David Vann - Klare lucht zwart - Andre van Dijk
Boeken / Fictie

Archeoloog Vann graaft diep

recensie: David Vann - Klare lucht zwart
David Vann - Klare lucht zwart - Andre van Dijk

In de romans van David Vann ligt de tragiek er dik bovenop. Dat zo nu en dan de werkelijkheid geweld wordt aangedaan, neemt hij voor lief. Het zorgt voor een zinderende spanning die op haast dichterlijke wijze in woorden wordt omgezet.

Als liefhebber van de Griekse tragedies en, volgens eigen zeggen, als neoclassicistisch schrijver heeft Vann veel op met het klassieke drama. De intensiteit van de verwikkelingen, de elementaire liefde en trouw, opoffering en overgave; allemaal onderdelen die terug te vinden zijn in zijn tot nu toe verschenen romans. De menselijke zwakheid wordt door Vann tot hoofdbestanddeel van de plot gemaakt, meestal eindigend in een morele uitputtingsslag die tot grootse bewegingen leidt.

In Klare lucht zwart is de schrijver nog dieper in de verhaalde geschiedenis gedoken: hij neemt het uit 431 v. Chr. stammende treurspel Medea van Euripides als basis voor een grondige hervertelling. Vann heeft tijdens een boottocht op een gereconstrueerd schip langs de Griekse eilanden inspiratie opgedaan en besluit de klassieke Medea opnieuw op schrift te stellen. Niet met een eigentijdse wending, niet met een filosofische uitvergroting, maar in de meest oorspronkelijke vorm: vanuit de hoofdpersoon vertellen hoe het allemaal verliep.

Gejaagd proza

Medea is met Jason en de Argonauten onderweg naar Iolkus. Ze hebben het veroverde Gulden Vlies aan boord en worden achtervolgd door koning Aietes, de vader van Medea. De liefde voor Jason heeft Medea zo ver gebracht dat ze haar broer heeft vermoord, aan stukken heeft gesneden en haar vader van zich heeft vervreemd. David Vann beschrijft de reis als een doorlopende zoektocht naar houvast waarin Medea de onzekerheid over haar toekomst probeert te beteugelen. Ze heeft zich verbonden aan Jasons lot: in Iolkus zal hij opvolger van koning Pelias worden en trouwen met Medea. Dat betekent een nieuw begin in een nieuwe hartstocht. Medea: ‘Jij bent van mij, ik zal heersen over je hart, jij bent het land dat ik verover’.

Vann schrijft in een beklemmende vorm. Hij laat in bepalende scènes de persoonsvorm en het lidwoord weg, zodat er een gejaagd proza ontstaat: ‘Haar vader een gouden gelaat in duister. In fakkellicht verschenen boven het water en weer vervaagd. Gelaat van de zon, afstammeling van de zon. Verraad en woede.’ Deze telegramstijl maakt van de zoekende gedachten van Medea een urgente, haast panische beleving. De situatie waarin ze zich heeft gestort is vol dreiging en de overgave aan Jason is haar enige hoop op een goede afloop. Maar terwijl ze met hem in de nacht de liefde bedrijft, lijkt Jason met zijn gedachten al af te dwalen. Alsof haar liefde er minder toe doet dan de zware reis en de strijd die nog geleverd moet worden. Een subtiele invulling van de schrijver, waarmee hij de loop van deze geschiedenis tot menselijke proporties probeert terug te brengen.

Ambachtelijke slagerij

Als Pelias zijn belofte niet nakomt weet Medea, met gebruikmaking van haar duistere krachten, hem door zijn eigen dochters te laten vermoorden. Daar maakt Vann een bloederig schouwspel van: er wordt gehakt, gesneden en gekookt als was het een ambachtelijke slagerij. Vervolgens vluchten Medea, Jason en hun kinderen naar Korinthe waar koning Kreon de scepter zwaait. Jason wordt echter verliefd op de dochter van Kreon en wil zich van Medea laten scheiden. Het eindspel bestaat uit de ultieme wraak van Medea: in haar wanhoop en waanzin vlucht ze in de totale ondergang.

David Vann gaat als een archeoloog te werk: hij graaft in de diverse verschijningsvormen van deze tragedie en weet de taal zodanig te conserveren dat er een nieuw, zij het een ietwat langdradig verhaal ontstaat. Hij gebruikt deze Medea niet om, zoals al veel is gebeurd in theater en op papier, de feministische kaart te trekken. Vanns Medea strijdt niet tegen de mannelijke overheersing in haar wereld, maar worstelt eerder met haar eigen hartstocht die door jaloezie en woede wordt verteerd. Deze Medea is een gevoelige en furieuze vrouw die weigert te accepteren dat haar liefde een verloren zaak is.

 

 

Reageer op dit artikel

Boeken / Fictie

De laatste dagen van Szulski

recensie: Theodor Fontane (vert. Martin Michael Driesen) - Onder de perenboom

Onder de perenboom: een klein misdaadverhaal, geschreven door Theodor Fontane, de auteur van Der Stechlin. De vertaler van dienst is ECI-prijswinnaar Martin Michael Driessen. Een fijn tussendoortje.

Onder de perenboom in Abel Hradscheks tuin wordt een lijk gevonden. Zijn het de overblijfselen van de Poolse handelsreiziger en bankier Szulski? Nadat de Krakauer in alle vroegte uit de herberg van Hradschek vertrok, wordt zijn koets in de rivier teruggevonden. Van de brug gestort. Maar van Szulski geen spoor. Ook het lijk blijkt, eenmaal opgegraven, niet van de Pool te zijn, maar van een Franse soldaat.

Mysterie

Rondom dit mysterie bouwt Theodor Fontane (1819–1898) zijn oorspronkelijk als feuilleton verschenen misdaadroman Onder de perenboom. De lezer weet meer dan Abels dorpsgenoten, die in het duister tasten rondom Szulski’s verdwijnen. Abel had een schuld bij hem, en de enige manier om daarvan af te komen was door de arme man om te brengen. Dader en motief zijn dus bekend, maar niet de methode: hoe heeft Abel het gedaan? En hoe gaat deze puzzel opgelost worden?

De kracht van deze korte roman zit in de manier waarop Abel en zijn vrouw Ursul zich langzaam maar zeker steeds meer bezwaard voelen. Hun schuld is met de Pool in de rivier verdwenen, maar echt genieten kunnen ze niet. Deels komt dat door de buurvrouw, die haar neus iets te graag in andermans zaken wil steken. Zij blijkt op de hoogte te zijn van cruciale informatie.

Pruisisch bewustzijn

Daar komt bij dat de bewoners van Tschechin, het kleine dorp waar de Hradscheks wonen, Abel en Ursel niet helemaal vertrouwen. Het is interessant om te zien hoe Fontane hier speelt met een Pruisisch bewustzijn. Onder de perenboom speelt zich rond 1850 af, decennia voordat het moderne Duitsland gevormd werd. In die constellatie is Krakau net zo vertrouwd als Hildesheim, de plaats in de buurt van Hannover waar Ursul vandaan komt. Hradschek zelf is van Tsjechische origine, en hij gaat regelmatig naar Berlijn om theatervoorstellingen te bezoeken. Zo lopen er vier lijnen naar ‘het vreemde’, waardoor Abel Hradschek al bij voorbaat verdacht lijkt te zijn.

Dialect

In Driessens vertaling komt het taalspel van Fontane niet zo goed naar voren als in het Duitse origineel. Elk personage spreekt in een herkenbaar dialect of met een typisch accent, maar in dit boekje zijn de accenten en dialecten min of meer gelijkgetrokken. Heel erg is dat niet, want Onder de perenboom blijft onderhoudend vanwege zijn vaart en de aangename plot. Veel heeft de roman niet om het lijf, maar toch wil je weten hoe die arme Szulski aan zijn einde is gekomen. Dat maakt Onder de perenboom tot een fijne novelle.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Zinderende tweeslachtigheid

recensie: De Nationale Opera – La Forza del Destino

Verdi’s La Forza del Destino voelt aan als twee opera’s die met elkaar zijn versneden: een persoonlijke familietragedie en een uitbundig groepsspektakel. Dit gegeven lijkt onhandig, maar het geeft regisseur Christoph Loy juist de mogelijkheid om meerdere registers te bespelen.

Dat La Forza voor velen niet de status heeft van andere Verdi-opera’s als La Traviata of Aida, is misschien te wijten aan een wat onbeholpen verhaal, dat in meerdere beschouwingen het mikpunt van spot is. Het neemt niet weg dat Verdi’s muziek ook in dit werk afwisselend beeldschoon en heerlijk opruiend is. Christoph Loy maakt er bij De Nationale Opera een voorstelling met twee gezichten van: enerzijds een Shakespeareaanse en ingetogen tragedie, anderszijds een liederlijke kritiek op roekeloze strijdlust.

Stom toeval en de eeuwige zondebok

De opera vertelt de liefdesgeschiedenis van Leonora (Eva Maria Westbroek) en Don Alvaro (Roberto Aronica). Laatstgenoemde is de zoon van een Inca-prinses en als halfbloedje niet voor Leonora geschikt. Als Alvaro Leonora probeert te schaken, wordt het koppel gesnapt door Leonora’s vader, de markies van Calatreva (James Creswell). Alvaro wil zijn goede bedoelingen tonen door zijn wapen op de grond te gooien, maar het rotding gaat per ongeluk af en doodt de markies. In zijn laatste adem vervloekt hij zijn dochter. Los van elkaar vluchten de geliefden weg, op de hielen gezeten door Leonora’s wraakzuchtige broer Carlos (Franco Vassallo). Wat volgt is een spel van valse identiteiten, toevallige ontmoetingen en noodlottige misverstanden. Vooral Alvaro heeft het zwaar te verduren: ondanks al zijn bedoelingen zal hij altijd ‘de buitenlander’ blijven.

Oorlogsopportunisme

Dit alles tegen de achtergrond van een ophanden zijnde veldslag tegen Duitsland. Waar de lotgevallen van Alvaro en de familie Calatreva overzichtelijk en sober zijn, overheersen chaos en carnavaleske oorlogsretoriek de groepsscènes. Verdi schreef deze strijdliederen wellicht zonder ironie (het werd geschreven op het hoogtepunt van de Risorgimento, de Italiaanse eenmaking), bij Loy heeft deze oproep tot strijd meer weg van een biercantus met soldaten, dames van lichte zeden en de plaatselijke geestelijkheid, allen opgehitst door ronselaarster Preziosilla (Veronica Simeoni). Eerder dan als commentaar op de andere gebeurtenissen voelen deze scènes als een apart werk, een verkenning over wanneer oorlog verandert van jongensachtig haantjesgedrag in bittere ellende.

Verdi in al zijn facetten

De belangrijkste mannenstemmen zijn aan elkaar gewaagd. Vooral Vassallo overtuigt als verwende, met zijn jojo spelende corpsbal die niet per se slecht is, maar doof voor de andere kant van het verhaal. Eva Maria Westbroek speelt haar rol vrij ingetogen, waardoor het onwaarschijnlijke verhaal toch een juiste dramatiek krijgt. De hoogste lof echter verdienen Nederlands Philharmonisch Orkest, onder leiding van Michele Mariotti, en het Koor van de Nederlandse Opera, onder leiding van Ching-Lien Wu. Vanaf de eerste onheilspellende tonen – het noodlot staat voor de deur – speelt het orkest feilloos en uiterst dynamisch. Het koor blinkt uit in de zachte passages waarin ze voorbijtrekkende monniken spelen en een zijdezacht tegenwicht bieden tegen de turbulente partijen van de solisten.

Waar in een mindere regie de tweeslachtigheid van La Forza del Destino de spanningsboog zou dwarsbomen, benadrukt Loy juist de veelzijdigheid van Verdi. De voorstelling zindert vanaf de filmische overture, een montage uit verschillende jeugdscènes, tot aan het verstilde en spirituele slot.

 

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

“Prozac Palace” steekt de draak met links en rechts.

recensie: Het Pijpcollectief - Prozac Palace

Hamburgeretende hotelgasten of Dostojevski-lezende yuppen: niemand blijft gespaard in Prozac Palace, een ironische blik op de kloof tussen hoge en lage cultuur.

 

Ivoren toren

“Hoe kunnen we met elkaar samenleven als we vastklampen aan onze vooroordelen en elkaar blijven ridiculiseren?” Met deze vraag ruilde het Pijpcollectief (HKU-alumni Lisanne van Aert, Lotte Lola Vermeer en Wessel de Vries) Amsterdam een paar dagen in voor Almelo. Preston Palace, om precies te zijn: een all-in hotel en uitgaanscentrum, compleet met botsauto’s, karaokeavonden en een subtropisch zwemparadijs. Als het Pijpcollectief de gasten voor ons beschrijft, is het even zoeken naar hun insteek. Zijn ze zich bewust van hun neerbuigende houding? Wordt dit een avondje waarin wij, links theaterpubliek in het hart van de Randstad, schaamteloos lachen om de oppervlakkigheid en truttigheid buiten onze bubbel? Of wordt er een spelletje met ons gespeeld?

Dat laatste natuurlijk. De links-elitaire houding van van Aert en Vermeer wordt zo uitvergroot, dat het een commentaar wordt op de ivoren toren waarin zij (en wij) de gasten van Preston Palace bekijken. Wessel de Vries – vermoedelijk undercover in knuffelberenpak – kiest ervoor om Preston Palace echt te begrijpen. Waar Van Aert en Vermeer niet kunnen wachten om terug te gaan naar Amsterdam, besluit hij te blijven en het contact met hen te verbreken.

Waar is Wessel de Vries?

De afwezigheid van De Vries en het andere perspectief waar hij voor staat is een gemis in deze voorstelling. Prozac Palace maakt een boog van spot naar zelfreflectie. Dat laatste wordt sterk vormgegeven in het slotbeeld: een bonkende dancetrack waarin verschillende iconen van de grachtengordel – van Jort Kelder tot de Groene Amsterdammer – de revue passeren. We kunnen niet uit onze filterbubbel kruipen, zo lijkt het Pijpcollectief te suggereren. Het enige wat dan rest is een ironische blik op ons eigen elitarisme. Zelfspot is echter iets waar links doorgaans niet zo veel problemen mee heeft;  zie eerdergenoemde Jort Kelder. De andere kant begrijpen, zoals de Vries probeert te doen, is een stuk lastiger. Door dit niet te doen verliest Prozac Palace aan nuance. Het slaagt er prima in om het onbegrip tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur te belichten, maar had nog een stap verder kunnen gaan.

 

 

Reageer op dit artikel

Muziek / Album

Kosmisch zeezicht, vage metakritiek uit de bovenwereld

recensie: Shabazz Palaces - Quazarz

Transitieperiode, kanteltijdperk, rukwinden, avondschemering. Chaotische tijden, 2017. Niemand ontkomt eraan, zo ook niet Ishmael Butler en Tendai Maraire van retrofuturistisch voertuig Shabazz Palaces. En al zou je aan de huidige tijden niet fysiek kunnen ontsnappen, toch kun je de deur prima in het slot gooien, je terugtrekken op de control bridge van je studio een vuistdik dubbelwerk vullen met moeilijke metakritiek over de tijd van vandaag.

Quazarz heet het ding, een heel omniversum vol

Het begeleidend schrijven introduceert het verhaal van Quazarz, afkomstig van wie weet waar en als muzikaal observant naar een alternatieve aarde gestuurd. Een koude aarde, met alternatieve feiten, een alternatief Amerika (Amurderca) en een alternatieve toekomst. Quazarz noteert: de dood in connectiviteit, groene datatorens, self-made selfiestars, follownaires, drone vendors, etcetera. En Kanye West.

 

 

I Quazarz: Born on a Gangster Star

Plaat één moet het verhaal vertellen van de observant Quazarz. In verbrokkelde zinnen en gevaarlijk klinkende woorden wordt echter weinig duidelijk over het exacte hoe of wat. In een hallucinante toestand van smog en narcose passeren shoutouts naar deze en gene, feest, wagens en overige bezittingen. Op het oervervelende ‘Moon Whip Quaz’, track nummer tien, vertelt Quazarz dan wat meer over zichzelf:

I rode in on a lightwave /
I never been a good slave /
I kissed the queen of Zanzibar  / ​
I even blew up the Death Star (haha) 

Nogal een onsympathieke gast, die Quazarz. Ondertussen vliegen kosmische geluiden af en aan. Met Maraire’s waterige percussie viert het swingende tandem een seinstoring met ‘Flying Lotus’ en ‘Thundercat’: het is feest op de control bridge. Ondertussen verdwijnen deze en gene in rook, de dansvloer ontledigt zich, Quazarz bestijgt nog eens zijn lightwave en daalt als observant Q. af naar de aarde.

II Quazarz vs The Jealous Machines

Behold the soft cyber caress /
My television who’s my lover /
But jealous machines and devices /
Struggle to find a light switch 

Op de plaatopener van Quazarz vs. The Jealous Machines noteert observant Q. jaloerse machines die niets anders willen dan aandacht. Aandacht in de vorm van romantiek misschien. Schermen die omhoog moeten worden getild. Een paar tellen verderop omschrijft hij de status van taal als ‘post’ en het huidige voortuig ervan als ‘guns’. En zo volgen er nog een paar observaties die zonder een te groot beroep op de fantasie toegepast kunnen worden op de wereld van vandaag.

Terwijl Quazarz tot zijn enkels door de stront van Amurderca waadt fabriceert Ishmael Butler (aka Palaceer Lazarro) op de achtergrond met heel veel woorden een ivoren spreekgestoelte voor zichzelf alleen. Een podium waar hij, als de helden van vroegere tijden, met slappe knieën, gevaarlijke woorden en de microfoon op half zeven soeverein zijn eigen ding staat te doen. Met het notitieblok van Quazarz in de ene hand en het technisch handboek van Millenium Falcon in de andere.

 

 

Butler’s kosmische wereldfabel mag ambitieus zijn, ze is tegelijk stuurloos, draderig en in het ergste geval weinig boeiend. Boos praten over selfie stick samurais en self-made follownaires is tenslotte maar zo lang spannend. Eerst is er de herkenning, dan volgt al snel de verveling. Is het kritiek? Is het scherp? Is het intellectueel? Observant Q. blijft echter gedienstig waarnemen en noteren, Butler orakelt zich opnieuw een slag in de rondte en dezelfde kosmische geluiden vliegen nog altijd af en aan.

Zeezicht

Changes pass me by /
I wonder where was I /
On the cliffside up so high /
Watching all of the waves pass by (Love in the Time of Kanye)

Dan besluit Quazarz zijn toch wel zinloze rondgang met zeezicht; een vies, onrustig en eindeloos zeezicht: transitieperiode, kanteltijdperk, rukwinden, avondschemering. Chaotische tijden, 2017.

Reageer op dit artikel

Theater / Voorstelling

Tegendraads, eigenwijs en slopend

recensie: Club Gewalt - Club Club Gewalt 5.0 Punk

Ze vragen niet, ze eisen: “Lik mijn roze klamme kutje!” Met hun teksten zijn ze recht door zee: “De VVD is niet oké!”. Club Gewalt goes Punk en zoals altijd gaat Club Gewalt all the way. Als in een Mosh pit vliegen we alle kanten op, en soms vraag je je af, hoe kwamen we hier in godsnaam terecht?

Dat Club Gewalt een goed feestje kan bouwen hebben ze al meerdere malen bewezen in hun eerdere “Clubshows” als de Variéte show Club Club Gewalt en de Nachtclub Karaoki Kanye. De zee van plastic cups en de dreunende bas verraden nu hun keuze voor een ander genre: Punk.  In het eerste opzicht is Club Gewalt meer Glamrock dan punk. De drummer draagt een T-shirt in een te klein vrouwenmaatje, waardoor zijn borsthaar er trots overheen pronkt en in het openingsnummer zingt een zangeres over de disco.

Maar laat je niet misleiden door de glitter, de leggings en de getekende baardjes. Een alles verwoestende energie straalt van het podium de zaal in. De sloopkogels die boven ons hangen kunnen daar slechts een voorbode van zijn. Club Gewalt komt om ergens tegen aan te schoppen: tegen slanke vrouwen, tegen vleeseters en tegen Amsterdam, want als oer-Rotterdams gezelschap vindt Club Gewalt dat natuurlijk ook stom.

Met slechts drie woorden zet Club Gewalt een Patti Smith waardige performance neer: “Sixtijnse Angelsasksisch Patriarch”. De rest van de club kijkt toe met een blik die tussen woede en verveling inhangt: de ogen vurig en de mond ontspannen open. Performer Sanna Vrij verheft de nietszeggende woorden tot een waar kunstwerk als ze de tekst niet langer poëtisch zegt maar krijst. Iets dat in The Factory niet zou misstaan.

Voorbij de punk

Het Fringepubliek staat er vooralsnog wat ongemakkelijk bij. Gaan we de hele tijd staan? Hoor ik mijn buurman denken. Maar wie denkt in dit eerste deel, het punkconcert, de lijn van de drie uur durende performance te kunnen vatten heeft het mis. We duikelen een totaal andere kant op om (tot geluk van mijn buurman) comfortabel in een stoel te eindigen.

Ook onze trommelvliezen mogen bijkomen, want Club Gewalt laat de conventies van de Punk ver achter zich. Gelukkig maar, want deze performers zijn tot veel meer in staat dan drie akkoorden op een gitaar te rammen. Ze zingen een Arvo Pärt-achtig klassiek koornummer. Dat van zo’n pure schoonheid is, dat ik totaal vergeet waar ik ben en mijn mond na afloop nog van verbazing open staat.

In het tweede deel laat Club Gewalt ook de muziek even voor wat het is en gaat door op de thematiek. We kijken toe hoe het Kapitalisme wordt geboren, of nou ja “Kapitalismus” (Amir Vahidi) een aan Sacha Baron Cohen’s Brüno denkende nichterige Duitser met een groot enthousiasme voor alles. Zelfs voor anarchisme, “with a couple of rules ofcourse”

Wat volgt is een onsamenhangend stuk, Amir toont zijn talent voor imitaties en typetjes, en transformeert onder andere in een willekeurige Marc-Marie Huijbregts. Hij ontpopt zich tot een ware komiek. Een die de plank zo stevig misslaat met zijn grappen dat hij het publiek, tegen alle regels in, wonderbaarlijk genoeg meekrijgt in zijn meligheid.

BINGO! BINGO!

Misschien is het de aanstekelijke energie van de performers, misschien is het de bar die nooit sluit, maar in het derde deel lijkt het publiek onherkenbaar. Waar we eerst nog schuchter en beleefd licht op de maat van de muziek headbangden steken we nu agressief onze vuisten in de lucht. Op ACDC’s Thunder krijsen we zo hard als we kunnen “BINGO! BINGO!” We lijken klaar om een revolutie te ontketenen.

Die energie wordt alleen met een therapeutisch tijdverdrijf uitgeblust. Be careful what you wish for: we gaan daadwerkelijk Bingo spelen. Na de eerste ronde doet de Host wat ze kan om ons nog mee te krijgen, we staan op stoelen, we grunten een Yell, maar de aangewakkerde anarchistisch puber in ons doet ons verveeld worden en afhaken.

Club Gewalt heeft lef, ze zoeken de grenzen op van hun creativiteit, werken tegen alle regels in en rekken hun sketches zover op dat het publiek in een bizarre staat van vervreemding raakt. Maar daarin schuilt ook een gevaar. Wanneer Club Gewalt, na nog een pauze, in een overdreven soap-achtig toneelstuk een licht op de Amerikaanse politiek probeert te werpen is mijn innerlijke vuur al lang uitgedoofd. Ik haak compleet af.

En zelfs dan na middernacht, na een onzinnig toneelstuk, na iets te veel bier, weet Club Gewalt mijn aandacht weer te pakken. Robbert Klein breekt in, met zijn ogen gesloten trapt hij als een bezetene op de maat van de muziek. In een krachtige kopstem zingt hij keer op keer vijf woorden: “Take me to the bridge”.

Zo keert Club Gewalt ongestructureerde chaos terug naar de essentie, de betoverende energie van de muziek. Want hoeveel typetjes, kneuterige kostuums en slechte pruiken Club Gewalt ook uit de kast trekt, in een ding is Club Gewalt bloedserieus: de muziek. En die gaat door merg en been.

Reageer op dit artikel

keizer
Boeken / Non-fictie

Keizer-lijk

recensie: Fik Meijer - Keizers sterven niet in bed
keizer

Op een zeldzame uitzondering na waren de keizers van het Romeinse Rijk allemaal kleurrijke figuren met hier en daar een schroefje los. Een boek over hoe al die keizers aan hun einde kwamen, lijkt dan ook gewonnen spel. En toch is Keizers sterven niet in bed licht ontgoochelend.

Allereerst: Keizers sterven niet in bed is geen nieuw boek, maar de tiende druk van een werk dat in 2001 verscheen. Fik Meijer is nu eenmaal een van de populairste Nederlandse schrijvers als het op ‘geschiedenis light’ aankomt. Dat vind ik persoonlijk redelijk onbegrijpelijk: zowel zijn boeken Paulus als Jezus en de vijfde evangelist getuigen van weinig stilistisch talent en durven de historische feiten al eens té los te benaderen.

In dat opzicht is Keizers sterven niet in bed in het voordeel. Meijer maakte intensief gebruik van (verschillende) bronnen, waardoor het geheel een gefundeerde indruk geeft. Los van het feit dat heel wat bronnen uit de oudheid elkaar tegenspreken over het einde van bepaalde keizers, wat de auteur in zijn inleiding ook toegeeft.

Repetitief

Als naslagwerk is Keizers sterven niet in bed best boeiend: een overzichtelijk, want chronologisch, overzicht van alle keizers. Wie snel iets over een bepaalde caesar wil opzoeken, zit met dit boek gebeiteld. Als literatuur is het echter heel wat minder. Dit komt door het – enigszins begrijpelijke – repetitieve patroon dat Meijer hanteert. Van elke keizer wordt eerst een korte biografische schets gegeven, met dan in deel twee het levenseinde. Bij heel wat caesars is dat boeiend: de ene wordt vermoord terwijl hij stond te plassen, de ander leed dan weer dagenlang helse pijnen aan zijn geslachtsdelen omwille van een vreselijk (en stinkend) gezwel.

Maar vanaf de derde eeuw begint het, vooral omwille van de kleurloze keizers, ronduit saai te worden, en wanneer de tetrarchie zijn intrede doet – waarbij maar liefst twee hoofdkeizers en twee onderkeizers tegelijkertijd regeerden – zelfs ronduit verwarrend. Zeker gezien het strakke tempo dat de schrijver hanteert. Geraak maar eens wijs uit dit:

‘Honorius’ zuster Galla Placidia, die gehuwd was geweest met Constantinus, wilde dat haar zoon Valentinianus III Honorius zou opvolgen. Omdat Honorius voor zijn dood geen regelingen had getroffen, beschouwde Theodosius II in Constantinopel zich echter als de enige rechtmatige keizer in het Romeinse Rijk.’

Boeiende intermezzo’s

Eigenlijk zijn vooral de intermezzo’s erg boeiend. Vooral dan de bladzijden waarin Meijer de neergang van de steden beschrijft, waarbij de notabelen zich terugtrokken op hun immense landgoederen. Heel wat mensen zochten en kregen daarna bescherming bij hen – uiteraard tegen bepaalde voorwaarden. Dit was natuurlijk dé kiem van het lijfeigenensysteem, zo typisch voor de Middeleeuwen. Die overgang tussen oudheid en Middeleeuwen wordt heel fraai beschreven. Maar dat is helaas te weinig om dit boek een aanrader te noemen.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Kunst met een boodschap

recensie: Zhang Dali – Body and Soul

In Museum Beelden aan Zee is een tentoonstelling te zien van de veelzijdige kunstenaar Zhang Dali (Harbin, 1963), onder de naam Body and Soul. Dali is een multidisciplinaire kunstenaar uit China. Hij onderzoekt sociale problemen, menselijke omstandigheden en de verschillende niveaus van de werkelijkheid. Dat doet hij door gebruik te maken van tal van materialen.

Zhang Dali

Visie op China

Aan het begin van de tentoonstelling word je direct geconfronteerd met een bronzen kop van de kunstenaar met een pistool aan zijn slaap. Dali gaf zijn portret de titel Kunstzelfmoord (1999). Na zijn academische opleiding liet hij het passieve leven dat de Staat hem bood voor wat het was en koos zijn eigen weg. Door de staat de rug toe te keren, betekent Kunstzelfmoord voor Dali eigenlijk een hergeboorte: een nieuw leven. Zijn kunstuitingen zijn zeer gevarieerd, maar hebben één ding gemeen: zijn visie op China.

Die komt onder andere tot uiting door als kritiek zijn eigen hoofd en profiel met verf op oude muren te spuiten en soms uit te hakken in gebieden waar het historische China moet wijken voor het moderne. Bovendien laat hij op de oude muren zijn signatuur AK-47 achter. AK-47 is de aanduiding voor een Russische mitrailleur en is een antwoord op de markeringen chai (‘neerhalen’) van de sloopbedrijven. Mensen worden door de overheid uit hun huis gezet, om plaats te maken voor nieuwbouw.

Het Plein van de Hemelse Vrede

Dali was zelf op het Tiananmenplein aanwezig tijdens de bloedige onderdrukking van de studentenopstand in 1989. Vele jonge Chinezen weten niet meer wat er toen is gebeurd, omdat de overheid dat verzwijgt. Het werk dat hier tentoon gesteld wordt refereert voor Dali aan de heiligheid van het plein. Square (2014) bestaat uit een aantal vrijstaande figuren, arbeidsmigranten, in hun alledaagse kleren. Ze zijn gegoten in smetteloos wit glasvezel; een vergankelijk materiaal. De witte duiven die deze personen bedekken, zijn echter een droom van Dali, want die komen daar helemaal niet voor. De duiven gebruikt Dali als een symbool voor het Plein van de Hemelse Vrede. Het Plein zou een plek van vrede moeten zijn, waar iedereen vrij is om te denken en voelen wat hij wil.

ZhangDali: Installation Brownian Motion, 2011-2017

Niet kunnen bewegen

In het midden van de tentoonstelling staat een enorme installatie van steigerpalen, waar naakte mensen in gevangen zitten (Installation Brownian Motion, 2011-2017). Ze kunnen zich niet bewegen, omdat ze door de palen worden doorboord. Voor Dali staat de installatie symbool voor het leed van zijn landgenoten. ‘China wil veel te snel veranderen. Dit zorgt voor chaos, waardoor mensen geen kant meer op kunnen’, zegt hij.

Zhang Dali: Permanence (2015-16)

Eeuwigheidswaarde

Permanence (2015-16) bestaat uit een groep van achttien perfecte marmeren beelden van arbeiders, mannen en vrouwen, jong en oud, in alledaagse houdingen. Hoewel ze in een groep zijn geplaatst, vormen ze dat niet; het zijn allemaal individuen, teruggetrokken in zichzelf. Ze hebben alleen een nummer. Opvallend is dat niemand emotie toont, maar gewoon alleen maar een alledaagse houding aanneemt. De kunstenaar geeft deze mensen op een bepaald moment in hun leven weer, zoals een foto een momentopname maakt. De kunstenaar wil hierbij de anonimiteit en de onderwaardering voor de arbeider in China weergeven, terwijl zonder deze arbeiders China niet kon moderniseren en er geen sprake was van het huidige China. Door het gebruik van marmer (onvergankelijk) wil Dali de oneindigheid van de ziel symboliseren.

Met deze tentoonstelling beoogt Zhang Dali duidelijk te maken dat de Chinese droom van de overheid weinig perspectief biedt voor de mensen uit de laagste klasse, terwijl je van een communistisch/socialistisch systeem toch anders zou verwachten. Door niet direct met een beschuldigende vinger naar de overheid te wijzen, kwam het nooit tot een heftige confrontatie. Dali vindt zelf dat je steeds kritischer kan zijn in China, in tegenstelling tot vroeger.

Een bezoek aan deze expositie is een aanrader. Niet alleen vanwege de manier waarop Dali zijn materialen toepast op het onderwerp, maar omdat de expositie de werkelijke, niet zo florissante, situatie in China laat zien, anders dan de overheid wil doen geloven.

Reageer op dit artikel

Kunst / Expo binnenland

Klein maar fijn

recensie: Geniaal getekend. Van Da Vinci tot Rembrandt

De tentoonstelling Geniaal getekend in het Amsterdamse Cromhouthuis kun je bekijken vanuit het oogpunt van een glas dat ofwel halfleeg, dan wel halfvol is. Beide standpunten worden hier ingenomen, met de nadruk op het laatste.

Als bezoeker kun je je er bijvoorbeeld over verbazen dat de ongeveer vijfentwintig tekeningen uit de collectie van steenkolenmagnaat Carel Joseph Fodor (1801-1860) te zien zijn in twee piepkleine kamers, waarvan één onder de trap van de statige panden aan de Herengracht. Maar als je van de schrik bekomen bent, kun je ook stellen dat die intieme, donkere kabinetten precies beantwoorden aan het doel dat gastcurator Taco Dibbets (directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam) zich stelde: liefhebbers leren kijken naar de tekenkunst van enkele grote meesters, van Da Vinci tot Rembrandt.

Kop van een grijsaard – Leonardo da Vinci (1452-1519), Pen in bruine inkt op papier, 100 x 95 mm

Mensen en gezichten

Dibbets koos als rode draad in zijn selectie voor tekeningen van mensen en gezichten, in dit geval vingeroefeningen en voorstudies. Zoals Rembrandts tronie in Kop van een oude man, die wordt getoond naast Da Vinci’s voorstudie voor wellicht een apostel op het Laatste Avondmaal (Milaan): Kop van een grijsaard (uit de boedel van koning Willem II).

Het mooie, bescheiden begeleidende boekje bij de tentoonstelling geeft niet alleen de herkomst van de tekeningen aan, maar ook een afbeelding van zo’n schilderij, zoals bij respectievelijk Jonge man die een jonge vrouw ontmoet en De liefdestuin van Rubens. Het was leuk geweest zo’n afbeelding op de tentoonstelling naast de voorstudie te zien, maar daarvoor ontbrak natuurlijk de ruimte.

Vrouwenhoofd – Fransesco Salviati (1509/10-1563), Zwart krijt op papier, 213 x 158 mm

Naast elkaar

Wat Dibbets wel naast elkaar laat zien, zijn twee prachtige, fijne vrouwenhoofden van Fra Paolini Pistoia en Francesco Salviati. De eerste is met houtskool getekend, de tweede – een voorstudie voor de Madonna voor de Santa Christiana in Bologna – met zwart krijt. Maar dan vraag je je wel meteen af waarom hij de Twee mannen van Goltzius niet naast de Kop van een jonge man van diens leerling Jacob de Gheyn hing: alle mannen kijken omhoog, wat een ongebruikelijke pose is. Ook dan had Dibbets zijn punt kunnen maken ten aanzien van de verschillen in techniek om de haardracht af te beelden: getekend met respectievelijk metaalstift en krijt, wat natuurlijk (leren kijken!) een totaal verschillende uitwerking heeft.

Voor fijnproevers

Het is een goede zaak dat twee relatief kleine Amsterdamse musea, die allebei een naamsverandering hebben ondergaan om de breedte van de collectie te accentueren, de handen ineen hebben geslagen om deze kleine expositie voor fijnproevers mogelijk te maken: het Amsterdam Museum (voorheen Amsterdams Historisch Museum), waar de Fodor-collectie toe behoort, en het Cromhouthuis (voorheen het Bijbels Museum, dat er nu onderdeel van uit maakt), waar de expositie te zien is. Bezoekers krijgen op die manier de kans weer eens enkele hoogtepunten uit de Fodor-collectie te zien.

Reageer op dit artikel

Boeken / Non-fictie

Mooie herinneringen aan Neil Young

recensie: Herman Verbeke (red.) - Neil Young en ik

De muzikant Neil Young is een icoon. Hij maakt al decennialang eigenzinnige muziek, die hem op dat moment belieft. Hij is een stijlfiguur, die enerzijds een stempel op de jaren zestig heeft gedrukt, maar ook vaak afweek van de gangbare stijlen van dat moment.

Verbeke verzorgt met Neil Young en ik een platform aan 65 verschillende schrijvers die wat bijzonders hebben met de muziek van Young. Het zijn stuk voor stuk heel persoonlijke verhalen, die vaak starten met de vroegste herinneringen aan de kennismaking met Neil Young en een beeld geven over wat zijn muziek door de jaren heen voor de schrijvers heeft betekend.

Een boek om regelmatig op te pakken

Iedere vertelling is van een andere signatuur en diepgang. Sommige stukjes zijn heel kort, maar er zijn ook verhalen die vele bladzijden beslaan. Het is geen boek dat je in één ruk uit zult lezen, omdat het geen doorlopend verhaal is, maar het is een perfect boek om regelmatig op te pakken en een of twee herinneringen uit te lezen.

Voor de lezer die niets heeft met de muziek van Young is het ongetwijfeld een oervervelend boek. Maar doet de muziek – en vooral de stem! – van Young je wat in positieve zin, dan bevat het boek een grote hoeveelheid leesvoer dat je vele uren zal vermaken. De verschillende verhalen zullen je nooit teleurstellen en zijn nooit hetzelfde.

Neil Young en ik

Neil Young heeft in zijn carrière heel verschillende soorten muziek gemaakt, die passen bij verschillende stemmingen. De schrijvers komen hier dan ook vaak mee naar voren in hun vertellingen. Ondanks deze verschillen heeft Young één belangrijk kenmerk dat in al zijn muziek doorklinkt: zijn herkenbare, onvaste stem, die soms door merg en been lijkt te gaan, maar ook kan voelen als een hand op je schouder in moeilijke tijden. Soms huilt Young met je mee om je vervolgens een hart onder de riem te steken. De ene keer vindt je in zijn muziek de bevestiging en een andere keer juist de bevrijding van je gevoelens. Het is muziek die je vooral op je in moet laten werken.

Mijn herinnering

Als je het boek Neil Young en ik leest, ontkom je er niet aan om terug te denken aan hoe je zelf in contact kwam met Neil Young. Ik wist het meteen! Het moet in de jaren 1974/1975 geweest zijn. Eigenlijk een heel bijzonder moment: met mijn vader was ik in Tilburg bij de winkel van Spiero, waar mijn vader vaak zijn (klassieke) bladmuziek voor piano en orgel kocht. Ik mocht in de bakjes met oude singles snuffelen. De grote ontdekking van die dag bestaat uit twee singles van Buffalo Springfield. Ze zeiden me niets. Toch nam ik ze mee en daar heb ik nog steeds geen spijt van. ‘For What It’s Worth’ en het machtige ‘Expecting To Fly’ vormden mijn kennismaking met de stem van Neil Young. Met name ‘Expecting To Fly’ voelde direct speciaal.

Als je net als ik een liefhebber van de muziek van Neil Young bent, dan is Herman Verbeke’s Neil Young en ik een boek dat je zeker moet lezen. Het zal je vele uren plezier brengen en je eigen herinneringen omhoog halen.

Reageer op dit artikel