Berichten

mythen
Boeken / Non-fictie

Het geheim van verbeelding

recensie: Hugo Koning (vert.) - Mythen moet je niet geloven!
mythen

Geloofden de Oude Grieken in hun eigen mythen? Dat is een lastige vraag. ‘Geloof’ is namelijk een complex begrip. In Mythen moet je niet geloven! worden in ieder geval drie auteurs uit de Oudheid opgevoerd die mythen kritisch onder de loep namen en voorzagen van rationele verklaringen.

Verreweg de belangrijkste criticaster van de Griekse mythen is Palaiphatos. Veel weten we niet over deze auteur, behalve dat hij rond 335 v.Chr. actief was in Athene. Deze exponent van de zogenaamde rationaliserende methode baseert zich op de stelling dat mensen zonder scholing bereid zijn alles te geloven wat ze verteld wordt, maar wijze mensen nooit zonder meer iets geloven. Palaiphatos was uniek in zijn werkwijze omdat hij de mythen op zichzelf beoordeelt en consequent wijst op verkeerde interpretaties zonder af te doen aan het bovennatuurlijke karakter van het verhaal. In Mythen moet je niet geloven! worden onder andere 45 analyses die zijn overgeleverd uit het werk Ongelofelijke zaken van Palaiphatos in een hedendaagse vertaling opnieuw onder de aandacht gebracht. De laatste Nederlandse vertaling dateert uit 1661.

Het werk van Palaiphatos is het meest lezenswaardig in deze vertaling. De bundel wordt namelijk nog aangevuld met werk van twee auteurs die min of meer schatplichtig zijn aan Palaiphatos. Van ene Herakleitos lezen we een ‘weerlegging of behandeling van traditionele verhalen die in strijd zijn met de natuur’ en van een anonieme auteur zijn ook nog 23 ongestructureerde en enigszins chaotische fragmenten toegevoegd. Vooral deze ‘Anonymus’ heeft echt te weinig om het lijf om te kunnen boeien.

Misverstane historische gebeurtenissen

Dat geldt dus niet voor Palaiphatos. Telkens wanneer hij een bekende mythe heeft uiteengezet, komt hij met een leuke en vlotte verklaring. Zo lezen we over het afschuwelijke, zes hondenkoppen tellende monster uit de Odyssee genaamd ‘Skylla’ (p. 57). ‘Toen Odysseus voorbij voer pakte ze zes man van zijn schip, volgens Odysseus “het meest meelijwekkende” van al zijn avonturen op zee.’ Palaiphatos analyseert dan onbewogen: ‘Het is wel heel dom om zich zo’n wezen voor te stellen.’ Vervolgens vertelt hij de ‘werkelijke’ betekenis: de Skylla was niets meer dan een snel oorlogsschip met een vreeswekkende beschildering. Palaiphatos neigt mythen, zo lezen we in de welkome inleiding van vertaler Hugo Koning, altijd te relateren aan echte gebeurtenissen die vervolgens aanleiding hebben gegeven tot fantastische verhalen. ‘Mythen zijn ontstaan uit misverstane historische gebeurtenissen, en dat is het.’ (p. 14)

Van mythe naar mythologie

De Oude Grieken blijven tot de verbeelding spreken. De Franse filosoof Blaise Pascal schrijft in zijn Pensées: ‘We stellen ons Plato en Aristoteles altijd voor in lange academische gewaden, maar het waren geschikte kerels die met hun vrienden plezier maakten, zoals ieder ander.’ (1997, p. 265) Zo moet ook menig Griek met een goed glas wijn in de hand zijn vrolijke bedenkingen hebben gehad bij alle sterke verhalen die zijn tijd hebben gekleurd. Palaiphatos geeft daarvan blijk op schrift en draagt daarmee bij aan de emancipatie van het Griekse denken. Zijn verklaringen maken het boekje de moeite waard, maar verder blijft het vooral stof voor de classicus en echte liefhebber.

 

Verder lezen: Veyne, P. (1988). Did the Greeks Believe in their Myths? An Essay on the Constitutive Imagination. Chicago: The University of Chicago Press

Reageer op dit artikel

mythen
Boeken / Non-fictie

Het geheim van verbeelding

recensie: Hugo Koning (vert.) - Mythen moet je niet geloven!
mythen

Geloofden de Oude Grieken in hun eigen mythen? Dat is een lastige vraag. ‘Geloof’ is namelijk een complex begrip. In Mythen moet je niet geloven! worden in ieder geval drie auteurs uit de Oudheid opgevoerd die mythen kritisch onder de loep namen en voorzagen van rationele verklaringen.

Verreweg de belangrijkste criticaster van de Griekse mythen is Palaiphatos. Veel weten we niet over deze auteur, behalve dat hij rond 335 v.Chr. actief was in Athene. Deze exponent van de zogenaamde rationaliserende methode baseert zich op de stelling dat mensen zonder scholing bereid zijn alles te geloven wat ze verteld wordt, maar wijze mensen nooit zonder meer iets geloven. Palaiphatos was uniek in zijn werkwijze omdat hij de mythen op zichzelf beoordeelt en consequent wijst op verkeerde interpretaties zonder af te doen aan het bovennatuurlijke karakter van het verhaal. In Mythen moet je niet geloven! worden onder andere 45 analyses die zijn overgeleverd uit het werk Ongelofelijke zaken van Palaiphatos in een hedendaagse vertaling opnieuw onder de aandacht gebracht. De laatste Nederlandse vertaling dateert uit 1661.

Het werk van Palaiphatos is het meest lezenswaardig in deze vertaling. De bundel wordt namelijk nog aangevuld met werk van twee auteurs die min of meer schatplichtig zijn aan Palaiphatos. Van ene Herakleitos lezen we een ‘weerlegging of behandeling van traditionele verhalen die in strijd zijn met de natuur’ en van een anonieme auteur zijn ook nog 23 ongestructureerde en enigszins chaotische fragmenten toegevoegd. Vooral deze ‘Anonymus’ heeft echt te weinig om het lijf om te kunnen boeien.

Misverstane historische gebeurtenissen

Dat geldt dus niet voor Palaiphatos. Telkens wanneer hij een bekende mythe heeft uiteengezet, komt hij met een leuke en vlotte verklaring. Zo lezen we over het afschuwelijke, zes hondenkoppen tellende monster uit de Odyssee genaamd ‘Skylla’ (p. 57). ‘Toen Odysseus voorbij voer pakte ze zes man van zijn schip, volgens Odysseus “het meest meelijwekkende” van al zijn avonturen op zee.’ Palaiphatos analyseert dan onbewogen: ‘Het is wel heel dom om zich zo’n wezen voor te stellen.’ Vervolgens vertelt hij de ‘werkelijke’ betekenis: de Skylla was niets meer dan een snel oorlogsschip met een vreeswekkende beschildering. Palaiphatos neigt mythen, zo lezen we in de welkome inleiding van vertaler Hugo Koning, altijd te relateren aan echte gebeurtenissen die vervolgens aanleiding hebben gegeven tot fantastische verhalen. ‘Mythen zijn ontstaan uit misverstane historische gebeurtenissen, en dat is het.’ (p. 14)

Van mythe naar mythologie

De Oude Grieken blijven tot de verbeelding spreken. De Franse filosoof Blaise Pascal schrijft in zijn Pensées: ‘We stellen ons Plato en Aristoteles altijd voor in lange academische gewaden, maar het waren geschikte kerels die met hun vrienden plezier maakten, zoals ieder ander.’ (1997, p. 265) Zo moet ook menig Griek met een goed glas wijn in de hand zijn vrolijke bedenkingen hebben gehad bij alle sterke verhalen die zijn tijd hebben gekleurd. Palaiphatos geeft daarvan blijk op schrift en draagt daarmee bij aan de emancipatie van het Griekse denken. Zijn verklaringen maken het boekje de moeite waard, maar verder blijft het vooral stof voor de classicus en echte liefhebber.

 

Verder lezen: Veyne, P. (1988). Did the Greeks Believe in their Myths? An Essay on the Constitutive Imagination. Chicago: The University of Chicago Press

Reageer op dit artikel

Weten versus geweten
Boeken / Non-fictie

Weten versus geweten

recensie: Floris Cohen - Het knagende weten
Weten versus geweten

Hoe verhouden wetenschap en geloof zich tot elkaar? Heeft de een de ander overbodig gemaakt? Of hebben ze niets met elkaar te maken? Floris Cohen behandelt deze vragen aan de hand van een elftal mannen wiens religieuze wereldbeeld door nieuwe kennis ingrijpend veranderde.

Tussen weten en geloven bestond lange tijd weinig spanning. Zo ongeveer alle grote geleerden waren diep gelovig. Maar vanaf de zeventiende eeuw begon bij steeds meer wetenschappers het weten te knagen aan het (religieuze) geweten.

Floris Cohen weet dit spanningsveld in zijn nieuwste boek goed in kaart te brengen. Deze hoogleraar in de vergelijkende geschiedenis van de natuurwetenschap is ook goed thuis in de filosofie omtrent dit onderwerp. Deze filosofische reflectie maakt dat het boek veel meer is dan een geschiedenisboek over de natuurwetenschap.

Legendes

De filosofische bril zet Cohen pas halverwege het boek op. Daarvoor is hij vooral de historicus die populaire misvattingen rechtzet. Zo klopt er van de dominante visie van het conflict tussen de Rooms-Katholieke Kerk en Galileo Galilei bar weinig. In eerste instantie zag de Kerk het heliocentrische wereldbeeld dat Galilei uitdroeg namelijk niet als strijdig met Bijbelse passages die een geocentrisch wereldbeeld impliceerden. Die zouden, net als Bijbelse verwijzingen naar een platte aarde, niet letterlijk genomen hoeven worden.

Het gevecht tussen Galilei en het Vaticaan is eigenlijk voor een groot deel een persoonlijke vete tussen de toenmalige paus en Galilei. Cohen beschrijft uitvoerig hoe het allemaal wél verlopen is en weet dat zo te doen dat het ook nog enorm spannend is om te lezen.

De legende over Galilei’s conflict met de Kerk is symbolisch voor de populaire opvattingen over de relatie tussen wetenschap en geloof. Ook van die visie laat Cohen weinig heel, zonder daarbij te vervallen in makkelijke oplossingen. Zo moet hij zowel weinig hebben van opvattingen dat wetenschap van religie niets over zou hebben gelaten, als van opvattingen dat wetenschap en religie niets met elkaar te maken zouden hebben – en er dus ook geen sprake van spanning zou zijn.

Nuance

Cohen laat aan de hand van historische figuren als Galilei, Newton, Darwin en Kant zien dat wetenschappelijke ontdekkingen wel degelijk voor spanningen zorgden en hun religieuze wereldbeeld aan het wankelen brachten – bij de één meer dan bij de ander – hoewel dit nooit volledig omviel.

Die nuance en finesse is vandaag de dag in het debat over religie en wetenschap vrijwel volledig afwezig. Op YouTube zijn talloze debatten tussen wetenschappers te vinden over het al dan niet bestaan van God. Of het nu atheïsten zijn, zoals Richard Dawkins, of gelovigen, zoals Francis Collins: Cohen moet er weinig van hebben. Hij stoort zich vooral aan het gebrek aan filosofische reflectie op de beperkte reikwijdte die inherent is aan de moderne natuurwetenschap. Hij verbaast zich erover dat zij die zich met zoveel toewijding inzetten om via de wetenschap het (niet) bestaan van God aan te tonen, zich nooit hebben verdiept in wat er in het verleden over dit thema is gezegd.

Wat er in het verleden over is gezegd, valt in aantrekkelijk proza te lezen in Het knagende weten en het boek is daarmee geen overbodige luxe voor de Dawkinsen en Collinsen van deze wereld.

Reageer op dit artikel

Troost
Boeken / Non-fictie

Troost in het tranendal

recensie: Bert Keizer - Vroeger waren we onsterfelijk
Troost

Sterven speelt in het leven van verpleeghuisarts en filosoof Bert Keizer een prominente rol. Als columnist van Trouw en Filosofie Magazine schrijft hij vaak over ethische kwesties en is hij langzamerhand het geweten van het euthanasiedebat geworden. In Vroeger waren we onsterfelijk, een nieuwe bundel columns, schrijft Keizer over de dood en of we, wachtend op het onvermijdelijke, ergens troost kunnen vinden.

Gerard Reve constateerde al eens dat schrijfsels van optimisten je tot zelfmoord brengen, terwijl van werken van pessimisten altijd een enorme troost uitgaat. Volgens mij heeft dat te maken met het gegeven dat pessimisten – waarschijnlijk uit noodzaak – meer gevoel voor humor hebben.

Humor

Bert Keizer kan een gevoel voor humor niet ontzegd worden en hij is inderdaad niet bepaald het zonnetje in huis. Men wordt, geheel in lijn met Reves bevinding, juist eerder vrolijk dan somber van dit boek. Ook al wijst Keizer ons er regelmatig in alle luchtigheid op dat we allemaal doodgaan en dat die dood vaak ófwel te vroeg komt of pas na vele jaren van aftakeling – en dus te laat.

In Keizers werk lees je veel van Reve terug – zowel wat betreft zijn gevoel voor humor als zijn levensopvatting. De pessimistische grondhouding zorgt voor een zoektocht naar troost. Keizer vindt die – en daarmee komen we bij de kern van het boek – vooral in de filosofie, literatuur en geneeskunde. Daar kan ‘uitzonderlijk goed gedacht, gehuild en gelachen’ worden

Geloof

Keizer verschilt van Reve op één belangrijk punt. Wat Reve vond, verloor Keizer: het geloof. Daar moet hij niets van hebben: ‘Ik was en ben volkomen immuun voor religiositeit en mijn andere idool uit die jaren, G.K. van het Reve, kon ik in religieus opzicht nooit volgen.’

Hoewel Keizer de Rooms-Katholieke Kerk er stevig van langs geeft, is zijn relatie met de kerk niet eenduidig. Zo vindt hij het celibaat achterlijk, maar voor de anglicaanse priesters (die wél mogen trouwen) heeft hij geen goed woord over: ‘als gepensioneerd katholiek vind ik dat een priester zonder neukverbod, nou ja, dat dat geen echte priester is’.

Keizer schrijft met een zekere weemoed over zijn katholieke jeugd. En hoewel hij zelf geen deel meer uitmaakt van die Kerk, verwijt hij de achterblijvers het gemak waarmee zij, in een poging bij de tijd te blijven, de hele katholieke santenkraam (de beelden, rituelen), bij het grofvuil hebben gezet:

‘De kerk in Nederland rent steeds achter de tijdgeest aan, in hun haast al die dingen van zich af gooiend die, als ze eraan vast hadden gehouden, hun kraampje nog redelijk draaiende hadden kunnen houden.’

Schuld

Ten aanzien van lijden en sterven, in dit geval van de kerk die hij in zijn jeugd bezocht, voelt Keizer compassie. En ten opzichte van de pater die hij nog van vroeger kende, schuld:

‘Als ik later met Pater B. naar buiten wandel door de lege kerk, waarin onze stemmen een plechtige echo krijgen, voel ik een zekere schuld tegenover deze mannen die door de wereld verlaten worden voordat zij haar verlaten hebben. Het is alsof we al over hen aan het napraten zijn terwijl ze er nog zijn. Het is wreed en er is geen verdediging tegen van hun kant. Wij van onze kant weten niet goed wat te doen.’

Dood

De dood heeft binnen het katholieke een duidelijke plaats, hetgeen waarschijnlijk ook de dubbelzinnige houding van Keizer tegenover dat geloof verklaart. Met het vraagstuk ‘dood’ is Keizer zich dus heel zijn leven blijven bezighouden. Hij komt alleen met een ander antwoord, of beter gezegd: geen antwoord. Net zomin als hij de antwoorden zoekt in een Goddelijke Plan, heeft hij weinig op met de ‘wij zijn ons brein’-mentaliteit waarin alle antwoorden liggen in het biologische. Darwinitis noemt hij dat.

De onderzoekende Keizer houdt meer van open vragen dan van alles verklarende antwoorden: ‘Als wij helemaal van de Aarde zijn, waar komt dan die on-aardse vlag vandaag die zo hardnekkig in ons hoofd blijft wapperen?’

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Laat ons dwalen

recensie: René ten Bos - Dwalen in het antropoceen

In Dwalen in het antropoceen verdiept René ten Bos zich in het tijdperk waarin de mens zijn stempel op de aarde drukt. Hij neemt je mee op wandeltocht, steeds dieper het bos in. Op het moment dat je verdwaald bent, laat hij je hand los.

De nieuwe Denker des Vaderlands René ten Bos schetst met zijn nieuwste werk een uitgebreid, spannend en kritisch beeld van de confrontatie tussen de mens en zijn omgeving. De term antropoceen verwijst naar het tijdperk in de geologische geschiedenis van de aarde waarin de mens invloed is gaan uitoefenen op de planeet. Het boek leest als een ontdekkingsreis. Ten Bos schotelt geen pasklare oplossingen voor en is voortdurend in discussie met zijn eigen gedachten. Hij toont zich een waar filosoof, doordat hij geen afgebakende mening tentoon stelt, maar juist tegen alles wat neigt naar omlijning ín denkt.

Tijdperk van desoriëntatie

Volgens Ten Bos is de moderne mens de weg kwijt. We hebben geen idee wie we zijn, waarnaar we op weg zijn en overzien niet wat we met de aarde doen. Onze tijd is er een van crises. Ontelbare diersoorten sterven in rap tempo uit, de oceanen verzuren en zitten vol met plastics en het klimaat warmt steeds verder op, met smeltende poolkappen en ongekende droogtes tot gevolg. Daarbij lijkt het of we achter de feiten aanhollen en alsmaar bezig zijn oplossingen te bedenken voor steeds weer nieuwe problemen. Tot een begrip van onszelf en de verhouding met onze omgeving komt het niet.

Ten Bos beschrijft lopende discussies over dit tijdperk die in verschillende wetenschapsgebieden gaande zijn. Niets staat vast, behalve het feit dat de mens en al het andere tot hetzelfde geheel horen en met elkaar verbonden zijn. ‘Van dat ecosysteem weten we dat het in ieder geval een catastrofale tendens vertoont.’ En een catastrofe leidt onherroepelijk tot een verlies van oriëntatie. Het is aan de mens om daarin een weg te vinden.

Wantrouw iedereen die denkt de weg te weten

Je zou misschien denken dat de Denker des Vaderlands in zijn boek zelf met een oplossing komt voor de toekomst. Dat is niet zo. Zoals gezegd neemt hij je mee op weg, tot het moment dat je zelf totaal de weg kwijt bent. Precies dat verdwalen is waar het om gaat. Tal van boeken zijn volgeschreven over de juiste richting voor de mens. Blauwdrukken voor de toekomst zijn tot in detail uiteengezet. Maar precies die ideeën máken dat we niet weten waarheen we moeten.

Ten Bos geeft in zijn boek een pleidooi voor het ronddolen. Hij haalt de beroemde filosoof Descartes aan, die een oplossing bedacht voor de verdwaalde wandelaar in het bos. Direct een rechte lijn uitstippelen zou de redelijkste oplossing zijn om het bos uit te geraken. Wáár men dan belandt doet er niet toe, als het oriëntatieverlies maar ophoudt, want dat is het ergste wat de mens kan overkomen.

Ten Bos stelt juist het tegenovergestelde. De verdwaalde moet een boom opzoeken om onder te gaan zitten. Vanuit daar kan hij de omgeving gaan verkennen en accepteren dat hij de weg niet kent. Voor de mens in het antropoceen is het net zo. ‘De grote kunst wordt het om een verantwoordelijkheid te accepteren die niet meteen een richting inslaat of een vaste koers vaart.’ Laten we dus dwalen, opdat we onszelf en de ons omringende natuur leren kennen. Pas daarna kunnen we de juiste weg bepalen. Dwalen in het antropoceen leest als een schitterende, filosofische zoektocht. Ik raad het iedereen aan om zich mee te laten voeren door Ten Bos, want ontdekkingsreizen van dit kaliber zijn zeldzaam, waardevol en hoopgevend.

Reageer op dit artikel

Van der Jagt
Boeken / Non-fictie

Jachtige Van der Jagt

recensie: Krijn van der Jagt - De weg omhoog
Van der Jagt

Het uitgangspunt van De weg omhoog is alvast intrigerend: wie waren die schrijvers van de Bijbel eigenlijk? Waar haalden ze hun denkbeelden vandaan? En voor welk publiek schreven ze? Krijn van der Jagt wil, kortom, de Bijbel antropologisch duiden. En hoewel hij grotendeels in zijn opzet slaagt, is dit geen geslaagd boek, omwille van de repetitieve, jachtige en daarom irritante schrijfstijl.

Als voormalig pinksterchristen ken ik de Bijbel door en door. Ook mij heeft het verhaal ‘achter de schermen’ altijd mateloos geboeid. Wat is er waar van al die verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament? Geloofden die auteurs zelf dat er een gouden kalf was geweest? Dat Mozes met zijn staf de zon (sic) kon doen stilstaan? Of dat Jezus over water had gewandeld of zelfs verrezen was? Uiteraard doorprikt van der Jagt al deze mythes, maar helaas niet op een wervende manier. Daarvoor houdt hij te veel van herhaling en vaste structuur. Bovendien gaat hij soms met een wel heel grove borstel door zijn materie heen. Bijvoorbeeld door het koningschap van David en Salomo zomaar voor waar aan te nemen, terwijl daar niet het minste bewijs voor bestaat. Bovendien verstaat hij het om dingen te beweren als: ‘Wanneer een moderne lezer de Bijbel openslaat, gaat hij een vreemde wereld in (…), de wereld van goden, geesten en demonen.’ Daarmee ontkent hij dat miljoenen mensen wereldwijd nog steeds letterlijk geloven wat in de Bijbel staat, of ten minste in het bestaan van geesten en goden geloven.

Naaktheid

Er staan boeiende inzichten in De weg omhoog, bijvoorbeeld over de zondeval. We kennen allemaal het verhaal van Adam en Eva die van de verboden vrucht eten en daarom verbannen worden uit het aardse paradijs om in het ‘zweet huns aanschijns’ hun brood te verdienen en met veel moeite kinderen te baren. Van der Jagt biedt echter een interessante seksuele lezing van dit verhaal. Door te eten van de vrucht van de kennisboom ontdekken Adam en Eva hun eigen naaktheid en beseffen ze opeens hoe ze zélf leven kunnen maken – het geheim van procreatie ligt dus niet meer bij God alleen. De mensheid is, met andere woorden, wijs geworden en klaar om op eigen benen te staan. Vandaar dat ze het paradijs moeten verlaten.

Helaas bevat dit boek veel te weinig van dit soort mooie metaforen en hun toelichting. Het leeuwendeel bestaat uit de opsomming van wereldbeelden en mythologieën (Griekse, Assyrische, Egyptische… ) volgens eenzelfde structuur en cadans. Aan enkele opvallende elementen koppelt Van der Jagt dan het denken van de Joodse auteurs van de Bijbel en de reden waarom ze schrijven wat ze schrijven. Dat repetitieve karakter wordt op den duur erg vermoeiend, zeker omdat zeker allerminst wervend schrijft. Het tegendeel is zelfs waar. Een voorbeeld:

‘De ontwikkeling van een volwaardige taal is ongetwijfeld een van de voorwaarden voor de verdere ontwikkeling van het denkvermogen geweest. Het denken is waarschijnlijk traag op gang gekomen en wanneer de mens nu echt begon te denken weten we niet.’

En zo gaat het de hele studie door, wat voor een heel vermoeiende leeservaring zorgt. Waar de Bijbel een monument is in de klassieke literatuur, is De weg omhoog dat allerminst. Zonde, want nogmaals: het uitgangspunt van het boek is uitermate intrigerend.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Wonderkind van de wijsbegeerte stelt teleur

recensie: Markus Gabriel - Waarom we vrij zijn als we denken

Ich ist nicht Gehirn, luidt de oorspronkelijke titel van Markus Gabriels Waarom we vrij zijn als we denken. Dat Duitse opschrift vat de kern van het boek perfect samen. Gabriel trekt namelijk flink van leer tegen de neurowetenschap.

Markus Gabriel werd in 2009 op 29-jarige leeftijd Duitslands jongste hoogleraar filosofie ooit. In datzelfde jaar publiceerde hij een werk met de populaire Sloveense denker en cultuurcriticus Slavoj Žižek. Sindsdien is Gabriels naam als wonderkind van de wijsbegeerte wereldwijd gevestigd. Naast zijn werk aan de Universiteit Bonn reist hij de hele aarde over om lezingen te geven, en vindt hij de ruimte om regelmatig een boek te laten verschijnen. Als hij echter nog wat meer tijd voor Waarom we vrij zijn als we denken had kunnen vrijmaken, was de uitgave waarschijnlijk een stuk sterker geweest.

Eurocentrisme versus neurocentrisme

Niet alleen uit de Duitse titel, maar ook uit de inleiding blijkt dat Gabriel het allerminst eens is met Dick Swaab en consorten: wij zijn niet ons brein. Via het begrip eurocentrisme (het idee dat Europa een cultureel superieure positie inneemt ten opzichte van de rest van de wereld) komt Gabriel tot het woord neurocentrisme: de opvatting ‘dat er louter een geschikt stel hersenen voor nodig is om ons tot levende wezens met een geest te maken’.

Nu het eurocentrisme achterhaald is, vindt Gabriel het hoog tijd om het neurocentrisme aan te pakken. Kritiek hierop is ‘slechts een van de doelstellingen van dit boek’, meldt de filosoof aan het eind van zijn lijvige inleiding. De andere is ‘het geestelijke landschap van onze zelfkennis’ schetsen: ingaan op de vraag wie we eigenlijk zijn. Maar doordat Gabriel zo druk is om tegen de hersenwetenschappers tekeer te gaan, schiet de tweede doelstelling er een beetje bij in.

Eenzame strijder

In vijf hoofdstukken staan achtereenvolgens de filosofie van de geest, het bewustzijn, het zelfbewustzijn, het ik en tot slot vrijheid centraal. Bij elk thema gaat Gabriel in op diverse gerelateerde theorieën, en probeert hij met behulp van voorbeelden inzichtelijk te maken wat  de implicaties zijn. Dat kan nuttige inzichten opleveren, zeker omdat Gabriel de theorieën en hun gevolgen aan het actuele hersendebat poogt te koppelen. Hij kan echter de verleiding niet weerstaan om voortdurend te blijven benadrukken hoe onzinnig bepaalde theorieën van neurowetenschappers zijn. In plaats van een beeld krijgen van ‘het geestelijke landschap van onze zelfkennis’, zoals Gabriel beloofde, wordt de lezer daardoor meegesleurd in de opvattingen van de auteur. Voor iedereen die het toch al met hem eens was is dat misschien prima; de neutrale lezer wordt er echter niet door overtuigd.

Gabriel streefde ernaar, vermeldt hij aan het einde van zijn werk, om een filosofie van de geest van voor de eenentwintigste eeuw te schetsen. Daarmee zet hij de huidige discussie over bewustzijn in een breder perspectief. Het is echter een gemiste kans dat hij geen aandacht besteedt aan collega-filosofen die zich momenteel met dit thema bezighouden. Huidige neurowetenschappers waar Gabriel het mee oneens is zijn breed vertegenwoordigd, recente filosofen die de mening van de Duitse filosoof delen daarentegen niet. Daardoor lijkt Gabriel zich als een eenzame strijder tegen alle ‘neurocentristen’ te willen presenteren. Dat doet de waarheid echter geen recht.

Gemiste kans

Waarom we vrij zijn als we denken is niet zomaar een werk; het is een manifest. Gabriel heeft maar één doel: de lezer laten inzien waarom de neurowetenschappelijke benadering tekort schiet. Daar slaat hij soms een beetje in door. Door voortdurend woorden als ‘darwinitis’, ‘neuromanie’ en ‘neurocentrisme’ te gebruiken en te wijzen op ‘de meest onzinnige “neuro”-disciplines’ blijft Gabriel hangen in het afwijzen van de neurowetenschappen. Ondertussen blijft de argumentatie voor zijn afkeur vaak achter, en maakt hij onvoldoende duidelijk wat zijn benadering dan precies toevoegt aan het debat.

Een polemische stijl blijkt bovendien geen garantie voor een amusante leeservaring. Ook de grote hoeveelheid verwijzingen naar de populaire cultuur – van Fargo tot sciencefiction – levert daar geen bijdrage aan. En hoeveel etensvoorbeelden en grappig bedoelde paragraaftitels Gabriel er ook bij haalt om alle theorieën te verduidelijken: als geheel blijft zijn verhandeling nogal droog. De hoogleraar lijkt zich regelmatig in zijn theoretische uitwijdingen te verliezen. Een goede redacteur en een extra herschrijfronde waren geen overbodige luxe geweest.

Al met al voelt Waarom we vrij zijn als we denken als een gemiste kans. Gabriels boodschap dat we niet ons brein zijn, kan voor veel mensen een opluchting zijn. Een opluchting die allerminst in zijn boek naar voren komt. In plaats van opluchting zorgt Gabriel vooral voor teleurstelling.

 

Reageer op dit artikel

Niemand is ooit verloren
Boeken / Fictie

Op reis naar gedachtenland

recensie: Catherine Lacey - Niemand is ooit verloren
Niemand is ooit verloren

In Catherine Laceys debuut Niemand is ooit verloren neemt Elyria een enkele reis naar Nieuw-Zeeland om daar rond te reizen. De echte reis vindt echter plaats in haar hoofd. Het boek is één grote, soms ietwat langdradige, gedachtestroom, waarin filosofische gedachten worden afgewisseld met flashbacks naar het leven dat ze achterliet.

Een vlucht naar Nieuw-Zeeland

Elyria woont met haar man in New York. Zonder aankondiging vertrekt ze naar Nieuw-Zeeland, op zoek naar dichter Werner die haar ooit uitnodigde op zijn boerderij. Haar enige doel is om al liftend die boerderij te bereiken. De mensen die ze onderweg ontmoet, krijgen niet de kans haar te leren kennen. Elyria heeft zichzelf mentaal afgesloten van de buitenwereld. Ze ontmoet mensen, hoort hun verhalen aan, en vertrekt vervolgens weer.

Uit flashbacks blijkt hoe het komt dat Elyria zo afwezig is. Ze komt niet bepaald uit een warm nest. Haar vader is afwezig, haar moeder is meestal dronken en gedraagt zich meer als kind dan als ouder. Elyria’s geadopteerde zus Ruby pleegt zelfmoord in haar studententijd. Dit laatste zet Elyria’s leven volledig op zijn kop. Ze trouwt met de man die Ruby het laatst gezien heeft (De Docent), beleeft daardoor een paar gelukkige jaren, maar zakt uiteindelijk weg in een vreselijke depressie. In deze staat trekt ze door het verre Nieuw-Zeeland.

Weinig sympathiek

Hoe meer Elyria in de war raakt, hoe verder de lezer ook van de realiteit af komt te staan. Het wordt als lezer steeds moeilijker om sympathie te voelen voor de hoofdpersoon. Het lezen wordt daardoor steeds meer een worsteling door langdradige, afstandelijke passages. In plaats van emoties te voelen, analyseert Elyria hoe haar lichaam op situaties reageert:

‘In mijn bijna-menselijke moment voelde ik achter mijn ogen de tranen opwellen, ze borrelden daar, bruisten als een waterketel tegen het kookpunt aan, maar ik huilde niet.’

Waar de flashbacks nog redelijk kalm geschreven zijn, voel je in het heden de onrust door de lange zinnen die zomaar een hele pagina doorgaan. Op het verleden heeft ze nog grip, maar in het heden wordt ze geplaagd door een ‘wildebeest’ in haar binnenste. Hoewel dit niet altijd leuk is om te lezen, is het wel knap wat Lacey doet. Wat dit boek namelijk zo bijzonder maakt, is dat Lacey ons niet uitlegt dat Elyria depressief is, maar dat ze dit laat voelen via haar schrijfstijl.

Deze onrust is ook merkbaar in de toon van Elyria’s gedachten. In het begin is ze nog vrij nuchter, bijna grappig zelfs:

‘Na een paar uur wachten langs de smalle, met bomen omzoomde weg waar de verpleegster me had afgezet, werd duidelijk dat sommige plekken geen goede plekken zijn om een mens te zijn in plaats van een auto en daar stond ik nu.’

Maar naar het einde toe worden de zinnen associatiever en raas je als een wervelwind door het verhaal heen. Ze raakt steeds verder verwijderd van het normale leven. Op een gegeven moment wordt ze zelfs door een pijlstaartrog gebeten, maar beseft ze pas dat er iets aan de hand is als een ander in paniek raakt:

‘[Ik liep] terug naar het strand, maar toen ik daar aankwam, bloedde ik zo dat je het gerust een ernstige bloeding kan noemen, en pas toen voelde ik dat ik licht in het hoofd werd en dat mijn armen en benen los in de kom zaten en ik wist dat ik iets aan mijn plotselinge mankement moest doen […]. [De man] merkte het gevaarlijke afval op dat ik uitstootte en rende schreeuwend op me af en pas toen voelde ik een verschrikkelijke pijn.’

Door de lange zinnen en haar eigen gebrek aan gevoel, is het als lezer moeilijk om betrokken te blijven. Je ziet dat er iets aan de hand is met Elyria, maar net als zij voel je de pijn niet.

Bijna poëzie

Tussen de langdradige alinea’s door zitten gelukkig ook fantastische, bijna poëtische observaties. Voor iemand die moeite heeft met emoties, kan Elyria behoorlijk scherp emotionele situaties beschrijven:

‘Toen we die avond naar huis liepen, ruikend naar de bourbon die op onze knieën was gedropen, wist ik dat mijn man een liedje was waarvan ik de tekst was vergeten en dat ik een wazige foto was van iemand die hij ooit had liefgehad.’

Het lezen van Niemand is ooit verloren is geen vrolijke ervaring. Elyria vertelt met zo veel woorden en zijpaden over zichzelf, probeert alles te analyseren en voelt tegelijk zo weinig, dat het moeilijk is om echt op te gaan in het verhaal. Het is onmiskenbaar goed geschreven en er zit een interessante ontwikkeling in de roman, maar de afstand die Elyria ervaart zorgt ook voor een afstand bij de lezer. Dat het uiteindelijk toch de moeite waard is om te lezen komt met name door de vele scherpe observaties en prachtige zinnen die uit Laceys pen vloeien.

Reageer op dit artikel

Kunst / Kunstboek / Non-fictie

Over kunst en engagement

recensie: Maarten Doorman - De navel van Daphne

Schrijver en filosoof Maarten Doorman gooit meteen de knuppel in het hoenderhok: ‘Het Rijksmuseum moet dicht’. En waarom dan wel? Omdat ‘het op het verleden is gericht.’

Al snel komt Nietzsche op de proppen met zijn opstel Over nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven. Teveel oude kunst werkt verlammend. Bijvoorbeeld op de aandacht voor hedendaagse kunst.

Zelfs los van de beeldende kunst – ook Doorman maakt enkele van zulke uitstapjes – is dit te herkennen: twee muziekfestivals in twee bijna aaneengesloten weken in Utrecht, één met oude en één met moderne en hedendaagse muziek. Het Festival Oude Muziek verankerd in de culturele basisinfrastructuur met landelijke subsidie, de Gaudeamus Muziekweek (B-categorie) raakt, als het aan het Fonds Podiumkunsten ligt, de subsidie kwijt.

Gewicht en contragewicht

Maar het boek maakt een draai, want over oude versus hedendaagse kunst blijkt het toch niet primair te gaan. Wél over ‘het aloude probleem van engagement in de kunst.’ En natuurlijk wordt dan de vraag opgeworpen wat dit zegt ‘over onze tijd als die de dingen die nu gemaakt en bedacht worden niet serieus neemt.’ Komt dit doordat met het verdwijnen van de avant-garde de beeldende kunst veel van de urgentie, dat wil zeggen engagement, heeft verloren? Doorman is overtuigd door de visie van de Italiaanse arte povera-kunstenaar Michelangelo Pistoletto: totale vrijheid (autonome kunst) heeft als contragewicht verantwoordelijkheid en ambivalentie nodig. Terecht vult Doorman dit rijtje niet aan met ‘verbeelding’.

Hetzelfde geldt ook voor hedendaags toneel – een ander uitstapje – met regisseurs als Yael Ronen en Ola Mafalaani.
Tegenover de visie van Pistoletto staat die van Peter Bürger. Hij stelt in zijn studie Theorie der Avantgarde dat de avant-garde in hun geëngageerdheid zichzelf juist isoleert van de maatschappij doordat ze kunst van louter museale waarde produceert. Autonome kunst is met andere woorden de wereld ontvlucht. De historische rol van kunst lijkt uitgespeeld.

Lijkt – want je zou Doorman kunnen wijzen op het curatorschap dat architect Rem Koolhaas in 2014 bekleedde bij de Biënnale van Venetië, die bij uitstek hedendaagse kunst toont. Daar koos hij voor een andere insteek dan tot dan toe gebruikelijk was: hij koos voor het erfgoed. Een beetje flauw detail misschien, want het boek is een mooi, strak en sterk opgebouwd betoog dat zulke nuances best kan missen om helder over ’t voetlicht te kunnen brengen waar het de auteur primair om gaat.

Goede kunst

Toch heeft ook autonome kunst méér te vertellen over de wereld en de vraag hoe te leven, dan wordt vermoed. In die zin staat zij dan ook nooit volledig buiten de wereld, het leven en de maatschappij. Maar wat is dan het effect en is er wel sprake van goede kunst?
Als voorbeeld van zowel het één (geëngageerdheid) als het ander (goede kunst) noemt Doorman onder andere het werk van Yael Bartena en Ai Weiwei, van wie momenteel de solotentoonstelling #SafePassage in Foam Fotografiemuseum in Amsterdam valt te zien.
Kunst moet haar onafhankelijkheid bewaren van de markt, de overheid en een ideologie wil zij urgent blijven en ons laten zien hoe het principieel anders kan. Zonder – gelukkig – de traditie te verloochenen. Het Rijksmuseum mag blijven!

Boekgegevens

De navel van Daphne
Schrijver: Maarten Doorman
Uitgever: Uitgeverij Prometheus
Prijs: € 19,95
Bladzijden: 176, foto’s
ISBN: 978 90 351 4390 6

Reageer op dit artikel

zeventiende eeuw
Boeken / Non-fictie

Durven denken

recensie: A.C. Grayling - De tijd van het genie. De zeventiende eeuw en de geboorte van het moderne denken
zeventiende eeuw

Het lijdt geen twijfel: intellectueel gezien was de zeventiende eeuw de belangrijkste die de mensheid ooit heeft gekend. Hoog tijd dus voor een waardig (en kloek) eerbetoon, uit de pen van een van de meest gerenommeerde intellectuelen uit Groot-Brittannië.

Stel je voor: het hele mensbeeld van de mensheid berust op het feit dat de aarde het centrum van het universum vormt. Logisch, aangezien de mens als kroon van de schepping wordt beschouwd. Maar dan komt Galilei met de wetenschappelijke verklaring dat de aarde rond de zon draait. Het waren deze en andere ontdekkingen en bevindingen die de zeventiende eeuw zo bijzonder maakten. Wellicht nooit was er zo’n concentratie aan intelligente en culturele weelde in de westelijke wereld. Naast Galilei had je Newton, Shakespeare, Bach, Händel, Rubens, Bacon, Spinoza, Caravaggio, Pascal enzovoort. Het beeld dat Grayling van die mensen schetst, is vaak erg ontnuchterend. Zo bleek Descartes, bekend om zijn ‘Ik denk dus ik ben’, een godvrezende man die wel heel bizarre dromen  – over buitenlandse meloenen, schimmen en luide knallen’ – had. En Bacon stierf dan weer aan een longontsteking, als gevolg van zijn experimenten om kip langer te bewaren door die met ijs te vullen.

Oude Wereld

In het tweede deel verliest het boek wel wat aan spankracht. Dit komt doordat Grayling iets te lang blijft stilstaan bij de – toegegeven, verwoestende – Dertigjarige Oorlog die in de zeventiende eeuw Europa teisterde (en in 1648 eindigde). Het is natuurlijk een beruchte contradictie met de intellectuele revolutie die aantoont tot wat de mens in staat is. En ook schetst het heel mooi de beklemmende sfeer die toen in de Oude Wereld heerste. Aan de andere kant staat het onderwerp van oorlog een beetje haaks op het hoofdthema van het boek.

Met De tijd van het genie presteert Grayling eigenlijk hetzelfde als Bill Bryson en diens Een kleine geschiedenis van bijna alles, maar dan louter gefocust op de zeventiende eeuw. Dit is een doorwrocht werk, rijk aan anekdotes en bol van de wetenschappelijke inzichten die op mensenmaat worden uitgelegd. Het boek bevat in het midden bovendien een heel verzorgd beeldkatern.

Bewijst of bewezen?

Wel nog een waarschuwing voor wie het boek openslaat en het openingscitaat van Thucydides leest. Daar staat ‘Geschiedenis is filosofie, bewijst met voorbeelden’. Een knoert van een schrijffout zou je denken – moet het niet ‘bewezen’ zijn? – maar dat klopt niet: ‘bewijst’ betekent hier gewoon ‘wijzer maken’. En zo valt er letterlijk op élke pagina wel iets te leren.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Samen komen we verder

recensie: Andrea Wulf - De uitvinder van de natuur. Het avontuurlijke leven van Alexander von Humboldt

Alexander von Humboldt was een homo universale, die met Goethe en Thomas Jefferson filosofeerde en eind 18e eeuw zich al kritisch uitte over het westers kapitalisme. Zijn ideeën leven voort, zijn leven is vergeten, blijkt uit Andrea Wulfs nieuwe biografie.

In De uitvinder van de natuur, geschreven door Andrea Wulf en onderscheiden  met de Costa Biography Award, volgen we Duitse Alexander von Humboldt vanaf zijn geboorte in 1769 tot aan zijn dood in 1859. Andrea Wulf, auteur van een aantal boeken over Engelse tuinen en de natuur, beschrijft zowel de feiten van Humboldts leven, als ook de invloed die Humboldts ideeën hebben gehad de afgelopen tweehonderd jaar. Centraal staat haar verbazing dat de man naar wie honderden planten- en dierensoorten, asteroïden en straten zijn vernoemd in de vergetelheid is geraakt.

En dat terwijl Humboldt tot op de dag van vandaag bepaalt hoe wij – westerlingen – ons tot de natuur verhouden. De aarde noemde hij ‘een natuurlijk geheel dat door inwendige krachten wordt aangestuurd en bezield’, en zie daar de kern van ons huidige idee van ecosystemen. Humboldt had een hekel aan grenzen (tussen vakgebieden, of tussen kunst en wetenschap) en zag verbanden tussen ecologie en politiek. Die houding is, volgens Wulf, ‘van meer betekenis dan ooit’: alleen door verbanden te leggen kunnen we de klimaatverandering aanpakken. Tijd voor een herwaardering.

Beroemde wetenschapper

Hoewel Humboldt en zijn oudere broer Wilhelm in een adellijk Pruisisch geslacht werden geboren (vandaar het ‘von’ in hun achternaam), stond het bij Alexanders geboorte niet vast dat hij een bekende geleerde zou worden. Zijn jeugd was ongelukkig: hij las veel, maar daar kon hij weinig mee. Met tegenzin werd hij mijninspecteur: werk waar hij goed in was, maar dat hem geen voldoening opleverde. Zijn broer, intussen, werkte zich op binnen het ambtenaren- en diplomatenapparaat.

Via Wilhelm ontmoette Alexander Goethe en Schiller, met wie hij intense gesprekken voerde. Zelfs de grote Goethe, die zelf van vele markten thuis was, kon de jonge Humboldt soms maar amper (of net niet) volgen: hij sprak ontzettend snel, en zijn ideeën gingen alle kanten op. Die observatie keert een aantal keer terug in De uitvinder van de natuur. Het houdt Humboldt niet tegen: wanneer hij, terug uit een jarenlange reis door Zuid-Amerika, in Parijs openbare colleges houdt, zitten de zalen voller vol om naar zijn pijlsnel afgevuurde betogen te luisteren.

Vanaf dat punt in de biografie – zo ongeveer halverwege Humboldts leven – duiken steeds meer grote namen op. Simón Bolívar bijvoorbeeld, de Venezolaanse vrijheidsstrijder, en Charles Darwin en Henry David Thoreau. Iedereen wil Humboldt ontmoeten en zich laven aan zijn verhalen over verre oorden, aan zijn betogen over planten en bergen, over lucht en aarde, politiek en wetenschap. Over dat laatste onderwerp had hij nog wel eens een aanvaring. Humboldt zag in slavernij de menselijke overheersing en uitputting van de aarde weerspiegeld en was om die reden tegen. Maar zijn vriend Thomas Jefferson was voor: zijn rijkdom was voor een groot deel gebaseerd op plantages.

Eenzaam hoog

Wulf legt nogal veel nadruk op de fysieke ontberingen die Humboldt heeft moeten doorstaan op zijn grote reis door Zuid-Amerika – en, later, door Rusland. Dat ontzag komt niet verder dan het particuliere. Het meest inspirerende en vernieuwende aan haar portret van Humboldt is echter de manier waarop hij verbanden legt tussen domeinen die tot dan toe (en nog steeds) als gescheiden werden gezien. In de tijd dat het Westerse kapitalisme goed op stoom begon te komen, waarschuwde Humboldt dat dat economische systeem op de uitputting van zowel mens als aarde beruste. Die observatie is nog lang niet overal ingedaald.

Met het kapitalisme had Humboldt sowieso weinig op: hij was uiterst gul met het delen van kennis, ideeën en spullen. Copyright was hem vreemd: samen komen we verder. Ook dat is in onze tijd een inspirerende en lovenswaardige houding. Ironisch genoeg staat deze praktijk ook haaks op het door zijn broer Wilhelm ontwikkelde universiteitsmodel, waar de wetenschap opgedeeld wordt in disciplines en departementen. Dat maakt Wulfs observatie dat we Humboldt uit het oog zijn verloren extra pijnlijk.

De invloed die Alexander von Humboldt door zijn openheid heeft uitgeoefend is groot. Wulf heeft er voor gekozen dat duidelijk te maken door hoofdstukken te wijden aan ontmoetingen met andere grote geesten en hoe zij Humboldts ideeën verder brachten. Deze roepen de vraag op of De uitvinder van de natuur een biografie van Humboldts leven of van zijn ideeën is: als symbiose van die twee is het niet geheel geslaagd. Daarvoor steken deze hoofdstukken te veel uit. Dat bewijst nog maar eens hoe eenzaam hoog Alexander von Humboldt staat.

Reageer op dit artikel