniaturen en dergelijke, en de schilderkunst expliciet als basis gebruikt om de middeleeuwse leefwereld op te roepen. Het resultaat is een dichtbedrukt werk met nauwelijks ademruimte. Welk lezerspubliek de uitgever hier voor ogen had, is me een raadsel. Zeker omdat men in de inleiding de wens uitspreekt zoveel mogelijk mensen te bereiken.

Grote zwakte

Herfsttij der middeleeuwen heeft natuurlijk zijn verdiensten. Het is verbluffend te zien hoe iemand zo erudiet kon zijn. Huizinga durfde het aan om zijn uitgangspunt – de teloorgang van de middeleeuwse maatschappij en de kiemen van de renaissance, die erop zou volgen – in één alomvattende, monumentale studie te concentreren. Bovendien is de ambitie om in de hoofden van de toenmalige (hoofse) mensen te kruipen al even indrukwekkend. Maar wie als eigentijdse historicus het boek leest, ziet daarin ook de grote zwakte. Het is nogal vooringenomen om de 14e en 15e eeuw te zien als het einde van een tijdperk en vervolgens alle feiten te verzamelen die dat bevestigen. Terwijl de werkelijkheid uiteraard veel genuanceerder is.

Haast poëtisch

Daarom is Herfsttij der middeleeuwen vooral interessant als historiografisch werk – een voorbeeld van hoe men vroeger aan geschiedschrijving deed. Men ging op zoek naar de emotie en historische sensatie en schreef verhalend en nauwelijks objectief. Dit boek is dus zelf een historisch document geworden. Maar als literatuur is het, in deze uitgave, anno 2016 nauwelijks te behappen. Op hier en daar een haast poëtische, ritmische beschouwing na. Want hoe men het ook draait of keert, dat Huizinga in zijn tijd en discipline een taalvirtuoos was, daar kan niemand onderuit:

‘In de pastorale verbeeldt zich de positieve tegenstelling van het hoofse leven; de negatieve uiting is de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van het aristocratische levensideaal, hoe en waar men het dan ook ontvluchten wil: in studie, in eenzame rust, in arbeid.’

Reageer op dit artikel

Latijn - Jan Bloemendal
Boeken / Non-fictie

Dode taal, wegkwijnend boek

recensie: Jan Bloemendal - Latijn. Cultuurgeschiedenis van een wereldtaal
Latijn - Jan Bloemendal

Latijn is wellicht de taal met de rijkste geschiedenis en de grootste impact: zowel het christendom en het Romeinse Rijk als de literatuur en wetenschap van de middeleeuwen en renaissance hebben er alles aan te danken. Maar dit boek slaagt er niet in die allesbepalende rol te vatten.

Hoe het Latijn erin slaagde om te evolueren van taal van een lokale boerengemeenschap tot een absolute wereldtaal die anno 2016 nog steeds wordt gebruikt (zij het uiteraard in véél bescheidener mate), blijft een heel fascinerend gegeven. Auteur Jan Bloemendal slaagt er in de eerste drie hoofdstukken van Latijn mooi in die evolutie te schetsen. Hier toont het boek ook zijn grootste sterkte: anekdotes. Zo is bijvoorbeeld te lezen dat boeken vroeger zonder uitzondering hardop werden gelezen. Toen bisschop Ambrosius van Milaan als eerste een boek in stilte las, verbaasde hij dan ook vriend en vijand. En wist je dat de handen van middeleeuwse monniken tijdens het kopiëren het perkament niet mochten raken zodat het niet vettig zou worden? Dit maakte het nog meer tot monnikenwerk! Ook een interessant feitje is dat de nonsensicale uitdrukking ‘hocus pocus’ (wellicht) is afgeleid van het Latijnse ‘Hoc est enim corpus meum’ (‘Dit is mijn lichaam’).

Prediken

Helaas staan er in het boek veel te weinig van dergelijke leerrijke weetjes. Mede daarom boeit Latijn minder dan verhoopt. Maar er zijn nog enkele oorzaken. Ten eerste vervalt de auteur al te vaak in herhalingen en – toegegeven – onvermijdelijke overlappingen. Dat een bepaald woord uit de administratie is afgeleid van het Latijn kan nog eens een boeiend weetje zijn. Als vervolgens tientallen van die woorden worden opgesomd, vraag je je echter al snel af wat daar het nut van is. Ook de opsomming van hele reeksen boekwerken over een bepaald thema gaat vervelen, zeker als enkele voorbeelden volstaan.

Ten tweede gebruikt de auteur zijn onderwerp regelmatig als springplank om een heus belerend toontje aan te slaan. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer hij het over het begrip ‘humanitas’ (menselijkheid) heeft. Pagina’s lang wijdt hij uit over charitas, de Barmhartige Samaritaan, de waarden van de Europese Unie, enzovoort. Het lijkt wel alsof hij de lezer wil aansporen beter te gaan leven. Zou het feit dat zijn vrouw, die bedankt wordt in het nawoord en theoloog en predikante is, daar iets mee te maken hebben? In elk geval geeft het de indruk dat Bloemendal niet voldoende stof had om zijn bladzijden te vullen. En dat voor een taal met een geschiedenis van ruim 2500 jaar.

SPQR

Kortom, een boek over een dode taal dat opleeft wanneer er fijne anekdotes aan bod komen, maar weer wegsterft als de preekstoel of herhalingen worden bovengehaald. Het resultaat is een gemiste kans. Voor liefhebbers van de Latijnse cultuur raden we dan ook veeleer het alomvattende en fantastisch geschreven, recent verschenen SPQR van Mary Beard aan.

 

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

De onmisbaarheid van Churchill

recensie: Boris Johnson
 - De Churchill factor

Er zijn twee soorten historici: zij die menen dat vooral economische krachten of technologische ontwikkelingen de geschiedenis bepalen en zij die denken dat individuen dat doen. Volgens Boris Johnson is Winston Churchill het ultieme bewijs dat die laatste groep gelijk heeft: “Hij – en hij alleen – heeft het verschil gemaakt.”

Aan de vooravond van de afgelopen eeuwwisseling verkoos Time Magazine Albert Einstein tot persoon van de eeuw. De beroemde Amerikaanse columnist Charles Krauthammer was het daar niet mee eens. Niet Einstein maar Winston Churchill was volgens hem de belangrijkste man van de twintigste eeuw. Hij beschikt namelijk, in tegenstelling tot Einstein, over een essentieel criterium: onmisbaarheid.

Einsteins bijdragen aan de wereld zouden zonder zijn bestaan door andere mensen gedaan zijn – hetzij wat later. Maar zonder Churchill zou de wereld er heel anders (lees: slechter) hebben uitgezien.

De Churchill factor

Boris Johnsons De Churchill factor is één grote onderbouwing van de onmisbaarheid van Churchill. Wat maakte hem zo belangrijk? Volgens Johnson ligt een groot deel van dat antwoord besloten in Churchills persoonlijkheid, in wat hij de Churchill factor noemt. Het was een man met een enorme geldingsdrang en groot doorzettingsvermogen. Hij was moedig, koppig en onvermoeibaar: hij bekleedde verschillende ministerposten, was twee keer premier van het Verenigd Koninkrijk, schreef meer dan Dickens en Shakespeare samen en won de Nobelprijs voor de Literatuur.

Churchills karaktereigenschappen resulteerden ook vaak in roekeloosheid en schaamteloos opportunisme. Hij maakte diverse politieke blunders door zijn roekeloze optredens: de militaire catastrofe van Gallipoli waarbij honderdduizenden geallieerden het leven lieten zonder enig succes te boeken is hiervan slechts één voorbeeld (Johnson somt een hele lijst op).

Ook was Churchill niet altijd even loyaal – zeker niet richting zijn conservatieve partij, de Tory’s. Het eigenbelang ging boven dat van de partij. Als het hem beter uitkwam, stapte hij over naar de liberalen. Het ging Churchill, zo zegt Johnson, met name om Churchill. Maar op het belangrijkste moment van zijn politieke bestaan (en misschien wel van de hele twintigste eeuw), kwamen deze karaktereigenschappen erg goed van pas.

Op het juiste moment op de juiste plaats

De omstandigheden maken niet de man, zoals een bekend gezegde luidt, ze leggen slechts zijn kwaliteiten bloot. Dat gold zeker voor Churchill. Toen Hitler aan zijn opmars in Europa bezig was en niet te stuiten leek, waren veel hooggeplaatste Britse politici ervan overtuigd dat met de nazi’s een akkoord gesloten moest worden. Churchill, de kersverse premier, weigerde. Dat stuitte op veel verzet – ook binnen zijn eigen partij. Churchill hield koppig vast aan wat hij wist dat het beste was, ondanks de risico’s die daaraan verbonden waren. Johnson benadrukt dat we het aan Churchill te danken hebben dat die deal met Hitler nooit gesloten werd.

Met die koppigheid heeft Churchill een stevige stempel op de geschiedenis gedrukt. Als de Britten hadden opgegeven, zouden de nazi’s zich volledig op de Sovjet-Unie hebben kunnen richten en, ontlast van militaire inspanningen tegen de Britten, wellicht hebben kunnen zegevieren. Johnson acht het onwaarschijnlijk dat de Amerikanen zich dan nog zouden hebben ingezet voor de bevrijding van Europa. Dat het zover niet heeft kunnen komen danken we aan de vastberadenheid van Churchill.

Kritiek

Na lange tijd als een soort heilige te zijn behandeld, is er de laatste jaren weer meer kritiek op Churchill. Vooral zijn neerbuigende uitlatingen over andere volkeren en vrouwen zorgen, op z’n zachtst gezegd, voor een hoop ongemak. Johnson geeft inderdaad toe dat Churchill dingen heeft gezegd die vandaag de dag niet meer door de beugel kunnen. Maar alle emancipatoire vooruitgang in de laatste decennia was zonder Churchill niet mogelijk geweest, zo pareert Johnson de kritiek. Juist het feit dat we in een liberale democratie leven heeft ervoor gezorgd dat we zijn uitspraken over vrouwen, laagbegaafden en andere volkeren niet meer vinden kunnen. Johnson: “En dat is afdoende om zijn critici voorgoed de mond te snoeren: geen van die veranderingen zouden vanzelfsprekend zijn geweest als Engeland bezweken was voor de dreiging van de nazi’s.”

Op eenzelfde manier pareert Johnson de kritiek op Churchills onbuigzame imperialisme (hij was een tegenstander van de onafhankelijkheid van India). Paradoxaal genoeg heeft de overwinning van de idealen van vrijheid en democratie, waar Churchill zo hard voor vocht, ook het einde van het imperialisme ingeluid.

Dat Churchill zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in de overwinning van vrijheid en democratie, pleit hem natuurlijk niet volledig vrij. Maar het plaatst alle kritiek wel in perspectief. Want is er iemand die serieus gelooft dat democratie tegenwoordig de meest voorkomende bestuursvorm zou zijn als Hitler of Stalin had gewonnen? Churchill mag dan bij tijd en wijle een onbeschaafd man zijn geweest, dat hij een cruciale bijdrage heeft geleverd aan de overwinning van de beschaving is wat werkelijk telt.

Meeslepend pleidooi

Johnsons boek is geen academisch werk maar een bevlogen pleidooi voor de grootsheid van zijn persoonlijke held. Dat levert een zeer leesbaar boek op dat met een enorme vaart geschreven is. Met zijn enthousiaste schrijfstijl wil hij de lezer in de huid van Churchill laten kruipen. Soms schiet hij hierin door en wordt het een beetje kinderlijk, zoals wanneer hij ons deelgenoot wil maken van Churchills huwelijksaanzoek: “Laten we op onze tenen over het mos achter het gebouw lopen en kijken of we kunnen horen wat ze zeggen. Sssst.”

Dit mag echter geen beletsel zijn om het boek te lezen. Johnson slaagt er namelijk wel degelijk in de lezer kennis te laten maken met de persoon Churchill en laat tevens zien dat er tussen persoon en politicus geen verschil zit: “Met zijn belachelijke hoeden, hansoppen, sigaren en excessieve alcoholgebruik zag Churchill fysiek kans om de kern van zijn politieke filosofie te vertegenwoordigen: het onvervreemdbare recht van de Britten om hun leven in vrijheid te leven, om hun eigen gang te gaan.”

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Museum van individuele verhalen

recensie: Nationaal Holocaust Museum i.o.

Zelfs in de eerste fase van het Nationaal Holocaust Museum in Amsterdam vallen al drie dingen op: het is een lieu de mémoire, een museum en er worden bijzondere evenementen georganiseerd. Of, zoals het museum in een flyer zelf zegt: het NHM vertelt, toont, verdiept en verbindt.

De binnenplaats van het Nationaal Holocaust museum

De binnenplaats van het Nationaal Holocaust Museum

Vertelt

Wat wordt verteld is natuurlijk het verhaal van de Holocaust (Shoah), in een gebouw dat je gerust een lieu de mémoire mag noemen: een cultureel geheugen, een plaats waar ‘het’ gebeurde.
Het museum is vooralsnog gehuisvest op de begane grond van wat vanaf 1907 de Hervormde Kweekschool aan de Amsterdamse Plantage Middenlaan was. Vanaf 1942 was het tevens een dependance van de Hollandsche Schouwburg aan de overkant van de straat.
Een heg scheidde het schoolplein van de achtergelegen crèche. De directeur van de school, Johannes van Hulst, stond toe dat kinderen tussen de middag over de heg werden getild en in de school een middagslaapje deden. Zo konden zeshonderd kinderen van deportatie naar Westerbork worden gered. Tekstborden met foto’s op het voormalige schoolplein vertellen dit verhaal.

Jeroen Krabbé schildert De ondergang van Abraham Reiss

Jeroen Krabbé werkt aan het schilderij Amsterdam – april 1942, Jekerstraat 14-3. Foto Hans de Bruijn

Toont

Wat wordt getoond is op dit moment niet alleen het indrukwekkende werk Adressen (2013) van Bart Domburg, maar ook negen monumentale schilderijen van Jeroen Krabbé over de ondergang van Abraham Reiss, zijn grootvader, en de film die Paul Haenen over de totstandkoming hiervan maakte.
Domburg schreef met een fineliner straatnamen en huisnummers op van adressen waarvandaan Joden werden weggehaald en gedeporteerd. Het werk loopt vooruit op een tentoonstelling die vanaf augustus te zien zal zijn, over het digitale Joods Monument. Daarnaast zal vanaf oktober een expositie met videokunst te zien zijn.

Jeroen Krabbé, 6, 7, 8 juli 1943. Gemengde technieken, 150 x 220 cm, 2010

Jeroen Krabbé, 6, 7, 8 juli 1943. Gemengde technieken, 150 x 220 cm, 2010

Verdiept

De tentoonstelling met het werk van Krabbé is al eerder te zien geweest in De Fundatie in Zwolle, maar nu wordt er verdieping bij aangebracht in de vorm van persoonlijke documenten, en maquettes die holocaustoverlever Jules Schelvis maakte van Sobibor. Veel afbeeldingen zijn gebaseerd op foto’s in een album van Greet Reiss, één van de kinderen van Abraham Reiss, dat via een touchscreen valt door te bladeren. ‘Het ergste is gebeurd’, schrijft ze op 6 juli 1943 over de deportatie van hun vader naar Westerbork en uiteindelijk naar Sobibor.
Het museum wil vooral zulke verhalen van individuele mensen laten zien. Maar ook dat van de aanloop naar de Shoah en de verwerking ervan erna. Het feit dat dit in de voormalige Hervormde Kweekschool gebeurt, wil uitdragen dat er ook hoop is zolang er mensen zijn die tegen gruwelen in beweging komen. Voorwaar een actueel thema.

Verbindt

De actualiteit zit momenteel letterlijk op de bovenverdiepingen van het museum, die er in een later stadium bij getrokken zullen worden. Daar zijn ateliers gehuisvest van kunstenaars met een vluchtelingenstatus. De kunstenaarsbroedplaats Ondertussen zal zich enkele keren per jaar in het NHM manifesteren. De eerste keer zal dat op 4 en 5 juni zijn, van 11.00-17.00 uur.

Zo verbindt het NHM niet alleen heden en verleden, maar ook geschiedenis en actualiteit op een manier die nu al, met wat er wordt verteld en getoond indruk maakt. Daarbij kunnen bruiklenen worden ontleend aan en kan worden aangesloten op wat in andere plekken binnen het Joods Cultureel Kwartier aanwezig is en gebeurt: de Hollandsche Schouwburg aan de overkant, het Joods Historisch Museum, het Joods Historisch kindermuseum en de Portugese Synagoge.
Zo’n conglomeraat is misschien ook wel een voorwaarde, wil een museum in het huidige tijdsgewricht überhaupt van de grond komen. Waarbij aangetekend kan worden, dat het eigenlijk vreemd is dat Nederland nog niet een overkoepelend museum als dit had.

 

Reageer op dit artikel

Klooster
Boeken / Non-fictie

Monnikenwerk

recensie: Philip Holt - Schiere monniken en grijze vrouwen
Klooster

Kloosters en hun bewoners hebben veel betekend in de Lage Landen. Monniken legden moerassen droog, kopieerden boekwerken en polderden zeegebieden in. Als je dan weet dat het eerste cisterciënzerklooster in Nederland in 1165 werd gesticht en dat het land tegen het einde van de 15e eeuw maar liefst 34 cisterciënzerkloosters telde, dan kan je nagaan dat hun ‘bewoners’ heel wat nuttig werk hebben verricht.

De opzet van auteur Philip Holt is een exhaustief overzicht te geven van de geschiedenis – en, in de meeste gevallen teloorgang – van die 34 kloosters, wat gezien de bibliografie (per klooster aangegeven) duidelijk een huzarenwerk moet zijn geweest. Lovenswaardig, maar gezien het specifieke karakter uiteraard alleen interessant voor historici, studenten en liefhebbers van vaderlandse en/of monastieke geschiedenis. Die dan nog wellicht alleen die kloosters zullen opzoeken die interessant zijn voor hun onderzoek. Dankzij de overzichtelijke en logische indeling (‘zelfstandige vrouwenabdijen’ worden gebundeld, en verder de kloosters per provincie) zullen ze heel snel vinden wat ze zoeken. Het inleidende geschiedkundige overzicht is helder, maar weinig begeesterend omdat het heel feitelijk is. Wat, voor alle duidelijkheid, geen verwijt is.

Prediken voor eigen kerk

Dit boek aanprijzen is, zoals gezegd, prediken voor de eigen kerk: mensen die niet geïnteresseerd zijn in monastieke geschiedenis zullen Schiere monniken en grijze vrouwen wellicht nooit ter hand nemen. Maar voor (amateur)historici is dit boek een zakelijk en, dankzij het beeldmateriaal, heel degelijk vormgegeven naslagwerk dat een belangrijk en vaak onderschat stuk Nederlandse geschiedenis bundelt in een handig overzicht. De geschiedenis van het ene klooster is natuurlijk niet altijd even boeiend als die van het andere, maar dat kan de auteur niet verweten worden. Alleen die lyrische inleiding door ene broeder Bernardus Peeters, die haaks staat op de wetenschappelijke stijl van Holt en wel héél enthousiast de stimulerende rol van liefde bewierookt, had wat ons betreft geschrapt mogen worden.

Reageer op dit artikel

Jezus en de vijfde evangelist
Boeken / Non-fictie

De Fik erin!

recensie: Fik Meijer - Jezus & de vijfde evangelist
Jezus en de vijfde evangelist

Het geheel is meer dan de som van de delen: deze uitdrukking gaat niet op voor Jezus en de vijfde evangelist, dat uit twee duidelijk te onderscheiden stukken is samengesteld die elkaar helaas niet versterken. Meer nog, het tweede deel is gewoon overbodig en zelfs historisch onverantwoord opgevat.

De opzet van het boek is lovenswaardig: de situatie schetsen waarin Jezus van Nazareth destijds opereerde, aangezien die bij weinig mensen bekend is. Maar de enige verrassende vaststelling die daaruit voortvloeit is dat het sinds de 2e eeuw voor Christus, en vooral met de komst van de Romeinse bezetters, krioelde van de zelfverklaarde ‘messiassen’, koningen en zaligmakers. Meijer toont mooi de correlatie tussen de toenemende (belasting)druk van dictators en militaire besturen en de opkomst van verzetsgroepen – vooral aan de hand van de geschriften van Flavius Josephus, de ‘vijfde evangelist’ uit de titel.

Helaas slaagt Meijer erin deze heel boeiende periode op een gortdroge en van enige mogelijke spanning ontdane manier te vertellen. Het eerste deel van Jezus en de vijfde evangelist is voornamelijk een opsomming van namen van verzetslieden, gepaard aan biografische anekdotes over Romeinse keizers en consuls die weinig of zelfs niet ter zake doen. Door zich bovendien zonder enige twijfel op de sowieso al weinig betrouwbare Josephus te verlaten, toont hij zich een historicus die weinig opheeft met historische kritiek.

Maar in het tweede deel, waarin Meijer Jezus loslaat in de door hem geschetste context, ontspoort het boek volledig. Nog los van het feit dat de auteur er gemakshalve van uitgaat dat Jezus een historische figuur is – wat nog steeds niet onlosmakelijk en onafhankelijk van de evangeliën bewezen kan worden – behandelt hij de geschriften van Marcus, Mattheüs, Lucas en Johannes doodleuk als feitelijke documenten. Meer nog, hij haalt ook het apocriefe evangelie van Thomas als bron aan én de zaken die de evangelisten niet vermelden, vult Meijer doodleuk en speculatief zelf in – iets waar hij zich in zijn Paulus-biografie ook al aan bezondigde. Dit resulteert in gevolgtrekkingen als deze:

‘Over Jozef wordt verder in de evangeliën niet veel meer gesproken. Hij verdwijnt geruisloos naar de achtergrond. Misschien was hij veel ouder dan Maria en is hij kort nadat Jezus zich op twaalfjarige leeftijd in de tempel had gepresenteerd gestorven. In ieder geval heeft hij het optreden van zijn zoon niet meegemaakt.’

Waar hij de bewijzen vandaan haalt om die laatste zin te valideren, is een raadsel.

Door Jezus nadrukkelijk als historische figuur te presenteren, brengt Meijer zichzelf ook in een lastig parket. Want wat te doen met de verrijzenis, die de evangeliën als feitelijk voorstellen? Heel eenvoudig: hij gaat er in mee en beschrijft Jezus’ ontmoetingen met leerlingen alsof ze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Faut le faire.

Nee, dan vonden wij Jezus van Nazaret, Paul Verhoevens controversiële kijk op de evangeliën, een stuk boeiender, consistenter, gewaagder en vooral: rijker aan inzichten. Even speculatief, jawel, maar Verhoeven is geen historicus en kan zich dat daarom permitteren.

Tot slot nog dit: wat de stambomen van Romeinse keizers achter in dit boek doen en wat de meerwaarde vormt van het katern met middeleeuwse schilderijen in het midden, is ons een volstrekt raadsel. Conclusie: Fik Meijer is alvast niét de zesde evangelist.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Heldere beschrijving van een troebele geschiedenis

recensie: Gert Oostindie - Soldaat in Indonesië, 1945-1950. Getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis

Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW) en hoogleraar Geschiedenis aan de Universiteit Leiden, schreef met Soldaat in Indonesië, 1945-1950 een nieuw onderzoeksboek over de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië.

In tegenstelling tot veel andere werken over dit stukje Nederlandse geschiedenis, focust Oostindie zich expliciet op de soldaten die in Indonesië waren: hij verweeft hun dagboeken, memoires en gedenkboeken, zogenaamde ‘egodocumenten’, met de bestaande literatuur over deze oorlog.

Oorlogsmisdaden

Hierdoor ontstaat een imposant onderzoekswerk; Oostindie heeft duidelijk uitgebreid zijn huiswerk gedaan. Het boek is opgedeeld in tien hoofdstukken die elk een onderdeel van de oorlogssituatie bespreken: van de (aanvankelijke) missie en de tegenstander tot het soldatenleven en de thuiskomst. Twee hoofdstukken zijn gewijd aan de saillante details van deze oorlog: het oorlogsgeweld – of oorlogsmisdaden, in Oostindies woorden.

Door het geweld te bestempelen als misdaden, en niet als excessief of buitensporig geweld, zoals de Nederlandse regering in 1969 deed, geeft Oostindie een duidelijk teken. Volgens Oostindie zijn Nederlandse militairen tijdens de jaren 1945-1950 veelvuldig over de schreef gegaan, en in zulke mate dat dit beschouwd kan worden als oorlogsmisdaden. Hij doorbreekt hiermee definitief het taboe dat sinds 1950 op deze oorlog rust. Oostindie laat enige egodocumenten voor zich spreken, maar voegt daaraan toe dat veel documenten gecensureerd zullen zijn, mogelijk de waarheid verdraaid hebben, of niet eens bestaan. Dit klinkt alsof Oostindie zijn eigen argumenten verzint, maar niets lijkt minder waar. Hij weet overtuigend neer te zetten dat niet alle bronnen, om verschillende en veelal pijnlijke redenen, de waarheid konden zeggen, of om diezelfde of andere redenen niet eens gemaakt zijn.

Soldaten zelf

Meer dan dat laat Oostindie zien dat er in een oorlog, en zeker in een guerrilla– en contraguerrilla-oorlog, geen zwart-wit situatie bestaat. Door te vertellen vanuit het perspectief van de Nederlandse soldaten, van wie velen jonge dienstplichtigen zijn, weet hij duidelijk te maken hoe het is om in een onbekend, tropisch warm land te zijn, met een andere bevolking en andere gebruiken, in een totaal onbekende situatie. Hiermee probeert Oostindie niets goed te praten. Hij velt naar eigen zeggen geen morele oordelen, hoewel dit misschien niet helemaal strookt met zijn oordeel over de gepleegde oorlogsmisdaden, iets waar de Nederlandse regering tot op heden niet aan toegegeven heeft.

Oostindie laat je kennismaken met de oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis, met het leger dat weleens het ‘vergeten leger’ wordt genoemd. Door de soldaten en veteranen zelf aan het woord te laten, schetst Oostindie een begrijpelijk beeld van de oorlog, voor de lezer die, twee generaties verder, wat onbevangener in het debat staat. De vraag op welke schaal er oorlogsmisdaden zijn gepleegd blijft, maar Oostindie levert een waardevolle bijdrage. Of er ooit een antwoord zal komen, is maar de vraag.

Reageer op dit artikel