Muziek / Achtergrond
special: Drie dozen met twintigste-eeuwse muziek

Veel voor weinig

Temidden van het gekrakeel van de Kagels, Berio’s, Boulezzen en Carters zou je bijna gaan vergeten dat de vorige (ja, de twintigste) eeuw zoveel moois heeft opgeleverd. De steeds fellere concurrentieslag op de klassieke markt heeft Decca en EMI ertoe gebracht om delen van hun catalogus voor heel aantrekkelijke prijzen op de markt te smijten en voor de verandering worden daarbij ook eens minder uitgemolken delen van het repertoire aangeboden.

~

Arthur Honegger (1892-1955), een Franstalige Zwitser, begon weliswaar als deel van Les Six, een clubje (van, jawel, zes) componisten rond Erik Satie (bekend van radio, tv en Reinbert de Leeuw), maar hij bleek toch al snel wat te eigengereid om andermans ideetjes te volgen, trok zich terug in Zwitserland en deed sindsdien vooral zijn eigen ding. Honeggers (uitspreken ‘Onn-è-gèr om verwarring met die Oostduitse bril te voorkomen) claim to fame is vooral het symfonische gedicht Pacific 231 (1924), waarin hij probeert het beeld van een stoomlocomotief (2-3-1 slaat op de wielencombinatie) in muziek samen te vatten.

Binnen deze set schijnen Plasson en de zijnen zich echter voor Pacific het minst geïnteresseerd te hebben – die heb ik elders (bijvoorbeeld bij Dutoit op Erato) wel manischer gehoord. De symfonieën worden echter voorbeeldig gespeeld, vooral de energieke eerste en de nogal donkere vijfde (geschreven nadat Honegger door een zware hartaanval werd geveld), met gevoel voor Honeggers heel eigen muzikale taal, die nog het meest doet denken aan die van Bartók. De opnamen, allemaal uit de late jaren zeventig, zijn helder en ruimtelijk. En tja, voor tien euro…

Wunderkind

~

Paul Hindemith (1895-1963) was zeker niet minder eigenwijs dan Honegger. Hindemith begon het leven als wonderkind, beheerste vrijwel elk instrument (en anders leerde nam hij een weekje vrijaf om het te leren). Zijn muziek schurkt tegen het atonale aan, zonder dat overigens ooit te worden. Maar het klonk de nazi’s in de jaren dertig bizar genoeg in de oren om het tot Entartete Musik te veroordelen en daarmee Hindemith tot een bestaan in de VS. Hindemith was ook musicoloog en dat hoor je goed terug in zijn muziek: alles zit vol met citaatjes, variaties en stijlvormen uit andere perioden, vooral de barok: Hindemith heeft meer met Bach dan met Schoenberg. Daarbij schreef hij ook veel voor altviool, van oudsher een nogal genegeerd instrument.

Van bekend naar obscuur

Deze doos bevat zeker niet alle orkeststukken van Hindemith, maar wel een heel interessante collectie. Van CD’s 1 tot en met 3 word je van Hindemiths ‘hits’ (de Symfonische Metamorfoses en de Mathis der Maler-symfonie) via het altvioolconcert Der Schwanendreher geleid naar wat minder gehoord werk, zoals de erg mooie Symphonia Serena (typisch genoeg met een citaat uit Beethoven). Het Gewandthausorkest was het beste gezelschap van de DDR en Herbert Blomstedt één van de bekendste dirigenten en geen van beide stellen ze teleur. Daarbij is het interessant dat de eerste cd nog in DDR-tijd werd opgenomen en de laatste twee in de jaren na de Duitse eenwording. Dat betekent ook dat die oudste opname, hoewel digitaal, merkbaar ‘wolliger’ is dan de nieuwere. Maar de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat dit wel de beste opname van het altvioolconcert is dat ik ken. Dat, en de overige werken op de tweede en derde cd, maken dit tot een must-have voor iedereen die in het werk van Hindemith geïnteresseerd is. Mocht je alleen de bekende Symfonische Metamorfosen willen horen, dan zijn er betere alternatieven voorhanden, vooral in opnamekwaliteit (zie bijv. de Naxos-opname met Paul Decker en het Nieuwzeelands Symfonieorkest).

Magisch akkoord

~

Je zou Honegger en Hindemith eigengereid kunnen noemen, maar Aleksandr Scriabin (1872-1915) staat te boek als volslagen geschift. Waar de eerste twee vooral in het midden van de twintigste eeuw actief waren, is Skrjabin nadrukkelijk een kind van de eerste, onstuimige jaren van de eeuw. Hij past wat dat betreft heel goed naast Arnold Schoenberg en Igor Stravinsky, vond ook zijn eigen ‘magisch akkoord’ uit dat voor veel van zijn werk de basis werd. Dat, en een zekere vormvastheid, maakt Scriabins muziek heel herkenbaar.

Grootheidswaan

Dat was ook zijn grootheidswaanszin, overigens. Naar het einde van zijn leven werd alles groter, fantastischer en ontoegankelijker. Dat gold ook voor de muziek, zowel zijn talloze pianostukken als zijn werk voor orkest. Je kunt dat nog het beste horen bij zijn werken voor piano en okest. Het eerste, het pianoconcert uit 1897, is nog in relatief traditionele vorm gegoten. Prometheus uit 1915 daarentegen, zet een fragmentarische pianopartij naast een koor, enorm orkest en lichtorgel (dat bepaalde tonen aan kleuren koppelde). Een paar maande later overleed Skrjabin aan een ontsteking op zijn bovenlip, met achterlating van zijn Mysterium, een stuk dat alle kunsten had moeten verenigen – a la Wagner had hij er een tempel aan de Ganges voor willen bouwen.

Skrjabins muziek is niet echt gemakkelijk te vergelijken met iets anders: het is broeierig, megalomaan, opzwepend, gespannen. Soms zijn momenten van mindere inspiratie merkbaar (vooral in de tweede symfonie), maar spannend blijft het altijd. De praktijk heeft bewezen dat het daarom nogal moeilijk te spelen, nog afgezien van praktische zaken (zoals: waar haal ik drie blazerssecties vandaan?).

Droog

Riccardo Muti’s EMI-set is vaak naar voren gehaald als de ‘definitieve’ Scriabin-set, maar wat mij betreft bouwt Muti er iets teveel theater omheen. Ashkenazy pakt de zaken ‘droger’ aan en dat komt het resultaat alleen maar ten goede. Daar komt bij dat voor de helft van de prijs van de Muti-set Decca er een voortreffelijke versie van het pianoconcert bij heeft gedaan. Skrjabins orkestwerk is eigenlijk ook niet goed te snappen als je dat concert er niet bij betrekt. Van de hier besproken sets is het degene die ik met de minste aarzeling zou aanraden.

Crisis? Welke crisis?

Deze sets brengen relatief minder bekend materiaal voor Naxos-achtige prijzen onder de aandacht. Goede opnamen, prima uitvoeringen, een goede gelegenheid om je muzikale horizon te verbreden. De klassieke platenindustrie is in crisis maar als dit het resultaat is mag die crisis wat mij betreft nog wel even aanhouden.

Arthur Honegger, Pacific 231; Symfonieën 1-5. Orchestre du Capitole de Toulouse o.l.v. Michel Plasson. EMI 7243 5 85516 2 4. 2 CD’s, € 10

Paul Hindemith, Werken voor orkest (en altviool). Geraldine Walter, Altviool. Gewandthausorchester Leipzig o.l.v. Herbert Blomstedt. Decca Trio 475 264-2. 3 CD’s, € 24

Aleksandr Skrjabin, Symfonisch werk / Pianoconcert. Peter Jablonski (piano), Brigitte Balleys (mezzosopraan), Sergei Larin (tenor); Deutsches Symphonie-Orchester Berlin o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Decca Trio 473 971-2. 3 CD’s, € 24

Reageer op dit artikel