Berichten

Theater / Voorstelling

De mannenparadox

recensie: Lucas De Man, Ahmet Polat en Rashif El Kaoui - De Man Is Lam

In een fraai voorbeeld van nominatief determinisme heeft theatermaker en presentator Lucas De Man een onderzoekende voorstelling gemaakt over het fenomeen van zijn achternaam: Wat betekent het eigenlijk om een man te zijn? Die vraag inspireerde een zoektocht van barbershop tot boekenkast en leidde tot een vlammend multimediaal betoog over de vele tegenstrijdige facetten van ons ideaalbeeld van de moderne vent.

“Ken je de mannenparadox?” vraagt Lucas De Man halverwege de voorstelling aan zijn publiek. Dat is kort gezegd het probleem dat de moderne man net zo goed behulpzaam moet zijn  in de keuken als dat hij een ongeremd beest is in bed. De moderne man moet laveren tussen viriele retrograde macho en een emotioneel toegankelijke feministische softie. Lucas De Man, die de toepasselijkheid van zijn achternaam niet schuwt, citeert onderzoek waaruit blijkt dat de moderne (blanke, heteroseksuele, hoogopgeleide) man meer in het gedrang is dan je misschien zou denken: meer dan 80% van alle berichtgeving over mannelijkheid is negatief, zo’n 40% van alle meldingen van huiselijk geweld wordt gedaan door mannen en ze staan bovenaan de lijstjes van zelfmoord en eenzaamheid. In de tijd van gender studies en identiteitspolitiek is ook het zelfbeeld van de man op losse schroeven komen te staan: waar de (blanke, heteroseksuele, hoogopgeleide) man historisch gezien altijd zichzelf als de norm zag, moet hij zich nu aanpassen aan nieuwe culturele normen.

De betekenis van man-zijn

Kortom, zoals de titel van de voorstelling het al zegt: De Man Is Lam. Gelukkig is de voorstelling geen Baudeteske tirade tegen de gemankeerde mannelijkheid, maar een oprechte en komische zoektocht naar de betekenis van het man-zijn in deze tijd. Zo worstelt Lucas De Man met de vraag of je jezelf wel mag laten pijpen door je vriendin terwijl je je tegelijkertijd verzet tegen de maatschappelijke onderwerping van de vrouw. Op een ander moment horen we dat Nivea Men alleen de gezichtscrème verkocht krijgt met een reclame waarin een crèmesmerende übermacho een houtzaagwedstrijd wint met twee fotomodellen aan elke arm.

Goedkoop applausmomentje

Maar het onderzoek naar de contemporaine man ging verder dan het graven in de eigen ziel. De Man Is Lam is onderdeel van een breder kunstproject dat naast theater bestaat uit een fotografietentoonstelling en een podcastreeks met zo’n 180 interviews over het onderwerp man. Zowel de foto- en videografie van Ahmet Polat als de interviewfragmenten van Rashif El Kaoui versterken de toch al krachtige solo-performance van Lucas De Man, die betogend wisselt tussen alleman en mannetjesputter maar zichzelf en zijn opvattingen voortdurend onder de loep blijft leggen. Zo kapt hij een goedkoop applausmomentje af na zijn lofzang op complexiteit om het publiek erop te wijzen hoe makkelijk dat is om te roepen. Hij heeft als performer een nonchalante air en tegelijkertijd een roestvaste beheersing van de zaal, in één zin kan Lucas De Man zijn publiek laten bulderen van het lachen en zo stil krijgen dat je een speld kan horen vallen.

De bijdrages van Ahmet Polat en Rashif El Kaoui zorgen ervoor dat de blik op mannelijkheid breder wordt dan het perspectief van de blanke (heteroseksuele, hoogopgeleide) man. Tijdens de voorstelling horen we  interviewfragmenten met  onder andere Tilburgse kickboxers en Rotterdamse hangjongeren en op projectieschermen zien we behalve  Hollandse rugbyers ook een Turkse man breien. Daarnaast wordt een groot deel van de monoloog van Lucas de Man vanuit het oogpunt van een migrantenzoon verteld.

Vrolijk ontregelend

Hoe sterk de neiging ook is, De Man Is Lam geeft ons gelukkig geen eenduidige oplossing voor de mannenparadox. Het is zeer lastig om genuanceerd over het onderwerp gender te praten en tegelijkertijd iets daadwerkelijk substantieels te zeggen. Maar Lucas De Man maakt wel op een vrolijk ontregelende wijze voelbaar dat seksuele identiteit tegelijkertijd een bron van schaamte en van trots kan en mag zijn. Dat wij kerels daar nu pas echt openlijk mee beginnen te worstelen geeft misschien aan hoe ver wij eigenlijk achterlopen met onze emancipatie.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

De mannenparadox

recensie: Lucas De Man, Ahmet Polat en Rashif El Kaoui - De Man Is Lam

In een fraai voorbeeld van nominatief determinisme heeft theatermaker en presentator Lucas De Man een onderzoekende voorstelling gemaakt over het fenomeen van zijn achternaam: Wat betekent het eigenlijk om een man te zijn? Die vraag inspireerde een zoektocht van barbershop tot boekenkast en leidde tot een vlammend multimediaal betoog over de vele tegenstrijdige facetten van ons ideaalbeeld van de moderne vent.

“Ken je de mannenparadox?” vraagt Lucas De Man halverwege de voorstelling aan zijn publiek. Dat is kort gezegd het probleem dat de moderne man net zo goed behulpzaam moet zijn  in de keuken als dat hij een ongeremd beest is in bed. De moderne man moet laveren tussen viriele retrograde macho en een emotioneel toegankelijke feministische softie. Lucas De Man, die de toepasselijkheid van zijn achternaam niet schuwt, citeert onderzoek waaruit blijkt dat de moderne (blanke, heteroseksuele, hoogopgeleide) man meer in het gedrang is dan je misschien zou denken: meer dan 80% van alle berichtgeving over mannelijkheid is negatief, zo’n 40% van alle meldingen van huiselijk geweld wordt gedaan door mannen en ze staan bovenaan de lijstjes van zelfmoord en eenzaamheid. In de tijd van gender studies en identiteitspolitiek is ook het zelfbeeld van de man op losse schroeven komen te staan: waar de (blanke, heteroseksuele, hoogopgeleide) man historisch gezien altijd zichzelf als de norm zag, moet hij zich nu aanpassen aan nieuwe culturele normen.

De betekenis van man-zijn

Kortom, zoals de titel van de voorstelling het al zegt: De Man Is Lam. Gelukkig is de voorstelling geen Baudeteske tirade tegen de gemankeerde mannelijkheid, maar een oprechte en komische zoektocht naar de betekenis van het man-zijn in deze tijd. Zo worstelt Lucas De Man met de vraag of je jezelf wel mag laten pijpen door je vriendin terwijl je je tegelijkertijd verzet tegen de maatschappelijke onderwerping van de vrouw. Op een ander moment horen we dat Nivea Men alleen de gezichtscrème verkocht krijgt met een reclame waarin een crèmesmerende übermacho een houtzaagwedstrijd wint met twee fotomodellen aan elke arm.

Goedkoop applausmomentje

Maar het onderzoek naar de contemporaine man ging verder dan het graven in de eigen ziel. De Man Is Lam is onderdeel van een breder kunstproject dat naast theater bestaat uit een fotografietentoonstelling en een podcastreeks met zo’n 180 interviews over het onderwerp man. Zowel de foto- en videografie van Ahmet Polat als de interviewfragmenten van Rashif El Kaoui versterken de toch al krachtige solo-performance van Lucas De Man, die betogend wisselt tussen alleman en mannetjesputter maar zichzelf en zijn opvattingen voortdurend onder de loep blijft leggen. Zo kapt hij een goedkoop applausmomentje af na zijn lofzang op complexiteit om het publiek erop te wijzen hoe makkelijk dat is om te roepen. Hij heeft als performer een nonchalante air en tegelijkertijd een roestvaste beheersing van de zaal, in één zin kan Lucas De Man zijn publiek laten bulderen van het lachen en zo stil krijgen dat je een speld kan horen vallen.

De bijdrages van Ahmet Polat en Rashif El Kaoui zorgen ervoor dat de blik op mannelijkheid breder wordt dan het perspectief van de blanke (heteroseksuele, hoogopgeleide) man. Tijdens de voorstelling horen we  interviewfragmenten met  onder andere Tilburgse kickboxers en Rotterdamse hangjongeren en op projectieschermen zien we behalve  Hollandse rugbyers ook een Turkse man breien. Daarnaast wordt een groot deel van de monoloog van Lucas de Man vanuit het oogpunt van een migrantenzoon verteld.

Vrolijk ontregelend

Hoe sterk de neiging ook is, De Man Is Lam geeft ons gelukkig geen eenduidige oplossing voor de mannenparadox. Het is zeer lastig om genuanceerd over het onderwerp gender te praten en tegelijkertijd iets daadwerkelijk substantieels te zeggen. Maar Lucas De Man maakt wel op een vrolijk ontregelende wijze voelbaar dat seksuele identiteit tegelijkertijd een bron van schaamte en van trots kan en mag zijn. Dat wij kerels daar nu pas echt openlijk mee beginnen te worstelen geeft misschien aan hoe ver wij eigenlijk achterlopen met onze emancipatie.

Reageer op dit artikel

keizer
Boeken / Non-fictie

Keizer-lijk

recensie: Fik Meijer - Keizers sterven niet in bed
keizer

Op een zeldzame uitzondering na waren de keizers van het Romeinse Rijk allemaal kleurrijke figuren met hier en daar een schroefje los. Een boek over hoe al die keizers aan hun einde kwamen, lijkt dan ook gewonnen spel. En toch is Keizers sterven niet in bed licht ontgoochelend.

Allereerst: Keizers sterven niet in bed is geen nieuw boek, maar de tiende druk van een werk dat in 2001 verscheen. Fik Meijer is nu eenmaal een van de populairste Nederlandse schrijvers als het op ‘geschiedenis light’ aankomt. Dat vind ik persoonlijk redelijk onbegrijpelijk: zowel zijn boeken Paulus als Jezus en de vijfde evangelist getuigen van weinig stilistisch talent en durven de historische feiten al eens té los te benaderen.

In dat opzicht is Keizers sterven niet in bed in het voordeel. Meijer maakte intensief gebruik van (verschillende) bronnen, waardoor het geheel een gefundeerde indruk geeft. Los van het feit dat heel wat bronnen uit de oudheid elkaar tegenspreken over het einde van bepaalde keizers, wat de auteur in zijn inleiding ook toegeeft.

Repetitief

Als naslagwerk is Keizers sterven niet in bed best boeiend: een overzichtelijk, want chronologisch, overzicht van alle keizers. Wie snel iets over een bepaalde caesar wil opzoeken, zit met dit boek gebeiteld. Als literatuur is het echter heel wat minder. Dit komt door het – enigszins begrijpelijke – repetitieve patroon dat Meijer hanteert. Van elke keizer wordt eerst een korte biografische schets gegeven, met dan in deel twee het levenseinde. Bij heel wat caesars is dat boeiend: de ene wordt vermoord terwijl hij stond te plassen, de ander leed dan weer dagenlang helse pijnen aan zijn geslachtsdelen omwille van een vreselijk (en stinkend) gezwel.

Maar vanaf de derde eeuw begint het, vooral omwille van de kleurloze keizers, ronduit saai te worden, en wanneer de tetrarchie zijn intrede doet – waarbij maar liefst twee hoofdkeizers en twee onderkeizers tegelijkertijd regeerden – zelfs ronduit verwarrend. Zeker gezien het strakke tempo dat de schrijver hanteert. Geraak maar eens wijs uit dit:

‘Honorius’ zuster Galla Placidia, die gehuwd was geweest met Constantinus, wilde dat haar zoon Valentinianus III Honorius zou opvolgen. Omdat Honorius voor zijn dood geen regelingen had getroffen, beschouwde Theodosius II in Constantinopel zich echter als de enige rechtmatige keizer in het Romeinse Rijk.’

Boeiende intermezzo’s

Eigenlijk zijn vooral de intermezzo’s erg boeiend. Vooral dan de bladzijden waarin Meijer de neergang van de steden beschrijft, waarbij de notabelen zich terugtrokken op hun immense landgoederen. Heel wat mensen zochten en kregen daarna bescherming bij hen – uiteraard tegen bepaalde voorwaarden. Dit was natuurlijk dé kiem van het lijfeigenensysteem, zo typisch voor de Middeleeuwen. Die overgang tussen oudheid en Middeleeuwen wordt heel fraai beschreven. Maar dat is helaas te weinig om dit boek een aanrader te noemen.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Klein maar fijn

recensie: Geniaal getekend. Van Da Vinci tot Rembrandt

De tentoonstelling Geniaal getekend in het Amsterdamse Cromhouthuis kun je bekijken vanuit het oogpunt van een glas dat ofwel halfleeg, dan wel halfvol is. Beide standpunten worden hier ingenomen, met de nadruk op het laatste.

Als bezoeker kun je je er bijvoorbeeld over verbazen dat de ongeveer vijfentwintig tekeningen uit de collectie van steenkolenmagnaat Carel Joseph Fodor (1801-1860) te zien zijn in twee piepkleine kamers, waarvan één onder de trap van de statige panden aan de Herengracht. Maar als je van de schrik bekomen bent, kun je ook stellen dat die intieme, donkere kabinetten precies beantwoorden aan het doel dat gastcurator Taco Dibbets (directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam) zich stelde: liefhebbers leren kijken naar de tekenkunst van enkele grote meesters, van Da Vinci tot Rembrandt.

Kop van een grijsaard – Leonardo da Vinci (1452-1519), Pen in bruine inkt op papier, 100 x 95 mm

Mensen en gezichten

Dibbets koos als rode draad in zijn selectie voor tekeningen van mensen en gezichten, in dit geval vingeroefeningen en voorstudies. Zoals Rembrandts tronie in Kop van een oude man, die wordt getoond naast Da Vinci’s voorstudie voor wellicht een apostel op het Laatste Avondmaal (Milaan): Kop van een grijsaard (uit de boedel van koning Willem II).

Het mooie, bescheiden begeleidende boekje bij de tentoonstelling geeft niet alleen de herkomst van de tekeningen aan, maar ook een afbeelding van zo’n schilderij, zoals bij respectievelijk Jonge man die een jonge vrouw ontmoet en De liefdestuin van Rubens. Het was leuk geweest zo’n afbeelding op de tentoonstelling naast de voorstudie te zien, maar daarvoor ontbrak natuurlijk de ruimte.

Vrouwenhoofd – Fransesco Salviati (1509/10-1563), Zwart krijt op papier, 213 x 158 mm

Naast elkaar

Wat Dibbets wel naast elkaar laat zien, zijn twee prachtige, fijne vrouwenhoofden van Fra Paolini Pistoia en Francesco Salviati. De eerste is met houtskool getekend, de tweede – een voorstudie voor de Madonna voor de Santa Christiana in Bologna – met zwart krijt. Maar dan vraag je je wel meteen af waarom hij de Twee mannen van Goltzius niet naast de Kop van een jonge man van diens leerling Jacob de Gheyn hing: alle mannen kijken omhoog, wat een ongebruikelijke pose is. Ook dan had Dibbets zijn punt kunnen maken ten aanzien van de verschillen in techniek om de haardracht af te beelden: getekend met respectievelijk metaalstift en krijt, wat natuurlijk (leren kijken!) een totaal verschillende uitwerking heeft.

Voor fijnproevers

Het is een goede zaak dat twee relatief kleine Amsterdamse musea, die allebei een naamsverandering hebben ondergaan om de breedte van de collectie te accentueren, de handen ineen hebben geslagen om deze kleine expositie voor fijnproevers mogelijk te maken: het Amsterdam Museum (voorheen Amsterdams Historisch Museum), waar de Fodor-collectie toe behoort, en het Cromhouthuis (voorheen het Bijbels Museum, dat er nu onderdeel van uit maakt), waar de expositie te zien is. Bezoekers krijgen op die manier de kans weer eens enkele hoogtepunten uit de Fodor-collectie te zien.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Wat is relevant in een biografie en wat niet?

recensie: Peter Janszen en Frans Oerlemans - Willem Kloos [1859-1938]: O God, waarom schijnt de zon nog!

Willem Kloos was de beste dichter van de negentiende eeuw. O God, waarom schijnt de zon nog! is niet het eerste biografische werk dat van hem is verschenen, maar wel het meest volledige. Te volledig?

Het duo Janszen en Oerlemans heeft de archiefkast tussen twee kaften omgekieperd. Dat is meteen al doorbijten zo lang Kloos nog geen portee heeft. Maar het hele boek door passeren wrijvingen en ruzietjes, kattebelletjes, reisjes, gedoe met liefjes, geldzorgen en ziektes stevig de revue. Er wordt ruim geciteerd uit niet erg ravissante brieven. De overmaat weerspiegelt zich ook in de talrijke illustraties.

Boeiender wordt het als de levenslustige Jacques Perk zijn intrede doet. Algauw botst het met zijn vriend Kloos, die zich extreem afzondert en het liefst met Jacques alleen is. Perk verbreekt de vriendschap en sterft weinig later aan TBC. Dan lezen we van Kloos een gedicht dat indruk maakt: een in domineesland niet eerder geschreven verskunst met even echte als diepe emoties en stemmingen. De 22-jarige Kloos bezorgde Perks Verzamelde gedichten en gebruikte zijn ‘Inleiding’ om voor de nieuwe poëzie een lans te breken. Dat viel bij de gevestigde literatoren allerminst in goede aarde, want het oude was goed en het nieuwe abracadabra.

Alcoholica

Kloos had geen ideale kindertijd. Het is deels hieraan te wijten is dat hij moeite met het leven bleef hebben. Maar zijn psyche speelde hem meer parten, waardoor hij overmatig zijn toevlucht zocht in de alcohol. Dit had tot gevolg dat hij agressief werd, of zich isoleerde en zich vervuilde . Vrienden begrepen niet ‘dat iemand die zoo krachtig schrijft, zoo slap kan leven.’ Frederik van Eeden: ‘Hoe heeft God het omhulsel ruw en slordig afgewerkt om daar binnen in met al zijn scheppingskracht een wonder te kunnen maken van teeder-bevend, doorzichtig-lichtend schoon.’ Kloos maakt de indruk zijn hooggestemde liefdesideeën niet aan te kunnen passen aan de nu eenmaal beperkte mogelijkheden. Albert Verwey schrijft dat Kloos alles van het leven eiste, nooit iets gaf en helemaal verdween in de verbeelding van zijn verzen.

Ik, die droef-wachtend op des Levens tinnen

Melodieus zit klagend, naar den dag

Opstijgend glorieus, van wat eens mag

Bevredigen mijn ziel en zachte zinnen.

Het tijdschrift De Nieuwe Gids, Kloos’ kindje, was de spreekbuis van de nieuwe generatie. Al werd op zijn tijd, om verlies van abonnees te voorkomen, enige zelfcensuur toegepast. Het zelden florerende blad bood niet alleen goed zicht op de nieuwe literatuur en schilderkunst, maar ook op de politiek die zijn bekomst had van liberalisme en confessionalisme. In 1882 werd in Amsterdam de eerste openbare vergadering van de ‘gevaarlijke’ Sociaal-Democratische Bond van Domela Nieuwenhuis door de politie onmogelijk gemaakt en in een café op de Nieuwmarkt voortgezet. De dominee moest voor een jaar het gevang in voor een luttele schennis van majesteit Willem III.

Ballast

Het is de vraag welke doelgroep de schrijvers op het oog hadden met O God, waarom schijnt de zon nog! Zelfs vakgenoten zullen niet op het puntje van hun stoel zitten bij alle uitgesponnen beschrijvingen en citaten. Minder ingewijde lezers haken af of gaan over op een diagonale lezing. Als ze al een reden hebben om een boek in huis te halen met poëzie die nogal afwijkt van het huidige Nederlands. Om overzicht te krijgen kan het enigszins helpen om het samenvattende en concluderende nawoord juist vooraf te lezen.

Zonder twijfel is er allemachtig veel werk verzet om de vloed aan details boven water te halen, op een overzichtelijke rij te zetten en redelijk vlot op papier te zetten. Wie eenmaal weet door te zetten raakt mogelijk zo vertrouwd met de optredende figuren dat je de ballast voor lief neemt. Maar wie toegankelijker over Kloos c.s. wil lezen, raadplege Bart Slijpers In dit gevreesd gemis (2012).

Reageer op dit artikel

Voudou
Boeken / Non-fictie

Spannend verpakte muziekles

recensie: Leendert van der Valk - Voudou
Voudou

Wie Voudou van Leendert van der Valk leest, begrijpt wat voor invloed de Afrikaanse muziek in de hedendaagse muziek heeft. Die invloed vind je terug in veel meer muziek dan wij beseffen. Voudou, of voodoo, heeft in dit boek niets te maken met poppetjes en spelden maar is de bron waar veel muzieksoorten uit ontstaan zijn.

De ondertitel van Voudou is: van New Orleans naar Cotonou op het ritme van de goden. Na het lezen van het boek begrijp je vooral het laatste beter. Voudou is niet los te zien van voodoosi; en dat zijn gelovigen, net als christenen en islamieten. De muziek die gemaakt wordt bij deze geloofsovertuiging, tijdens het oproepen van de goden bijvoorbeeld, is de muziek die zijn invloeden heeft laten gelden in veel andere muzieksoorten. Muziek die mee werd gebracht met de slaventransporten van Afrika naar andere plaatsen op de wereld.

Breed pallet aan invloeden

Als één ding duidelijk wordt in het boek dan is wel dat voudou helemaal verweven is met onze moderne muziek. De tentakels van deze muziek vinden we terug in bijvoorbeeld ht werk van Buena Vista Social Club, James Brown, Beyoncé, Arcade Fire, Dr. John en The Neville Brothers. En die lijst is nog veel en veel langer. Fela Kuti is een van de Afrikaanse grootmeesters die ook in Europa voet aan de grond wist te krijgen. In zijn muziek is de voudou misschien wel het puurst aanwezig; muziek die wij in het Westen hebben leren waarderen.

Een opvallende link tussen de muziek uit Afrika en de moderne muziek is Cuba. Dit land herbergt een bijzondere verbinding tussen de stromingen die niet direct te verklaren is.Cuba fungeert als een soort tussenhaven naar andere muziekstromingen. In Cuba wordt de Afrikaanse muziek versneden met de westerse.

Inwijding voor bescherming

Wie de muzikale, maar ook fysieke, reis van Leendert van der Valk volgt door dit boek te lezen, zal naast veel plezier ook spannende momenten beleven. Van der Valk laat je meebeleven hoe hij de kennis wist te vergaren. Deze opgedane kennis zal de lezer nog vele jaren bijblijven want elke keer als je nu muziek hoort, zul je de invloeden horen en herkennen. Soms lijkt voudou wel overal in te zitten.

Van der Valk heeft kans gezien om veel informatie zo te verpakken dat het boek leest als een spannend reisverhaal over de wereld en door de muziekgeschiedenis. Zijn belevenissen, allemaal op touw gezet om het naadje van de kous te weten te komen over voudou, brengen hem op plaatsen en in situaties die soms hachelijk genoemd kunnen worden. Zo wordt van der Valk ingewijd in de voodoosi en wordt hem op het hart gedrukt nooit in trance te raken omdat dat gevaarlijk voor hem is. Ook hoort hij dat hij geen rode kleding mag dragen. Er worden dieren voor hem geofferd, hoewel Van der Valk daar eigenlijk heel veel moeite mee heeft. Toch laat hij het toe en hij beschrijft hoe de angst hem soms om het hart slaat. Hij heeft de wil het boek te schrijven maar heeft daar wel de bescherming en toestemming van de voodoosi voor nodig.

Soms moet de schrijver engelengeduld hebben om iets te weten te komen; Afrikanen hebben geen moeite met wachten en laten wachten. Een enkele keer lijkt die onhebbelijkheid Van der Valk zelfs te veel te worden.

Soundtrack bij het boek

Op het Excelsior-label is tegelijkertijd met het boek een cd verschenen met liedjes die verhelderend werken bij lezen van het boek. Natuurlijk is het onmogelijk om alle composities die genoemd worden in het boek daarop ten gehore te brengen, nog los van het regelen van de rechten omtrent die muziek.

Toch herbergt de cd Voudou – Sound of Voodoo een fraaie bloemlezing om te verduidelijken waar die invloeden van de voudoumuziek in terug zijn te horen. We horen bekende artiesten als Coco Taylor, Gill Scott Heron, Louis Armstrong, Dr. John en Gilles Peterson voorbijkomen. Maar ook artiesten die velen niets zullen zeggen dragen hier hun muzikale steentje bij. Zo vormt ook deze soundtrack een ware ontdekkingstocht door de muziekhistorie met zijn voudou-invloeden, die er niet altijd als een dikke schil bovenop of omheen liggen. Er zitten zeker artiesten bij die nadere bestudering van de muziek de moeite waard maakt. Neem bijvoorbeeld het fraaie ‘River’, uitgevoerd door Ibeyi, dat voor iedereen die het album uit 2015 niet kent een openbaring zou kunnen zijn; zwaar onderschat toen het verscheen. Maar voor mooie muziek is het nooit te laat!

Met Voudou heeft Leendert van der Valk een dijk van een boek geschreven dat een openbaring is over de invloeden van de Afrikaanse muziek op veel andere muzieksoorten. Het zit verstopt in veel hedendaagse, maar ook klassieke muziek. Het is een boek dat je de oren en soms ook de ogen doet openen voor klanken die we eerder wel hoorden maar nog niet begrepen.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Nzume schrijft menselijk, relativerend en toegankelijk

recensie: Anousha Nzume - Hallo witte mensen

‘Een product uit het giffabriekje dat identiteitspolitiek heet,’ oordeelde Elma Drayer in haar column in de Volkskrant over Anousha Nzume’s Hallo witte mensen. Een raar verwijt: dit boek is niet perfect, maar een dergelijk product is het niet.

Veel mensen gaan al steigeren zodra ze woorden als ‘culturele toe-eigening’ en ‘wit privilege’ horen. En het klopt dat tot er discussies over identiteit en etniciteit gevoerd worden die niet boven de privébesognes van de deelnemers uitstijgen. Maar zo’n boek is Hallo witte mensen van Anousha Nzume overduidelijk niet: Nzume grondt wat ze zegt duidelijk in discussies over macht en ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen van verschillende etnische achtergronden. Er is dus geen sprake van particulier ‘geneuzel’, van ‘geklaag’ van iemand die zich achtergesteld voelt en daarom via een boek haar ‘gelijk’ probeert te halen.

Cruciale bijdrage

Hallo witte mensen is een cruciale bijdrage aan het publieke debat en de discussie over diversiteit en de omgang met verschil en pluraliteit in onze samenleving. Als witte Nederlander hoef je het niet met alles eens te zijn wat Nzume in Hallo witte mensen schrijft, maar te vaak blijkt dat niet eens over de basisaannamen overeenstemming bestaat. Hierdoor ontaardt elke discussie in een scheldpartij en lijkt iedereen aanstoot aan elkaar te nemen, in plaats van tot begrip en inzicht te komen. Dit is absurd. Een aantal historische feiten valt niet te ontkennen: dat Nederland honderden jaren lang een groot overzees rijk heeft gehad, dat ons land actief bij de slavenhandel betrokken was, dat ter legitimatie van deze ondernemingen allerlei racistische representaties van de zogenaamd inferieure ‘niet-witte’ gemobiliseerd werden. En dat deze processen nog steeds na-ebben, en niet in een paar decennia totaal verouderd zijn geworden.

Waar Nzume toe oproept, en met haar vele activisten, academici en anderen, waarvan een aantal hun opwachting maakt in Hallo witte mensen, is een zekere zelfreflexiviteit, een bewustzijn van ieders positie. Wie wij zijn en, belangrijker, hoe anderen ons zien, wordt voor een niet onaanzienlijk deel bepaald door hoe we eruitzien: man/vrouw is zo’n tweestelling, net als arm/oud en klein/groot. Ook zaken die in eerste instantie niks te maken hebben met ons uiterlijk, zoals rijkdom en seksualiteit, kunnen vaak afgelezen worden aan bijvoorbeeld iemands kleding en spraak. Over dit alles, zegt Nzume al vroeg in het boek, gaat Hallo witte mensen: dit boek gaat expliciet over kleur. Dus in plaats van te ontkennen dat iemands identiteit zich langs meerdere assen vormt, licht Nzume één zo’n as uit.

Toon

Het probleem met Hallo witte mensen is dus niet de insteek die het boek heeft, maar de toon waarop Nzume haar inzichten aanreikt. Al in de titel spreekt ze haar lezers direct aan, en dat blijft ze het hele boek doen. Vaak worden paragrafen of secties aan elkaar verbonden door frases als ‘je zult het nu wel doorhebben…’ of ‘Wat nu, lieve witte mensen?’ Ze houdt de afstand tussen tekst en lezer zo klein mogelijk. Aan de ene kant voorkomt ze zo dat Hallo witte mensen een droog academisch traktaat wordt, aan de andere kant bestaat het gevaar dat de vertelstem tot een imaginaire (witte) lezer spreekt, waardoor niemand zich echt aangesproken voelt. ‘Maar dit ken ik al,’ kan een lezer denken. ‘Ik ben mij al van deze dingen bewust.’ Onbedoeld creëert Nzume zo een vluchtweg.

Toch lijkt het alsof deze vertelstem soms de toegankelijkheid van de tekst in de weg zit. Nzume legt over het algemeen helder uit en is vooral op dreef tijdens anekdotes en illustraties van de meer theoretische begrippen. Deze verhalen zijn vaak plaatsvervangend beschamend of onbedoeld grappig. Ze tonen gestuntel, ook van Nzume zelf en zijn daardoor menselijk, relativerend en toegankelijk. Vooruitgang komt niet op een wit paard, maar komt juist door dat vallen en opstaan, door met elkaar te praten over grieven en obstakels. Op zulke momenten maakt Nzume het beste pleidooi voor haar zaak.

Reageer op dit artikel

kunstgeschiedenis
Boeken / Non-fictie

Kunstgeschiedenis in een notendop

recensie: Susie Hodge - De kleine geschiedenis van de kunst
kunstgeschiedenis

Kunsthistorica Susie Hodge schreef tal van bestsellers over de wereld van de kunst. In haar nieuwste boek, De kleine geschiedenis van de kunst, poogt ze een compacte en heldere introductie tot de kunstgeschiedenis te geven.

De kunstgeschiedenis is in deze bundel opgedeeld in vier hoofdstukken: stromingen, werken, thema’s en technieken. Het is mogelijk om De kleine geschiedenis van de kunst chronologisch te lezen, al is het verleidelijker de onderlinge verwijzingen tussen de onderwerpen te volgen. Lees je bijvoorbeeld over Fontein van Duchamp, dan word je ook verwezen naar de onderwerpen ‘dada’, ‘conceptuele kunst’, ‘handgemaakt’, ‘vorm en gedaante’ en ‘readymades’.

Vijftig werken

Het leeuwendeel van Hodges gids bestaat uit de bespreking van vijftig belangrijke werken uit de kunstgeschiedenis. Dit hoofdstuk is verreweg het interessantst, omdat er hier iets meer de diepte ingegaan wordt dan in de andere hoofdstukken. Van prehistorische tekeningen van stieren tot Damien Hirsts opgezette haai biedt Hodge context bij de werken.

Toch is van echte diepgang geen sprake. Hodge wil zo veel mogelijk kwijt in zo min mogelijk woorden. Bijvoorbeeld over Caravaggio, waarover ze schrijft dat ‘zijn korte, turbulente leven even dramatisch [was] als zijn kunst’. Deze wetenswaardigheid schept een verwachting. Hoe zag zijn leven eruit? Op welke manier was het turbulent en hoe is hij aan zijn einde gekomen? Helaas, het antwoord blijft Hodge ons verschuldigd.

Jammer is ook dat Hodge blijft steken bij Hirst. Natuurlijk is hij nog steeds relevant, maar ze bespreekt een werk dat meer dan 25 jaar oud is. Een toevoeging van recent werk van een Ai Weiwei of Cindy Sherman had het geheel wat vollediger gemaakt.

Kernachtig

De kleine geschiedenis van de kunst wordt gekenmerkt door orde en overzichtelijkheid. Hodge heeft haar best gedaan om de kunst vanaf de prehistorie tot aan nu behapbaar te maken. Beslist geen gemakkelijke opgave, maar Hodge slaagt er in kernachtig te blijven en laat zich niet verleiden tot lange uitweidingen. Veel meer dan twee of hooguit drie alinea’s besteedt Hodge niet aan een onderwerp. Gevolg hiervan is dat de teksten vrij statisch lezen, meer als een encyclopedische opsomming van feiten dan als een levendige geschiedenis.

Het is dan ook maar zeer de vraag of de gehele (westerse) kunstgeschiedenis zich er wel toe leent zo beknopt weergegeven te worden. Doordat alle uitleg zo gecomprimeerd is, zijn de teksten weinig genuanceerd. Hodge stipt kernwoorden aan. Romantiek? Dat was verbeelding en emotie. Hodge schetst een referentiekader voor verder onderzoek. De kleine geschiedenis van de kunst is niets meer of minder dan wat het claimt te zijn: een uiterst compacte weergave van de kunstwereld.

Reageer op dit artikel

Boeken / Fictie

Café als boksring, en de verliezer wint

recensie: Carson McCullers - De ballade van het treurige café

Deze vertaling, van Molly van Gelder, is de derde: de eerste verscheen in de titel van De ballade van de droeve herberg, de tweede in De ballade van het trieste café en de recente in De ballade van het treurige café. Gezien het eigenaardige taaleigen van het zuidelijk Amerikaans, lijkt de korte roman de beste vertaling gekregen te hebben.

Carson McCullers (1917-1967), geboren in Georgia, was goed bekend met de weinig fijnzinnige cultuur van de gehuchten in The Deep South. Een fabriek met arbeidershuizen er dicht omheen, een kerk, een Winkel van Sinkel en een café. Jaren dertig. Armoe, verveling, drank, ruzies en wraakzucht. De hoofdpersonages in De ballade van het treurige café veroorzaken misère of lijden eronder, om beurten of tegelijkertijd.

Mannetje

Miss Amelia is een eigenzinnige dame die haar mannetje staat; ze leeft goed van haar winkel die opeens tot een café blijkt uit te kunnen groeien. Ze is tien dagen getrouwd geweest met een ruwe bolster die er alles voor over had om voor haar te blijven vallen. Van meet af aan vergeefs. Ze deelden het bed niet eens. Grote vraag: waarom trouwde ze dan met de man? Aasde ze op wat hij in zijn koffer meebracht? De lezer mag gissen.

Niet alleen die vraag blijft door het hoofd gaan, ook wil je weten wat de dreiging is die in de lucht hangt. Wraak van de afgewezen echtgenoot? Stap voor stap neemt McCullers de lezer mee richting het afschuwelijke. Spannend dus, maar om die spanning is het niet in de eerste plaats te doen. Ze is het effect van hoe de drie hoofdpersonages in elkaar zitten en op elkaar reageren. Hun gedragingen nemen steeds meer absurde vormen aan. Het groteske lijkt ingezet om het bizarre van de gebeurtenissen te verhevigen, want die gaan soms over de top.

Compact

McCullers’ stijl van schrijven staat stoer overeind. Het is genieten geblazen van haar kunst om locaties voor het geestesoog op te roepen. Ze weet allerlei soorten mensen raak te karakteriseren. Volgens haar biografie ontleent ze haar beschrijvingen niet uit haar fantasie, maar uit haar eigen herinneringen van bestaande locaties en mensen. Het lijkt alsof ze tegenover je in een rocking chair zit en een verhaal in flashback vertelt.

Pas geleden is ook haar befaamde roman Het hart is een eenzame jager verschenen. Deze novelle was opgedragen aan de minnaar van McCullers’ echtgenoot. Op de eerste had ook zij een oogje, met de tweede hertrouwde ze na hun scheiding. Iets van dit ingewikkelds is in De ballade van het treurige café terug te vinden.

Halverwege het verhaal onderbreekt McCullers zichzelf met een korte beschouwing over de liefde. Als je die achteraf weer leest, vraag je je af in hoeverre je erin kunt vinden; zowel in verband met het verhaal, als met je eigen ervaring in de liefde.

Reageer op dit artikel

Weten versus geweten
Boeken / Non-fictie

Weten versus geweten

recensie: Floris Cohen - Het knagende weten
Weten versus geweten

Hoe verhouden wetenschap en geloof zich tot elkaar? Heeft de een de ander overbodig gemaakt? Of hebben ze niets met elkaar te maken? Floris Cohen behandelt deze vragen aan de hand van een elftal mannen wiens religieuze wereldbeeld door nieuwe kennis ingrijpend veranderde.

Tussen weten en geloven bestond lange tijd weinig spanning. Zo ongeveer alle grote geleerden waren diep gelovig. Maar vanaf de zeventiende eeuw begon bij steeds meer wetenschappers het weten te knagen aan het (religieuze) geweten.

Floris Cohen weet dit spanningsveld in zijn nieuwste boek goed in kaart te brengen. Deze hoogleraar in de vergelijkende geschiedenis van de natuurwetenschap is ook goed thuis in de filosofie omtrent dit onderwerp. Deze filosofische reflectie maakt dat het boek veel meer is dan een geschiedenisboek over de natuurwetenschap.

Legendes

De filosofische bril zet Cohen pas halverwege het boek op. Daarvoor is hij vooral de historicus die populaire misvattingen rechtzet. Zo klopt er van de dominante visie van het conflict tussen de Rooms-Katholieke Kerk en Galileo Galilei bar weinig. In eerste instantie zag de Kerk het heliocentrische wereldbeeld dat Galilei uitdroeg namelijk niet als strijdig met Bijbelse passages die een geocentrisch wereldbeeld impliceerden. Die zouden, net als Bijbelse verwijzingen naar een platte aarde, niet letterlijk genomen hoeven worden.

Het gevecht tussen Galilei en het Vaticaan is eigenlijk voor een groot deel een persoonlijke vete tussen de toenmalige paus en Galilei. Cohen beschrijft uitvoerig hoe het allemaal wél verlopen is en weet dat zo te doen dat het ook nog enorm spannend is om te lezen.

De legende over Galilei’s conflict met de Kerk is symbolisch voor de populaire opvattingen over de relatie tussen wetenschap en geloof. Ook van die visie laat Cohen weinig heel, zonder daarbij te vervallen in makkelijke oplossingen. Zo moet hij zowel weinig hebben van opvattingen dat wetenschap van religie niets over zou hebben gelaten, als van opvattingen dat wetenschap en religie niets met elkaar te maken zouden hebben – en er dus ook geen sprake van spanning zou zijn.

Nuance

Cohen laat aan de hand van historische figuren als Galilei, Newton, Darwin en Kant zien dat wetenschappelijke ontdekkingen wel degelijk voor spanningen zorgden en hun religieuze wereldbeeld aan het wankelen brachten – bij de één meer dan bij de ander – hoewel dit nooit volledig omviel.

Die nuance en finesse is vandaag de dag in het debat over religie en wetenschap vrijwel volledig afwezig. Op YouTube zijn talloze debatten tussen wetenschappers te vinden over het al dan niet bestaan van God. Of het nu atheïsten zijn, zoals Richard Dawkins, of gelovigen, zoals Francis Collins: Cohen moet er weinig van hebben. Hij stoort zich vooral aan het gebrek aan filosofische reflectie op de beperkte reikwijdte die inherent is aan de moderne natuurwetenschap. Hij verbaast zich erover dat zij die zich met zoveel toewijding inzetten om via de wetenschap het (niet) bestaan van God aan te tonen, zich nooit hebben verdiept in wat er in het verleden over dit thema is gezegd.

Wat er in het verleden over is gezegd, valt in aantrekkelijk proza te lezen in Het knagende weten en het boek is daarmee geen overbodige luxe voor de Dawkinsen en Collinsen van deze wereld.

Reageer op dit artikel

Troost
Boeken / Non-fictie

Troost in het tranendal

recensie: Bert Keizer - Vroeger waren we onsterfelijk
Troost

Sterven speelt in het leven van verpleeghuisarts en filosoof Bert Keizer een prominente rol. Als columnist van Trouw en Filosofie Magazine schrijft hij vaak over ethische kwesties en is hij langzamerhand het geweten van het euthanasiedebat geworden. In Vroeger waren we onsterfelijk, een nieuwe bundel columns, schrijft Keizer over de dood en of we, wachtend op het onvermijdelijke, ergens troost kunnen vinden.

Gerard Reve constateerde al eens dat schrijfsels van optimisten je tot zelfmoord brengen, terwijl van werken van pessimisten altijd een enorme troost uitgaat. Volgens mij heeft dat te maken met het gegeven dat pessimisten – waarschijnlijk uit noodzaak – meer gevoel voor humor hebben.

Humor

Bert Keizer kan een gevoel voor humor niet ontzegd worden en hij is inderdaad niet bepaald het zonnetje in huis. Men wordt, geheel in lijn met Reves bevinding, juist eerder vrolijk dan somber van dit boek. Ook al wijst Keizer ons er regelmatig in alle luchtigheid op dat we allemaal doodgaan en dat die dood vaak ófwel te vroeg komt of pas na vele jaren van aftakeling – en dus te laat.

In Keizers werk lees je veel van Reve terug – zowel wat betreft zijn gevoel voor humor als zijn levensopvatting. De pessimistische grondhouding zorgt voor een zoektocht naar troost. Keizer vindt die – en daarmee komen we bij de kern van het boek – vooral in de filosofie, literatuur en geneeskunde. Daar kan ‘uitzonderlijk goed gedacht, gehuild en gelachen’ worden

Geloof

Keizer verschilt van Reve op één belangrijk punt. Wat Reve vond, verloor Keizer: het geloof. Daar moet hij niets van hebben: ‘Ik was en ben volkomen immuun voor religiositeit en mijn andere idool uit die jaren, G.K. van het Reve, kon ik in religieus opzicht nooit volgen.’

Hoewel Keizer de Rooms-Katholieke Kerk er stevig van langs geeft, is zijn relatie met de kerk niet eenduidig. Zo vindt hij het celibaat achterlijk, maar voor de anglicaanse priesters (die wél mogen trouwen) heeft hij geen goed woord over: ‘als gepensioneerd katholiek vind ik dat een priester zonder neukverbod, nou ja, dat dat geen echte priester is’.

Keizer schrijft met een zekere weemoed over zijn katholieke jeugd. En hoewel hij zelf geen deel meer uitmaakt van die Kerk, verwijt hij de achterblijvers het gemak waarmee zij, in een poging bij de tijd te blijven, de hele katholieke santenkraam (de beelden, rituelen), bij het grofvuil hebben gezet:

‘De kerk in Nederland rent steeds achter de tijdgeest aan, in hun haast al die dingen van zich af gooiend die, als ze eraan vast hadden gehouden, hun kraampje nog redelijk draaiende hadden kunnen houden.’

Schuld

Ten aanzien van lijden en sterven, in dit geval van de kerk die hij in zijn jeugd bezocht, voelt Keizer compassie. En ten opzichte van de pater die hij nog van vroeger kende, schuld:

‘Als ik later met Pater B. naar buiten wandel door de lege kerk, waarin onze stemmen een plechtige echo krijgen, voel ik een zekere schuld tegenover deze mannen die door de wereld verlaten worden voordat zij haar verlaten hebben. Het is alsof we al over hen aan het napraten zijn terwijl ze er nog zijn. Het is wreed en er is geen verdediging tegen van hun kant. Wij van onze kant weten niet goed wat te doen.’

Dood

De dood heeft binnen het katholieke een duidelijke plaats, hetgeen waarschijnlijk ook de dubbelzinnige houding van Keizer tegenover dat geloof verklaart. Met het vraagstuk ‘dood’ is Keizer zich dus heel zijn leven blijven bezighouden. Hij komt alleen met een ander antwoord, of beter gezegd: geen antwoord. Net zomin als hij de antwoorden zoekt in een Goddelijke Plan, heeft hij weinig op met de ‘wij zijn ons brein’-mentaliteit waarin alle antwoorden liggen in het biologische. Darwinitis noemt hij dat.

De onderzoekende Keizer houdt meer van open vragen dan van alles verklarende antwoorden: ‘Als wij helemaal van de Aarde zijn, waar komt dan die on-aardse vlag vandaag die zo hardnekkig in ons hoofd blijft wapperen?’

Reageer op dit artikel