Boeken / Non-fictie

Als iets wordt gedaan in naam van religie, is religie dan ook de oorzaak ervan?

recensie: Govert Buijs en Marcel ten Hooven (red.) - Nuchtere betogen over religie

Religie is ‘in een kwade reuk komen te staan’ en dus zou het ‘geen onprettige uitkomst’ zijn als men na het lezen van dit boek wat positiever  naar religie zouden kijken. Althans, zo stellen de samenstellers van Nuchtere betogen over religie.

De missie van samenstellers Govert Buijs en Marcel ten Hooven is duidelijk. Helaas slaagt deze maar zeer beperkt. Volgens Buijs is religie voor veel mensen in Nederland gelijk komen te staan aan blinde gehoorzaamheid, conformisme, een gebrek aan eigen verantwoordelijkheid en aan onderdrukking. Aan de hand van een collectie uiteenlopende essays, denk: islam, MH17, vrijwilligerswerk, is het aan de bijdragers van het boek om het tegenovergestelde te bewijzen.

De daaropvolgende verscheidenheid binnen de verschillende essays is direct één van de eerste complicaties van de collectie: het wordt maar niet duidelijk of het hier om een academische uiteenzetting gaat of een vurig, opiniërend betoog. Dit wordt ook niet geholpen door het feit dat er geen enkele uitleg is over wie de verschillende schrijvers überhaupt zijn, wat hun achtergrond is of op grond waarvan ze gekozen zijn.

Galileo en kerk gingen prima samen

De subtitel, Waarheid en verdichting over de publieke rol van godsdiensten, suggereert een zoektocht naar feiten, maar voor een academische benadering is het boek wel erg stellig van toon. ‘Zonder religie zouden we het moeten doen zonder majoor Bosshardt, zonder Martin Luther King, zonder Tutu, zonder Franciscus van Assisi én zijn hedendaagse navolger paus Franciscus’, stelt Buijs. Het onlosmakelijke verband tussen ‘goed zijn’ en religie is direct gelegd. Los van het feit dat er wellicht mensen zijn die het leven zonder paus geen verlies zouden vinden, komt ook de vraag naar boven of deze stelling überhaupt klopt. Was het religie dat deze mensen tot goede daden bracht, of hadden zij dat goeds al in zich en vonden zij een uitlaatklep en publiek binnen het geloof? Het is een dergelijke discussie die ontbreekt.

Het betoog over Galileo Galilei van Everard de Jong, dat afsluit met ‘in ieder geval is duidelijk dat in de tijd van Galileo er geen sprake is van een strijd van “de wetenschap” tegen “de kerk”, noch omgekeerd’, brengt de aangehaalde relatie tussen significante figuren uit de geschiedenis en het geloof naar een nog krampachtiger niveau. Ongeacht of er een kern van waarheid in de argumenten zit, wordt de rode lijn binnen het boek te gedecideerd, en toch ook te prekend, ingekleurd om als academisch stuk serieus genomen te worden. Het jammere daarvan is dat het hierdoor waarschijnlijk het beoogde publiek voorbijschiet.

De burger als neutraal wezen

Het intrigerende is dat nuance juist wel sterk naar voren komt als het gaat om religieus extremisme. Een essentiële discussie wordt opgeroepen met de vraag waarom we zo op religie focussen als het om terrorisme gaat, terwijl in werkelijkheid het aantal niet-gewelddadige gelovigen significant groter is dan andersom. Kortom: is religie de boosdoener? Waarom kijken we binnen de samenleving niet naar de grondslag van terrorisme zelf? Daaruit ontstaat dan weer de interessante vraag: als iets wordt gedaan in naam van religie, goed of slecht, is religie dan ook de oorzaak ervan?

Soms weten de essays de niet-religieuze samenleving wel degelijk een spiegel voor te houden. Blinde navolging van iets of iemand wordt vandaag de dag zonder pardon afgeschoven als zwak, misschien zelfs gevaarlijk (komt radicalisme daar immers niet uit voort?). Maar bestaat er wel zoiets als een volkomen onafhankelijke, in absolute vrijheid kiezende ik? En betekent vrijheid niet ook dat zij die voor religie kiezen in de publieke ruimte mogen bestaan? Een contrast ontstaat tussen een neutrale of een pluriforme samenleving. Zoals Jean Baubérot, in een verder stroef te lezen stuk, treffend over neutraliteit in Frankrijk zegt: ‘Binnen dit denkkader is de ware Franse burger een “abstracte” persoon, als burger ben je alleen maar burger en heb je geen verdere onderscheidende identiteitskenmerken.’

Geen verzoening

De grote tekortkoming in dit streven naar nuance binnen religie is dat het boek dit alleen denkt te kunnen bereiken door de ‘ander’, de niet-religieuze lezer,  net zo hard te stigmatiseren. Door de schrijvers wordt opgebokst tegen een door hen geschapen mensbeeld dat getekend wordt door individualisme, prestatiedrang en hebzucht, een samenleving die niet in staat is tot naastenliefde, vergeving of onderschikking; individuen die, door het losworstelen van enig dogma, permanent ‘lijden’ aan een vrijheid die te groots is, te veel leegte achterlaat. Er lijkt een tegenstelling tussen religie en de moderne samenleving te zijn, waarin het positief belichten van de één per definitie ten koste van de ander gaat.

Tussen religie en de moderne samenleving bestaat nou juist geen verzoening. De één wordt gepresenteerd als de oplossing van de ander, en andersom. Dat de moderne mens en samenleving op bepaalde gebieden te wensen overlaat en wellicht doorslaat in een drang naar individuele prestatie, komt in Nuchtere betogen over religie duidelijk en overtuigend naar boven. Dat dit de absolute definitie van de moderne mens is niet. En dat religie het antwoord op deze tekortkomingen zou zijn al helemaal niet.