Boeken / Fictie

Een Haags heden en een Indisch verleden

recensie: Nicolette Smabers - De man van gas en licht

Nicolette Smabers heeft sinds 1983 een klein oeuvre bijeen geschreven. Haar vorige boek, Stiefmoeder werd door de literaire kritiek zeer lovend besproken. Toch is ze niet bij een heel breed publiek bekend. Ten onrechte, want Smabers heeft een eigen literaire stem. Ook haar nieuwe roman, De man van gas en licht, is een goed boek.

De families in Smabers’ romans zijn gecompliceerd. Hun geschiedenis ligt in Nederlands–Indië en is ruw ten einde gekomen. De vestiging in Nederland gebeurde onvrijwillig en bleef gemankeerd. De ervaringen gedurende een half leven opgedaan in een andere wereld, blijken niet te transporteren naar het Nederland van vlak na de oorlog. Broers die in hun jeugd in onmin raakten, slagen er niet meer in met elkaar in het reine te komen. In zowel haar vorige als in haar huidige roman, beschrijft Smabers deze families vanuit het perspectief van het kind, dat zowel insider is (dochter van) als buitenstaander (geboren in Nederland).  

Ontstolen
In De man van gas en licht is dat Eva Porceleyn. Eva is geboren kort nadat haar ouders in 1947 in Den Haag zijn komen wonen. Voor haar moeder is Nederland van meet af aan een tussenstation, het uiteindelijke doel is om naar Amerika te emigreren. Haar vader vindt geen aansluiting in Nederland en leidt maatschappelijk een marginaal bestaan. In 1966 worden de emigratieplannen concreet. Eva is dan zestien en moet kiezen of ze mee gaat met haar ouders of niet. Dat is de aanleiding voor haar om zich te verdiepen in de geschiedenis van haar familie. Daarbij gaat ze terug tot de jaren twintig van de vorige eeuw, toen haar vader en zijn broers nog kinderen waren. Daar blijkt namelijk de oorsprong van veel ellende te liggen.

Tegenover de gebeurtenissen in de familie waarover gezwegen wordt, staat een veelheid aan verhalen die wél verteld worden. De vader van Eva heeft haar talloze verhalen verteld toen ze een jaar of zes was. Daarin sprak hij over zijn jeugd, maar hij kwam ook met sprookjes en allerlei eigen verzinsels. Die vertellingen lijken geen rode draad te bevatten, maar Eva probeert te achterhalen hoe ze in verband staan met datgene wat zo angstvallig verzwegen wordt. Ze probeert te doorgronden wat het betekent voor haar vader om geen toegang te hebben tot zijn eigen verleden. Zo registreert Smabers door de ogen van Eva:

Hij begint uit te wijden over zijn zoektocht naar ‘het verloren paradijs’, zijn ‘onuitwisbare kinderjaren’. Daar kan hij maar niet van loskomen. Niet om een verlangen naar het oude Indië, of een behoefte aan rijkdom en geluk, of aan zoiets als kinderlijke onschuld. O nee, dat moet ze vooral niet denken – strikt genomen gaat het niet eens om zijn geboorteland, maar om de tijd die hij daar heeft doorgebracht. Het gaat hem eigenlijk alleen om het knagende gevoel dat hij als kind iets heeft geweten of gekund – of in bezit gehad – dat hem later is ontstolen.

Authentiek
De combinatie van Indisch verleden met Haags heden is natuurlijk niet nieuw. Bij onder meer Louis Couperus, Yvonne Keuls en Adriaan van Dis vinden we die ook. Goed dat daar Smabers zich daar niets van heeft aangetrokken. Ze heeft een eigen invulling en een eigen stem. Onder meer door zeer zintuiglijk het leven in de jaren vijftig en zestig te tonen. Straatbeeld en interieur worden schijnbaar met groot gemak opgeroepen. Maar ook de denkkaders van de personages anno 1966 komen authentiek over. Alles in soepel en nauwgezet proza. Smabers schrijft uitstekende, enigszins raadselachtige boeken met een eigen stempel. Het wordt tijd dat een groter publiek haar ontdekt.