Boeken / Achtergrond
special: Een interview met Mark Z. Danielewski

Het postmodernisme voldoet niet meer

.

“Je hebt misschien gemerkt dat ik een bult op mijn hoofd heb.” Danielewski wijst naar een plek op zijn voorhoofd. “Mijn zus is ervan overtuigd dat die is veroorzaakt door mijn tweede boek. Ik moest zelfs naar de dokter voor een MRI-scan. De bult is hard, voel maar”, nodigt hij uit. “We gingen naar de dokter en zij zei: ‘Je hebt een osteoma op de frontale kwab op die en die plek.’ Ik keek haar toen aan en vroeg: ‘Maar wat betekent dat?’ Ze keek terug en zei: ‘Je bent een eenhoorn.'”

~

De Amerikaanse schrijver Mark Z. Danielewski (39) wil maar zeggen: de zes jaar arbeid aan zijn tweede roman (werktitel: That, geplande publicatie: oktober 2006) viel hem zwaar. Zo zwaar zelfs dat hij fysieke reacties ging vertonen. Hij staaft er de bewering mee dat That een keer zo complex zal zijn als House of Leaves. Iets wat Danielewski ongetwijfeld met sardonisch genoegen zegt tegen eenieder die het horen wil.

House of Leaves

Zijn debuutroman House of Leaves was al een ruim zevenhonderd pagina’s tellend monster: een bloedstollend verhaal over een levend huis, gevat in een handvol perspectieven van uiteenlopende vertellers (met elk hun eigen lettertype) en met talloze volledig ontsporende voetnoten, letterspiegelingen, bladzijden die variërend leeg of overvol zijn, figuurtjes vormende woorden, wetenschappelijke verhandelingen die zij aan zij staan met brieven en poëzie, en een index waarin zowat elk gebruikt woord is opgenomen. Danielewski bracht de eenvoud van het griezelverhaal en de pretentie van onbeteugelde experimenteerdrift samen in een postmoderne literaire paradox.

Als hij het over zijn “tweede roman” heeft, refereert Danielewski aan That (“It’s sort of a pun. Because my friends always call me up and ask me: ‘How’s it going with that?'”). De novelle The Fifty Year Sword die binnenkort (en uitsluitend) in de Nederlandse boekhandels ligt, is echter volstrekt anders. Dit langwerpige kleinood van zo’n vijftig beschreven pagina’s, aangevuld met tekeningen van de Nederlandse Amerikaan Peter Sambeek, is nadrukkelijk een tussendoortje. In frivole, melodieuze en woordspelige zinnen verhaalt Danielewski over de Thaise naaister Chintana. Op een Halloweenfeestje, waar zij met tegenzin heen gaat, treft zij een schaduwrijke Verhalenverteller die verslag doet van zijn lange zoektocht naar het ultieme wapen. De reis voerde hem door de Forest of Falling Notes, over de Mountain of Manyone Paths tot bij de Man with No Arms. Het wapen heeft hij die avond bij zich, in een kist die aan zijn voeten ligt.

Een zwaard

“Ik had het idee van een zwaard, waarvan de effecten pas láter gevoeld worden”, vertelt Danielewski. Het is 31 oktober, Halloween. ’s Avonds zal hij zijn novelle presenteren. “Ik speelde met de gedachte aan een Drie Minuten Zwaard, een Eén Dags Zwaard, een Vijftig Jaars Zwaard enzovoort. Die ideeën materialiseerden en symboliseerden een ervaring, die we misschien allemaal wel gehad hebben: je bent op een feest en iemand zegt iets tegen je. Je lacht wat, je gaat verder. Maar een uur later merk je dat je heel diep doorstoken bent. Je had niet door dat datgene wat gezegd werd heel giftig was.”

“Ik heb een vriend, die ik al lang ken – ik ga geen namen noemen -, en hij had een verhouding. Twee jaar geleden. Die verhouding is nooit aan het licht gekomen. Nú heeft hij problemen in zijn relatie en hij denkt dat dit allemaal kort daarvoor is veroorzaakt – hij is een stuk jonger dan ik. De een heeft de ander bijvoorbeeld een keer niet gebeld. Hij beseft niet dat zijn gedrag van twee jaar terug misschien heel langzaam dit drama, dat zich nu pas openbaart, heeft geconstrueerd. Nu lijkt het dat zijn vriendin zich plotseling onttrekt aan zoiets simpels als een telefoongesprek en dat het allemaal haar schuld is. Maar misschien is hij degene die dit allemaal, jaren en jaren terug, heeft veroorzaakt.”

Politiek

“Datzelfde kan ook heel politiek worden. Het is wellicht zelfs de drempel naar volwassenheid: het besef dat niet alles onmiddellijk merkbaar is. Je besteedt bijvoorbeeld te weinig geld aan een educatief programma; de consequenties vallen je vandaag niet op. De komende vijftig of honderd jaar ook niet. Of -“, hij lacht kort, “je besluit ineens Irak binnen te vallen en de gevolgen daarvan… die hebben we zelfs nu nog niet gevoeld. Dit zijn natuurlijk complexe politieke ideeën. Maar ook zonder heel specifiek te worden, is er de volgende onderliggende les: we moeten de gevolgen van acties bestuderen en vervolgens inzien dat wat wij doen op korte termijn geen gevolgen hoeft te hebben, terwijl het later alsnog door kan werken.”

“Dát zat in mijn hoofd. Ik schreef het op en werkte er nog een jaar aan. Ik bracht thema’s bij elkaar, gaf ze vorm. De meeste tijd was ik echter bezig erachter te komen wat mijn fictie nu eigenlijk is. Ik zag mijzelf als een horlogemaker: ik houd van details, bezig zijn met kleine deeltjes. Tijdens dit bezoek aan Nederland bedacht ik me opeens dat deze metafoor niet klopt. Mijn verhaal vertelt immers niet hoe laat het is. Schrijven kan beter worden vergeleken met het bouwen van een viool. Het hele proces vraagt veel tijd, oog voor detail en zorgvuldigheid van je. En uiteindelijk is het een instrument waarop je kan spelen. Een instrument voor de lezer en wellicht ook voor andere auteurs. Het bezit de potentie om er je eigen muziek mee te creëren, je eigen verhaal te maken van mijn fictie. Een jaar stak ik in al die subtiliteiten. De vorm van de viool was er namelijk, maar nu moest ik het timbre ervan bepalen.”

Ruw

~

“Het leuke aan The Fifty Year Sword is: hoeveel tijd ik er ook aan heb besteed, nog steeds is het niet helemaal door mij verteerd. House of Leaves daarentegen was totaal verteerd. Ik moet nog steeds voor het eerst verrast worden door een analyse van het boek. Ik wist alles, ik kende het boek zó goed, dat ik precies wist wat je erover zou kunnen schrijven. The Fifty Year Sword is ruwer. De grote thema’s begrijp ik. Maar sommige dingen zijn rauw, die komen uit de grond. Dit boek staat meer open voor interpretatie. Toen ik House of Leaves schreef wist ik welke academische en kritische taal aangewend zou worden om erover te spreken. Ik had het deconstructivisme bestudeerd, ik was op de hoogte van de postmoderne fictie, ik kende de psychologische leeswijzen van Freud en Deleuze. Ik wist waarvoor het boek geschikt zou zijn.”

“Op een bepaalde manier was House of Leaves dan ook het werk van een leerling, want onderhavig aan de bestaande kritische structuren. That daarentegen schreef ik terwijl ik me realiseerde dat het boek een geheel nieuw kritisch instrumentarium zal vergen om het te behandelen. Een kritisch instrumentarium dat nog niet bestaat. Ik denk niet dat je dit boek met postmoderne, deconstructivistische technieken kan analyseren. Academici en critici moeten een eigen taal en manier van lezen uitvinden om het boek te duiden. Maar het riskante is dat we niet zeker weten of het boek erin zal slagen die manier van lezen te bewerkstelligen. Dat duurt even, zoals het mij zes jaar kostte om het te schrijven.”

Het postmodernisme voorbij

“Kijk naar de romans van Jane Austen. Die boeken werden vooral op een sociaal niveau gelezen. Toen kwamen de gedichten van Ezra Pound en T.S. Eliot. Plotseling realiseerden critici zich dat ze een heel nieuw kritisch discours nodig hadden. Vervolgens publiceerde James Joyce Ulysses. Na die roman leest men boeken niet meer op dezelfde manier. Plotseling zijn ze mathematisch, zijn ze encyclopedisch, hebben ze hypertekstuele referenties die nagespeurd moeten worden. Het zijn niet slechts Victioriaanse snapshots van theefeestjes en strandpicknicks. Ze zijn abstract en tegelijk emotioneel. Ze worstelen met de geschiedenis. Ze laten niet zien hoe de Eerste Wereldoorlog precies in elkaar steekt, maar wel wat de gevolgen ervan waren: de verschrikking die de mensheid binnen was gedrongen. En dat alles verteld in een nieuwe taal.”

“Klassieke literatuur heeft de neiging elitair te zijn, zich te richten op de goden. Postmoderne literatuur daarentegen kan zowel aan Homerus als aan de popcultuur refereren. Het probleem is echter dat de pop- en massacultuur, evenals de klassieke studies, tot enorme bloei zijn gekomen: onze boekenplanken staan er vol mee. Postmodernisme voldoet niet langer als organiserend principe. We moeten informatie op een andere manier gaan ordenen. Dat is de volgende fase. House of Leaves lag op de grens tussen het postmodernisme en het postpostmodernisme, maar is zelf nog wel veel verschuldigd aan het postmodernisme. Met That zal dat een heel ander verhaal zijn.”

Televisie

“Ik word tegenwoordig steeds vermoeider van boeken die op maat zijn gemaakt voor televisie of films, vol met verhalen die voornamelijk op representatie gebaseerd zijn. De vraag is echter: moet de roman doorgaan met iets waarvoor televisie en film geschikter is? Nee, de roman moet datgene bieden dat de televisie niet kan, dat de lezer raakt zoals een andere kunstvorm dat niet kan. That, evenals The Fifty Year Sword, probeert voor de lezer een plek te creëren waar hij nooit eerder is geweest. Een plek die emoties en gedachten oproept die niet te ervaren zijn in een bioscoop of voor de televisie.”

“Ik denk dat de literatuur zich nog steeds kan ontwikkelen. Het probleem van de modernisten was dat ze alsmaar verder van het eigenlijke verhaal afdreven. Het ging alléén nog maar om de vorm. Het idee dat een aantrekkelijk verhaal de kern van een boek vormt was verloren. Ik denk dat er nog steeds ruimte is voor ontwikkeling. Maar ik wil hieraan toevoegen: het is een ontdekkingsreis. Ik weet nu hoe That eruit komt te zien. Wat de vorm van het volgende boek zal zijn? We zullen zien. Wie zal het weten? Voor mij is het, vooral in deze periode van mij leven, belangrijk om voor alles open te staan. Ik ben geen kruisvaarder, ik ben een ontdekkingsreiziger. Ik heb geen ‘Idee’ dat ik wil planten in toekomstige, vreemde grond. Ik arriveer al onderzoekend, al kijkend. Als het er is, is het er. Maar wellicht vind ik iets anders.”

Lijnbreuk

'Hanging out in Amsterdam'
‘Hanging out in Amsterdam’

“Ik had The Fifty Year Sword niet kunnen schrijven, en That al helemaal niet, zonder computers of internet. Er lag teveel onderzoek aan ten grondslag. De Oxford English Dictionary staat online: talloze etymologieën kan ik daar onmiddellijk nazoeken. Dat kon James Joyce niet. Ik kan razendsnel historische feiten en kaarten vinden. Voor de lay-out kan ik kiezen uit een oneindig palet aan kleuren. Ik kan pdf-files naar De Bezige Bij sturen en zeggen: ‘Ik wil deze lijnbreuk precies hier.’ Ik heb zoveel meer controle over de tekst dan enig andere schrijver de afgelopen honderd jaar had. Ook al willen wij schrijvers ons heel zelfstandig voelen, toch worden we tot op bepaalde hoogte geschreven door onze context, de wereld waarin wij leven. Daarom probeer ik zo open mogelijk te staan: ik ga naar de bioscoop, kijk televisie, luister naar mensen, gebruik de nieuwste technologie, kijk wat mijn iPod kan doen, sms mijn vriendin, bekijk myspace.com, zoek de nieuwste database die ik op het internet kan vinden, speur naar de meest recente software.”

“Ik wil intrigerend proza schrijven, proza waardoor mensen zich afvragen wat er nu precies aan de hand is. Dat is van groot belang, van moreel belang zelfs. Het verlangen om ergens achter te komen, nieuwsgierig zijn: dat is gezond, dat is goed voor de wereld. Het is verstandig om je geliefde bepaalde vragen te stellen, het is goed politici te vragen wat ze in vredesnaam aan het doen zijn. Zonder het stellen van vragen – wat een soort uitdaging is, een soort van intimiteit en interesse – gaan veel dingen fout. Het is hetzelfde als het openen van een paar ramen bij binnenkomst in een donkere kamer: dingen moeten circuleren.”

“Ikzelf vind allerlei plekken intrigerend. Ik herinner me dat voor mij als kind kelders donker waren, vochtig, eng, bedekt met spinnen en stof. Ik weigerde toen een kelder in te gaan. Het was simpelweg angstaanjagend. Als je dan uiteindelijk naar beneden gaat, besef je niet alleen dat je in een kelder het licht aan kunt doen, maar dat een kelder ook erg leuk kan zijn. We moeten die donkere plekken juist opzoeken.”

Een drug

“Het morele belang van mijn boeken ligt in het nieuwsgierig maken. Ik vertel je niet nieuwsgierig te zijn, maar ik máák je nieuwsgierig. Ik vertel je niet waaruit een drug bestaat, maar ik gééf je de drug. Ik vertel je niet hoe de muziek gespeeld wordt, ik gééf je de muziek. Het maakt niet uit wat je eigenlijk denkt, maar na het lezen van het verhaal ben je geïntrigeerd. Misschien ben je gefrustreerd, omdat je het eng vindt om nieuwsgierig te zijn. Toch maakt het je nieuwsgierig. Het is een drug: het heeft een heel direct effect op je zonder dat je per definitie door hebt wat er gebeurt. Voor mij is het niet van belang of lezers elk detail begrijpen. Evenals het niet van belang is om de auto te snappen waarin je rijdt. Het enige wat je hoeft te weten, is hoe je je voelt wanneer je ermee rondrijdt.”

“Dát is waar ik mee bezig ben. Mijn boeken mogen dan steeds complexer worden, maar uiteindelijk hoef je je daar niet bewust van te zijn. Het enige dat telt is: je houdt er een ervaring, een sensatie aan over.”

Mark Z. Danielewski • The Fifty Year Sword • Uitgever: De Bezige Bij • 99 bladzijden • prijs: € 24,90 • ISBN 90-234-1877-8

Mark Z. Danielewski • Het vijfig jaars zwaard • Uitgever: De Bezige Bij • 99 bladzijden • prijs: € 24,90 € ISBN: 90-234-1856-5

Reageer op dit artikel