Boeken / Fictie

Tussen het klooster en de wereld bevindt zich de schrijver

recensie: Tommy Wieringa - Ga niet naar zee

Op de achterkant van Ga niet naar zee staat Tommy Wieringa met zijn rug tegen een verweerde muur. Hij draagt een strohoed en op zijn schouders rust een schop. Hij heeft een fraai overhemd en een trendy broek aan. Stadsjongen op het platteland.

Iedere succesvolle schrijver heeft wel ergens een column. De krant of het tijdschrift toont zich cultuurbewust door de schrijver van Joe Speedboot in een kolom zijn gang te laten gaan en de schrijver kan zijn verhaalideeën in miniatuur uitproberen op een groot lezerspubliek. En o ja, de verdiensten zijn ook niet onaardig.

Fragmenten uit een leven
Ga niet naar zee bevat níet de verzamelde columns van Tommy Wieringa. In de eerste plaats zou het boekje dan veel omvangrijker zijn geweest, en in de tweede plaats: het zijn geen columns die Wieringa schrijft. Het zijn verhalen, minuscule romans, novelles van nauwelijks vijfhonderd woorden. De krant waarin hij de meeste stukken publiceerde, vindt het ‘columns’, de uitgever heeft het op de achterflap over ‘korte stukken’. Je zou ze verhaaltjes kunnen noemen, als daarin niet een volkomen onbedoelde afwijzing van de kwaliteit doorklonk. De verhalen in Ga niet naar zee zijn misschien nog het meest fragmenten uit een leven. Alsof Wieringa een bom was die tot ontploffing is gebracht en wiens oorspronkelijke staat nu met behulp van honderden kleine splinters weer hersteld kan worden. Het is zoals hij zelf een verhaal afsluit, door er tussen haken aan toe te voegen: ‘(Dit is een voorstudie. Al weet ik nog niet waarvoor.)’

De weg die Wieringa heeft afgelegd naar de status van ‘gevestigd auteur’ kan worden gevolgd door het lezen van de korte verhalen in Ga niet naar zee. Neem ‘Vliegtuig’, het verhaal over een man die een vliegtuig wilde bouwen: ‘Ik bezoek de man die zelf een vliegtuig bouwde. Ik wil van hem weten hoe dat moet, een vliegtuig bouwen.’ Later, in een volgende column, krijgt de man een naam: Joost Conijn. Mensen die de achtergrond van Joe Speedboot kennen, weten dat Conijn een van de inspiratiebronnen was voor Wieringa’s fenomenale hoofdpersonage. Ook de research voor zijn laatste roman, Caesarion, wordt beschreven in enkele columns. Waarover hij in Pauw & Witteman sprak, daar schrijft hij jaren eerder al over in ‘In Pornotopia’: ‘Op mijn verzoek om haar biograaf te worden, reageert ze niet direct afwijzend.’

Alles gaat over alles
Naast de genese van zijn belangrijkste romans is een belangrijk motief in Ga niet naar zee de spagaat tussen stad en land, tussen drukte en volmaakte rust, tussen het klooster en de wereld. Wieringa woont op het land, aan de rivier de Vecht, en schrijft op Gerbrand Bakker-achtige wijze over de natuur om hem heen:

Het duurde twee jaar voor ik wist wat me te doen stond met de tuin die ze achterliet. Intussen is het zover dat ik deze zomer niet weg wil, wie moet anders de bloemen zien bloeien en de tomaten water geven? Ik denk na over een haiku: een reiziger krijgt wortels omdat hij de courgettes wil zien groeien. (uit ‘Vraat’)

Zijn andere been staat (of: stond?) in de stad, in de wereld van uitgeverijen, stations, politieke moorden en Marktplaatstransacties. Wieringa beschrijft de herinnering aan de tijd dat hij helemaal onderdeel uitmaakte van die wereld, de tijd dat hij nog geen schrijver was:

Op station Utrecht Centraal verkocht ik enkeltjes, retourtjes, strippenkaarten, maandkaarten en alle mogelijke variaties daarop. Ik ben nooit erg goed thuis geraakt in het assortiment, mijn opleiding tot lokettist was kort en schimmig geweest.

De verhalen in Ga niet naar zee gaan over alles: over literatuur (in sommige perioden leest Wieringa veel Canetti, in andere perioden Isaak Babel, en weer later Joseph Roth), over zijn verleden bij Rugbyclub Dwingeloo, over verloren geliefden en oude vrienden, over voorleessessies onder koud tl-licht, over zijn tijd in het klooster waar hij aan Joe Speedboot werkte (ook hierover sprak hij al eerder, in R.A.M., over willekeurige mensen die zijn pad kruisen, over de Vecht; altijd in de poëtische, ritmische, gedragen stijl van de man voor wie alles literatuur kan zijn. Uiteindelijk is ieder verhaal een schep specie in het cement tussen de stenen van zijn oeuvre. Prachtig, prachtig, prachtig.

 

Reageer op dit artikel