Muziek / Concert

Soms moeilijk, vaker mooi

recensie: Nederlands Kamerkoor / Nieuw ensemble o.l.v. Emilio Pomárico

De serie “Proms aan het IJ” in het onvolprezen Muziekgebouw aan ’t IJ wordt gevuld door vier Nederlandse ensembles voor nieuwe muziek. Een mooie kans om in deze prachtige akoestiek wat merkwaardige klanken te horen waarvan je het bestaan nog niet eerder vermoedde. Zaterdagavond was er een programma met muziek van Igor Stravinsky (bekend van Le Sacre du Printemps) en de door hem beïnvloedde Nederlandse componist Ton de Leeuw.

Het aardige van de serie “Proms aan het IJ” is dat elk concert wordt voorafgegaan door een inleiding. Of, zoals ze het daar noemen, een ‘inleiding met uitzicht’, en ze hebben gelijk, het gebouw en het uitzicht zijn op zich al een reden om naar deze concerten te komen. Bovendien, een woord vooraf is geen overbodige luxe bij de onalledaagse kost die de programma’s van deze Proms bieden. In dit geval werd de introductie verzorgd door ingewijde Leo Samama die het toegestroomde volk vanaf een verhoginkje een half uur streng toesprak over de overeenkomsten tussen Stravinksy en De Leeuw. Interessante materie en eloquent gebracht ook, maar een anekdotetje hier en een grapje daar hadden niet misstaan.

Pittig

Wat in ieder geval duidelijk wordt is dat we bij een serieus concert zitten, en dat blijkt ook in de eerste helft, die begint met twee late mini-werkjes van Stravinsky, het Introitus T.S. Eliot in memoriam (1965) op de tekst van het requiem, en het Anthem (1962), voor a-capellakoor op een tekst van diezelfde Eliot. Daarna was het even schrikken: het Lamento Pacis (1969) van Ton de Leeuw bleek een pittig luisterklusje. De tekst was gebaseerd op een pamflet van Erasmus gericht tegen de politieke elite, voor de Leeuw natuurlijk gemakkelijk te verbinden met het idealisme van die dagen. De drie delen zijn hommages aan de 16e-eeuwse componisten Gesualdi en Ockeghem en de Japanse Noh-artiest Zeami. Al deze connotaties maken het geheel nogal topzwaar aan betekenissen, wat in combinatie met de ondoorgrondelijke muzikale stijl een moeilijk stuk oplevert. Gelukkig vermeldt het programmaboekje MTV-conform hoe lang de verschillende delen duren.

India

Foto Marleen Sleeuwits
Foto Marleen Sleeuwits

De stukken na de pauze zijn een stuk begrijpelijker. Ton de Leeuw reist inmiddels (we schrijven begin jaren ’70) steeds vaker af naar landen als India en de ervaringen daar brengen hem kennelijk een zekere rust. Fauxbourdon (1992) voor klein ensemble en koor is een prachtig meanderend stukje: slechts af en toe komt de muziek even in een stroomversnelling terecht. The Birth of Music (1975) voor a-capellakoor begint met wat rapgeluiden avant la lettre waarna zich uit een sereen unisono-gezoem enkele welluidende akkoorden ontspinnen. De tevreden blik in de ogen van de zangers verraadt dat ook zij nu aanmerkelijk meer jolijt hebben dan voor de pauze.

Lurven

Prachtig is tot slot ook de Cantata van Stravinsky (1952). Dit stuk bewijst dat seriële muziek ook best welluidend kan zijn. Met in het ensemble onder andere twee dwarsfluiten en een tokkelende cello deed niet alleen de tekst maar ook de muziek in bepaalde delen opvallend Engels en opgeruimd aan. Ernstiger wordt het in de twee soli van de zangers, die een plechtige introverte maar beladen sfeer hebben. In een van zijn beroemdste quotes stelt Stravinsky dat “music by its very nature, is essentially powerless to express anything at all”, Het zal wel: dit stuk greep het publiek toch even flink bij de lurven.

Volgende concert in de serie: het Nieuw Ensemble met “Nieuwe muziek uit de Oriënt”.

 

 

Reageer op dit artikel