12237-griffioen-zuidplein-cabaretfestival-2015-f.jpg
Theater / Reportage
special: Griffioen/Zuidplein Cabaretfestival 2015

IJzersterk duo Roovers & Van Leeuwen wint Griffioen/Zuidplein 2015

De negende editie van het Griffioen/Zuidplein Cabaret Festival heeft met Roovers & Van Leeuwen een terechte winnaar opgeleverd. Het duo verraste met prachtig en sterk samenspel op zeer hoog niveau. De eigenzinnige solist Mark Waumans ging er vandoor met de publieksprijs.

Het gastopreden van Tim Fransen duurde twee keer zo lang als gepland; een teken dat de jury de tijd heeft genomen om een winnaar aan te wijzen. De jury merkte op dat het niveau erg hoog was en dat de vijf kandidaten ‘zeer aan elkaar gewaagd’ waren. Dit gold zeker voor de eerste en de laatste act, respectievelijk Roovers & Van Leeuwen en Mark Waumans.

Een mooie toekomst
Roovers & Van Leeuwen zijn Meeuw Roovers en Robert van Leeuwen, beiden bijna afgestudeerd aan de Koningstheateracademie in Den Bosch. Jawel, dezelfde academie waar de winnaar van het Leids Cabaret Festival zijn opleiding volgde: Thijs van de Meeberg. Goede reclame dus, ook nadat de nieuwste programma’s van oud-studenten Pieter Derks en Louise Korthals lovend werden ontvangen. Hoewel Roovers & Van Leeuwen pas aan begin staan van hun carrière, belooft het winnen van dit festival een mooi vooruitzicht. Wellicht kunnen ze volgend jaar in de voetsporen treden van Van de Meeberg?

~

Hoewel het verleidelijk is om allerlei vergelijkingen te maken met andere cabaretduo’s, zou dat Roovers & Van Leeuwen ernstig tekort doen. Deze jongens staan op zichzelf en het leuke is dat ze het maken van theater als uitgangspunt nemen. Termen als ‘theaterwetten’, ‘vierde wand’ en ‘spelaanbod’ komen voorbij, wat een prettig startschot is voor de eerste act van de avond. Niet alleen het niveau, ook het tempo is hoog. In een kwartier komen meerdere sketches aan bod, van het raden van namen tot het ultiem uitbeelden van onafgemaakte moppen. Speltechnisch uitmuntend, van begin tot eind.

De tweede act wordt verzorgd door de tekstueel zeer sterke Thjum Arts, die zich geëngageerd toont door regelmatig in te haken op de actualiteit. Met leuke anekdotes over schoenen kopen en reizen met het OV windt hij het publiek om zijn vinger. Toch is duidelijk dat hij nog veel uren moet maken om zich helemaal lekker te voelen op het toneel; zijn motoriek is nog wat onwennig en het bewustzijn nog te groot, maar hij heeft het zeker in zich om een goede stand-upper te worden.

Weinig nieuws
Dorothée de Rooy is de enige vrouw in het gezelschap der finalisten. Ze neemt het leven als prinses van de Grachtengordel op de hak, door het als een sprookje voor te lezen uit een boek. Een ogenschijnlijk interessant begin, maar veel verder dan clichés over relatieproblemen gaat het eigenlijk niet. Het is ‘eentonig’ en ‘mist dynamiek’, aldus de jury, en daarmee geen kanshebber voor beide prijzen.

Dan Philip de Leeuwe. Hij won vorig jaar het Amsterdams Studenten Cabaret Festival, onder meer door zijn opening geheel opnieuw te spelen onder begeleiding van de hit van de Jackson 5, Can You Feel It (Philip)? Maar dat was vorig jaar. Heeft hij zich artistiek ontwikkeld? Nou nee. Hoewel het publiek zich vrij gemakkelijk laat verleiden tot ritmisch geklap en gezang, heeft De Leeuwe daarna weinig meer te bieden. Jammer, want hij kan zeker meer dan hij nu heeft laten zien.

Minimaal met groots effect
Als laatste act stond Mark Waumans op het programma. Slechts bijgestaan door een enkele spot en zijn bril, voert hij zijn hele show op binnen de vierkante meter. Zijn grappen vullen echter de gehele zaal met gelach; van solliciteren als hobby tot schapen tellen, van foto’s nemen met je iPad tot bijpinnen bij het goede doel. Waumans zoekt de grenzen op, maar komt er telkens mee weg. Toch heeft sympathie de overhand: hij is een vlotte verteller en komt met originele invalshoeken. Het publiek eet uit zijn hand. Met de publieksprijs heeft hij in elk geval een aanmoediging om door te gaan, want talent heeft Waumans zeker.

Dat geldt uiteraard ook voor de winnaars van het festival, Roovers & Van Leeuwen. Voor wie nieuwsgierig is naar de avondvullende voorstelling: de première van Alles Behalve Liefde is op 29 mei in Tilburg.

Yongzhi Chu, Monkey training for a circus, 29 november 2014, Suzhou, Anhui Province, China (eerste prijs categorie Natuur)
Kunst / Expo binnenland

Sprekende beelden?

recensie: World Press Photo 15

Het vastleggen van de meest weerzinwekkende, indringende, mooie en vooral unieke momenten, dat is het doel van de persfotografen die meestreden voor World Press Photo 15. De winnaars van deze jaarlijkse, internationale wedstrijd zijn nu te bewonderen in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

Wand met foto's van de afgelopen 60 jaar

Wand met foto’s van de afgelopen 60 jaar

De tentoonstelling bevat 148 indrukwekkende persfoto’s in acht verschillende categorieën:  Algemeen nieuws, Dagelijks leven, Hard nieuws, Hedendaagse kwesties, Langetermijn-projecten, Natuur, Portretten en Sport. Foto’s in de categorie Hard nieuws zijn het meest aangrijpend.

Bij binnenkomst wordt de bezoeker verwelkomd door de foto van de Deense jaarwinnaar Mads Nissen. Een leuke toevoeging is de achterkant van deze enorme foto, die bestaat uit een overzicht van de winnaars van de afgelopen zestig jaar. De ontwikkeling van de persfotografie is hier duidelijk zichtbaar. Van zwart-wit foto’s naar kleur en weer terug, naar meer interpretatieve beelden aan het einde van de reeks.

Jerome Sessini, Crime without punishment, 17 july 2014, Magnum Photos for Time/ De standaard (eerste prijs Stories, Spot News)

Jerome Sessini, Crime without punishment, 17 july 2014, Magnum Photos for Time/ De standaard (eerste prijs Stories, Spot News)

Vernieuwing laat beeld minder spreken

De zwevende weergave zorgt er voor dat de foto’s goed tot hun recht komen. Bovendien werkt het ook functioneel, als bezoeker kun je onder de beelden door al zien of er een plek vrij is. Het kan namelijk erg dringen zijn om eens goed te kunnen kijken. Dit wordt versterkt door de nieuwe toevoeging dit jaar, waarbij de bezoeker een code kan scannen met hun telefoon, om zo nog meer informatie te krijgen, naast de gebruikelijke tekstbordjes bij de foto. Spijtig, want door deze overvloed aan informatie is het voor de bezoeker moeilijker om alleen het beeld op zich in te laten werken, om zo de foto het woord te laten doen. Een persfoto zou in één oogopslag het verhaal moeten kunnen vertellen, dit wordt door de informatie eromheen  een stuk moeilijker gemaakt.

Yongzhi Chu, Monkey training for a circus, 29 november 2014, Suzhou, Anhui Province, China (eerste prijs categorie Natuur)

Yongzhi Chu, Monkey training for a circus, 29 november 2014, Suzhou, Anhui Province, China (eerste prijs categorie Natuur)

De harde waarheid

Het zal niet verbazen dat de foto’s erg indrukwekkend zijn. Visueel wordt de bezoeker nog eens herinnerd aan, vooral, de gruwelijkheden die in het nieuws voorbij gekomen zijn. Zo is het beeld van een passagier uit het vliegtuig MH17 confronterend vastgelegd door Jérôme Sessini. Ook minder door de Nederlandse pers uitgelichte situaties zijn verbeeld, bijvoorbeeld het aapje dat traint voor het circus. Vastgeketend aan zijn fietsje kijkt hij vol angst op naar zijn trainer, die hem dreigend nadert met een zweep in zijn handen. De beelden hebben geen uitleg nodig, ze zijn een verhaal op zichzelf.

Juist doordat de foto’s zo sprekend zijn, of juist zo persoonlijk in te vullen door mensen, is het jammer dat de organisatie er voor gekozen heeft het nieuwe technische snufje aan de tentoonstelling toe te voegen. Hierdoor verliezen de beelden hun essentie, wat betreurenswaardig en vooral onnodig is. Er is immers al voldoende informatie beschikbaar naast de beelden zelf, mocht de bezoeker de afbeelding niet gelijk kunnen plaatsen. Toch grijpen de foto’s je weer en zou het pas echt een gemiste kans zijn om dit jaar World Press Photo over te slaan.

 

34022-ali-smith-ziet-alles-dubbel
Boeken / Fictie

Ali Smith ziet alles dubbel

recensie: Ali Smith - Het een als het ander

Het nieuwste boek van Ali Smith bestaat uit twee delen en kan op verschillende manieren gelezen worden. Er wordt met taal geëxperimenteerd, met perspectieven geschoven en de personages staan in een bijzondere verhouding tot elkaar. De uitkomst is een tot de verbeelding sprekende roman.

De ene helft van de oplage van Het een als het ander begint met het verhaal van de zestienjarige Georgia in de huidige tijd in Engeland, de andere helft vangt aan met de geschiedenis van de frescokunstenaar Francesco del Cossa in het Italië van de vijftiende eeuw. Lezers beginnen met het ene of met het andere deel, wat een verschillende leeservaring oplevert en zal bijdragen aan de dynamiek in menige leesclubbespreking. De delen grijpen in elkaar als een stevige omarming en worden door Smith op indringende wijze gepresenteerd.

Visionaire blik

Beginnend in de Italiaanse Renaissance volgen we de schilder Francesco die vanaf zijn geboorte door zijn vader gepusht wordt om kunstenaar te worden. Hij blijkt een talentvolle tekenaar die gaandeweg – en door een verrassende misleiding – uitgroeit tot beroemd frescoschilder. Er is weinig meer van hem bekend dan zijn fresco’s in Ferara die hij, in opdracht van de hertog, in een plaatselijk paleis heeft geschilderd. De nogal hoogmoedige Franceso heeft in zijn schilderpraktijk te maken met een weerbarstige opdrachtgever, een eigenzinnige assistent en een geniale concurrent.

Smith laat Francesco met een visionaire blik naar de hedendaagse George (zoals Georgia wordt genoemd) kijken. Haar moeder is onlangs overleden en het verdriet zorgt dat het gezin in een wat losgeslagen toestand achterblijft: een alcoholische vader en een gevoelig broertje geven George een grote verantwoordelijkheid. In haar eenzame momenten denkt ze terug aan de reis met haar moeder naar Ferara, waar ze de fresco’s van Del Cossa hebben bewonderd.

Dubbel

Het is de taal van Smith die in een wervelende stroom van woorden een impressionistisch beeld van de wereld geeft. De wijze waarop ze – met een eigenzinnig gebruik van interpunctie, die soms helemaal ontbreekt – de wederwaardigheden van de schilder optekent, het heen en weer bewegen tussen realiteit en visioen, is op een speelse en haast intuïtieve manier tot stand gebracht. In zijn verbeelding beschouwt Francesco George in haar stille rouw terwijl hij ondertussen werkt aan het realiseren van zijn eigen fantasie op de muren van het paleis: ‘want het leven van schilderen en scheppen is een kwestie van tweevoudige kennis waardoor je eigen handen jou een wereld onthullen waarvoor je geestesoog, je bewuste oog, vaak blind is’.

Die dubbelheid in perspectief vormt tevens de basis voor deze roman. George wordt in Ferara door het werk van Francesco gegrepen en probeert zoveel mogelijk informatie te verzamelen om een werkstuk over de kunstenaar te maken. Op dit punt aanbeland brengt Smith een nieuwe laag aan in het verhaal: wordt het leven van Francesco door George beschreven met de vergaarde kennis of vanuit haar verbeelding? Wat was er eerst? Vervolgens wordt duidelijk dat de omdraaiing van de twee boekdelen een uitgekiende strategie van de schrijfster is.

Gaan dingen gewoon weg? zegt haar moeder. Bestaan dingen die zijn gebeurd niet, of niet meer, alleen omdat wij ze niet voor onze neus kunnen zien gebeuren? Ze bestaan niet meer als ze zijn afgelopen, zegt George.

Seksen

Het een als het ander gaat vooral over kijken en bekeken worden. In een grote zwaai worden tijdgrenzen overschreden en vervlecht Smith twee werelden die veelal bestaan uit dubbele elementen die in beide verhalen voorkomen. Dat ze hier vooral de identiteitsverwarring tussen de seksen een grote rol geeft is, gezien haar eerdere werk, niet verwonderlijk. Ook George, met haar jongensnaam, raakt in verwarring op het moment dat haar vriendin H. haar probeert te zoenen. Of is dit slechts de verbeelding van de beschouwer?

Met enige gekunsteldheid heeft Ali Smith een roman geschreven die in taal en inhoud een behoorlijke opgave zal zijn voor menig lezer. Hier geen lineaire vertelling met een kop en een staart, maar een avontuur dat de zintuigen op de proef stelt en fantasie en werkelijkheid indrukwekkend samenvoegt. Of beter gezegd, zoals George het geheel weet samen te vatten: ‘maar er is altijd meer te zien, als je kijkt’.

Björk - Vulnicura (highlight)
Muziek / Album

De schokgolven van een pijnlijke breuk

recensie: Björk - Vulnicura

Als na meer dan tien jaar je liefdesrelatie eindigt, is dat een enorme aanslag op je leven. Zo ook voor Björk, op wiens laatste album, Vulnicura, de schokgolven doorklinken van haar pijnlijke breuk met de Amerikaanse kunstenaar Matthew Barney.

Het levert het eerlijkste en meest gekwelde album op dat de eigenzinnige IJslandse artieste ooit maakte. Over hortende en stotende elektronica en door Björk zelf gecomponeerde strijkersarrangementen doet ze haar ontroerende verhaal. Om het allemaal nog pijnlijker te maken deelt ze in het cd-boekje precies mee hoeveel maanden de nummers, die grotendeels op chronologische volgorde blijken te staan, voor of na de breuk geschreven werden. Zo word je genadeloos meegesleurd in haar verhaal vol twijfel, intens verdriet, en uiteindelijk toch acceptatie.

Verzuipen in ellende

Show me emotional respect / I have emotional needs / I wish to synchronise our feelings” smeekt ze in het openingsnummer ‘Stonemilker’ (“9 months before”), begeleid door melancholische strijkers en holle percussie. Haar woorden, gezongen met de kracht die we van Björk gewend zijn, steken dwars door je heen. Het mag echter niet baten: “These abstract complex feelings / I just don’t know how to handle them“, worstelt ze verder in ‘Lionsong’ (“5 months before”).

Bij het vierde nummer is het misgegaan: in de tien minuten durende bak ellende ‘Black Lake’ (“2 months after”) verzuipt ze in haar ellende, terwijl het muzikale landschap verduistert en elektronische spasmes de kop opsteken. “My soul torn apart / My spirit is broken / Into the fabric of all / He is woven“, zingt ze. Maar er zijn ook boze verwijten: “Family was always our sacred mutual mission / Which you abandoned / You have nothing to give / Your heart is hollow“. Het is een verwijt dat terugkeert in het moeizaam uit de speakers druipende ‘Family’, waarin ze letterlijk rouwt om de dood van het gezin dat nooit zal bestaan.

Vrede met de situatie

Bij ‘Atom Dance’, dat een gastbijdrage bevat van niemand minder dan Antony Hegarty (van Antony and the Johnsons), lijkt het licht uiteindelijk toch enigszins terug te keren. Hoewel je niet bepaald kunt spreken van vrolijkheid in de spannende muziek en serieuze teksten, lijkt Björk enigszins vrede te krijgen met de situatie: “I am dancing towards transformation / Learning by love to open it up / Let this ugly wound breathe / We fear unconditional heart space / Healed by atom dance“.

Dat het verhaal door de directheid van Björks goed gekozen woorden, haar krachtige stem, en de soms stemmige, soms spannende muziek erg indrukwekkend is, moge duidelijk zijn. Het is daardoor alleen jammer dat een enkel nummer soms net wat te traag en stroperig is, waardoor enkele van de langere tracks enigszins langdradig aanvoelen. Aan de andere kant past die taaiheid juist uitstekend bij het gevoel dat je jezelf over een lijdensweg sleept. Het loodzware Vulnicura is om die reden geen gemakkelijk album en komt alleen goed tot zijn recht als het met aandacht wordt beluisterd. Als je dat dan doet, is de conclusie wel dat Björk, na meer dan twintig jaar meedoen in de alternatieve wereldtop, nog steeds iemand is om rekening mee te houden.

33915-ik-ben-de-nacht
Boeken / Fictie

Thriller zonder verrassingen

recensie: Recensie: Ethan Cross - Ik ben de nacht

Wie een thriller openslaat hoopt op een verhaal dat de lezer van cliffhanger naar cliffhanger voert. Ik ben de nacht probeert dat effect ook te bewerkstelligen, maar het gebrek aan schrijverskwaliteiten nekt het boek.

Marcus verhuist naar het Amerikaanse plaatsje Asherton wanneer hij het huis van zijn tante erft. Hij wordt verliefd op de dochter van de plaatselijke sheriff die zijn moordlustige neigingen op zware criminelen botviert. Wanneer Marcus het geheim van de sheriff ontdekt moet ook hij vrezen voor zijn leven.

Twee gekken

Ondertussen houdt ook de beruchte seriemoordenaar Francis Ackerman huis in Asherton. De verwantschap die Ackerman voelt als hij Marcus voor het eerst ziet, zorgt ervoor dat hij Marcus wil betrekken in zijn bloedlustige spelletjes. Marcus moet er alles aan doen om niet in de handen van een van deze gekken te vallen.

Het samenzweerderige sfeertje in Ik ben de nacht is zeker vermakelijk. De macht van de sheriff is groot en daarom moet Marcus iedere keer twee keer nadenken voor hij iemand in vertrouwen neemt. Daarnaast is seriemoordenaar Ackerman een fascinerend personage. Zijn vader heeft bij wijze van experiment een moordenaar van hem gemaakt. Bij iedere moord die Ackerman pleegt speelt zijn geweten op, maar uit angst voor zijn overleden, sadistische vader kiest hij toch steeds weer voor het kwaad.

Trucje

Ackerman is echter het enige personage dat diepte krijgt. Andere personages komen niet tot leven en blijven bedroevend vlak. Zelfs hoofdpersonage Marcus leren we – ondanks de vele hoofdstukken die vanuit zijn gezichtspunt zijn geschreven – amper kennen. Sterker nog, Ethan Cross verzwijgt regelmatig belangrijke gedachten en ideeën die personages meer substantie hadden kunnen geven. Ook al lezen we vanuit Marcus’ gezichtspunt, de gedachten die latere plotwendingen zouden kunnen verraden worden achterwege gelaten.

Zo komt het meerdere keren voor dat Marcus in zee gaat met iemand die achteraf een slechterik blijkt te zijn. Marcus’ eerste reactie is dan dat hij dat allang wist. Het doet je afvragen of een andere vertelstijl niet beter had gepast bij het verhaal dat Cross wil vertellen. Nu is het hoofdpersonage eendimensionaal, ongeloofwaardig én het verrassingselement wordt alsnog om zeep geholpen, omdat je het trucje van Cross snel doorhebt.

Voorspelbaar

Er zijn nog meer dingen die Ik ben de nacht voorspelbaar maken. Zo gebeuren er aan het begin van het boek dingen die niet erg logisch zijn en niet goed verantwoord worden. Verdacht natuurlijk, zeker wanneer je een thriller leest en je weet dat de auteur een aantal mindfucks voor je in petto heeft. Wanneer blijkt dat deze gebeurtenissen inderdaad niet zijn wat ze lijken, voert teleurstelling de boventoon. Dat soort dingen stoort te veel om Ik ben de nacht met plezier te lezen. Alle hoop op onverwachte ontknopingen steeds weer de grond ingeboord. En wat is nu een thriller zonder verrassingen?

12096-twaalf-keer-sehgal
Kunst / Achtergrond
special: A year at the Stedelijk: Tino Sehgal

Twaalf keer Sehgal – April

Een retrospectief van een jaar. Twaalf werken in de vorm van geconstrueerde situaties, elke maand één. Dagelijks opgevoerd vanaf het moment dat het Stedelijk opengaat totdat het sluit. Tino Sehgal choreografeert met zijn werken, die elke maand in een andere zaal van het museum te vinden zullen zijn, niet alleen hen die zijn werken vertolken, maar ook het gedrag van het museumpubliek.

Vier uit twaalf: Kiss (2002) en This is so contemporary (2004)

Kiss en This is so contemporary bevinden zich elk in een andere vleugel van de eerste verdieping van het Stedelijk en worden geflankeerd door zalen met daarin de vaste collectie. Twee situaties dus in april, tegenover respectievelijk één werk in januari, twee in februari en vier in maart. Nu bijna een derde van het retrospectief erop zit, kunnen we concluderen dat het cumuleren niet is gelegen in het aantal situaties dat per keer te zien is. Wat wel toeneemt is het aantal vertolkers. In april zijn het er vijf en dat is er één meer dan in maart.

‘Dit is niet meer Matisse, schat’

Vanuit de zaal waar Matisse’s immense knipselwerken zoals De parkiet en de zeemeermin (1952) hangen, kan het publiek een blik werpen op Sehgals Kiss. In een voor de rest lege zaal bevinden zich op de vloer een man en een vrouw, allebei in alledaagse kleding, innig met elkaar verstrengeld. ‘Dit is niet meer Matisse, schat’, zegt een vrouw tegen haar man als ze de zaal binnen lopen. Het is er opvallend rustig. Menig toeschouwer loopt snel door, een enkeling met de handen voor de ogen. Het blijkt een provocatief werk, de intimiteit confronteert de toeschouwers ogenschijnlijk met iets waar ze zich moeilijk toe kunnen verhouden.

De vertolkers voeren een choreografie van intieme poses uit, hun blik steeds op de ander gericht, een nimmer aflatend aandachtsspel, waarvan de intensiteit alleen nog maar versterkt wordt door de momenten waarop ze elkaar kussen – overigens zonder daarbij geluid te maken. Hun lichamen rollen over elkaar heen, de man nestelt zich in de schoot van de vrouw, als een hedendaagse pietà. Dan weer zitten ze tegenover elkaar op hun knieën of kruipt de vrouw op een haast dierlijke manier naar de man toe wanneer hij zich net daarvoor van haar heeft losgemaakt. Het geheel wordt opgevoerd met een traagheid die we kennen van Sehgals in januari en maart opgevoerde Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things (2000).

Het is deze traagheid die ervoor zorgt dat er afstand blijft bestaan tussen de bezoekers en het koppel op de grond. Bovendien zorgt deze traagheid ervoor dat de bezoeker niet het gevoel heeft te kijken naar een stel dat in een aandachtig liefdesspel is verzonken. Het is intiem, maar in de uren die ik doorbreng op de houten vloer voel ik me geen enkel moment een voyeur. Het lijkt eerder een krachtenspel te zijn, waarbij de één pas ergens kan zijn als de ander daar klaar voor is. De handen zoeken elkaar, de lichamen stutten elkaar: voorbereidend op de volgende handeling. Het is een aanvoelen, een voorvoelen.

En plein public

De geschokte reacties van de bezoekers die haast niet durven te kijken – en dat zijn er aardig wat – kan ik niet zo goed plaatsen, maar intrigerend is het wel. ‘Wat zien zij in het werk dat het hen zo schokt?’, vraag ik mezelf herhaaldelijk af. Bewust van het feit dat het antwoord daarop waarschijnlijk even divers is als de bezoekers die deze zaal doorkruisen en het werk links laten liggen, doe ik, wellicht tevergeefs, toch een poging om hun gedrag te analyseren (of te generaliseren?).

Wanneer een museumdocent een groep brugklassers vraagt om te gaan zitten en naar het werk te kijken, klinkt er in veelvoud een ‘what the fuck’ en worden er ongemakkelijke blikken met elkaar gewisseld. Een enkeling kan het niet aan en verbergt zijn hoofd tussen de knieën. Op dat moment bedenk ik dat wat het werk voor veel mensen ongemakkelijk maakt waarschijnlijk met iets heel basaals te maken heeft. Namelijk dat het vervreemdende van de situatie gelegen is in het feit dat een man en een vrouw handelingen en plein public opvoeren die wij met intimiteit associëren. Dát, en de vraag die daar op volgt, namelijk naar het waarom ervan, maakt het voor menigeen ongemakkelijk. Het confronteert ons namelijk met het feit dat de invulling die we eraan geven veel zegt over onszelf.

Wisselwerking en krachtenspel

De rolverdeling tussen man en vrouw wisselt elke keer als de situatie ‘opnieuw’ opgevoerd wordt, al is opnieuw een ietwat rare term voor een continu werk. De ene keer is de vrouw de initiator, dan weer neemt de man het voortouw. De bewegingen zijn steeds ‘hetzelfde’, maar degene die ze ondergaat is steeds de ander. Om de zoveel tijd spreekt ‘het werk’ zich uit zonder dat de bewegingen stoppen. ‘Kiss’, zegt de vrouw. ‘Tino Sehgal’ zegt de man. ‘2002’ zegt de vrouw.

De momenten waarop het al te menselijk overkomt, worden doorbroken met een geposeerd moment. Een blik in de ruimte van de een en de ander die deze blik weer bij zichzelf brengt door een subtiele beweging van de vinger tegen de kin, het draaien van een hoofd. Zien we in Sehgals Kiss een hertaling, als een stijlcitaat van bevroren liefdesscènes uit de kunstgeschiedenis? Een titel als Kiss appelleert haast onvermijdelijk aan andere werken uit de kunstgeschiedenis met eenzelfde titel. Auguste Rodins en Gustav Klimts De Kus. En Jeff Koons’ Kiss with Diamonds wellicht?

Absoluut modern zijn

Il faut être absolument moderne’, schreef Rimbaud in de negentiende eeuw. Deze uitspraak vindt haar equivalent in het hedendaagse dat deze maand door de zalen van het Stedelijk galmt. In een ruimte met drie doorgangen word ik bij het betreden ervan ingesloten door drie suppoosten, twee mannen en een vrouw, die al huppelend en springend, dit alles gaat gepaard met zwierige armbewegingen, op mij af komen en vervolgens in een kringetje om mij heen dansen. Al dit enthousiasme wordt versterkt door een opzwepend ‘ooooooh’. Gevolgd door ‘this is so contemporary, contemporary, contemporary’.

Deze hele sequentie herhaald zich vier keer, waarbij het laatste ‘contemporary’ uitgesproken wordt als een oefening in het opdelen van woorden in lettergrepen, alleen het klappen blijft achterwege: con – tem – po – ra – ry. Daarna volgt waar ik inmiddels op ben gaan rekenen, de vermelding van de titel. ‘Tino Sehgal’ zegt een van de suppoosten. ‘This is so contemporary’ roepen ze vervolgens in koor, vergezeld van de nodige theatrale bewegingen. ‘2004’ zegt een ander. Gevolgd door een laatste die afsluit met het noemen van de collectie waar het werk uit afkomstig is.

In de val

This is so contemporary vindt plaats in een lege museumzaal. Wanneer een bezoeker de ruimte betreedt en deze nog leeg is, is het verrassingseffect het grootst. De suppoosten houden zich op in de deuropening of in de aangrenzende zaal waardoor de aandacht van de bezoeker getrokken wordt door de (ogenschijnlijk) lege zaal. ‘Dat is vreemd’, lijkt hij te denken, ‘hier is niets te zien’. Nieuwsgierig stapt hij de ruimte in. Juist op dat moment zwelt het ‘ooooh’ aan en komen de suppoosten vanuit hun schuilplekken de ruimte in gesneld. De nietsvermoedende bezoeker is in de val gelokt.

Een aantal bezoekers probeert een variant van ‘schipper mag ik overvaren’ uit, door snel van de ene doorgang naar de andere doorgang te rennen. Soms met succes, meestal tevergeefs: de suppoosten cirkelen om hem heen en hij kan niet anders dan zich overgeven aan het geweld dat hem ten deel valt. This is so contemporary tovert bij veel bezoekers een glimlach op het gezicht. Sommigen dansen zelfs uitvoerig mee.

Wat betekent het om hedendaags te zijn? ‘This is so contemporary’ zou een noemer kunnen zijn voor alle werken die Sehgal tot nu toe in het Stedelijk getoond heeft. Het met de tijd zijn of, in correct Nederlands, hedendaags zijn is tweeledig uit te leggen. Vanzelfsprekend is natuurlijk de verwijzing naar de aard van de kunst die hier door Sehgal, maar ook in de aangrenzende zalen getoond wordt. Kunst van nu, van deze tijd. Interessanter en minder voor de hand liggend is de andere betekenis van hedendaags: tegenwoordig. Tegenwoordig is datgene wat present en aanwezig is, op dit moment. Deze definitie van hedendaags valt samen met de ontologie van Sehgals situaties. Zijn werk is daarmee altijd een nu, een samenvallen van tijd en plaats want daarbuiten bestaat het simpelweg niet in die vorm – slechts in ons (collectieve) geheugen. Zelfs het contemporary uit de titel is letterlijk hedendaags: ze is er alleen als ze wordt uitgesproken.

33728-waar-laat-ik-mijn-tranen-uitgelicht
Boeken / Fictie

Waar laat ik mijn tranen?

recensie: Seneca I: Medea, Phaedra, Trojaanse vrouwen - Piet Schrijvers (vert.)

Het thema van de Boekenweek 2015 was waanzin onder het moto “te gek voor woorden”. Vrijwel nergens komt dit thema zo blijvend naar voren als in de tragedies van Seneca. De Historische Uitgeverij geeft zijn oeuvre in delen uit, in vertaling van Piet Schrijvers.

De nieuwe uitgave is een opvallende verschijning, vooral wie Seneca nog kent met de wat beduimelde kaften uit zijn gymnasiumtijd. Deel I heeft een foto van Halina Reijn op de cover en een moderne bladspiegel met steeds op de linkerpagina de Latijnse brontekst en rechts de vertaling. Er is een uitgebreide contextualiserende inleiding op elke tragedie, en een op de bundel in zijn geheel. Ook het tweede deel dat Thyestes, Agamemnon, Oedipus en Hercules bundelt, is inmiddels verschenen.

Medea: kill your darlings

De inleiding op Medea gaat in op haar woede (ira). Koningsdochter Medea heeft alles achtergelaten om een nieuw leven te beginnen met Jason, moord en bedrog gepleegd, talloze inspanningen verricht en wanneer ze zich dan samen met haar geliefde wil vestigen, treedt deze in het huwelijk met een andere prinses. Als depressie naar binnen gekeerde woede is, is woede misschien naar buiten gekeerde depressie: Medea ontbrandt in een woede zó hevig, dat ze hun kinderen vermoordt.

Schrijvers maakt duidelijk dat niet zo maar alles gezegd is over woede. Seneca schreef tragedies over woede (deze en Thyestes), maar ook een filosofische verhandeling, waarin hij woede beschrijft als “zucht naar wraak, de hyperbolische descriptie van deze gemoedsaandoening als een kosmisch geweld, opsomming van lichamelijke symptomen, (…) de woede als waanzin (furor).” Het koor bezingt in Medea ook uitgebreid de kracht van woede, waarschijnlijk beïnvloed door Horatius, die een dergelijke ode heeft geschreven.

Phaedra: was sich liebt das neckt sich

Bij Phaedra ligt de nadruk veel meer op de liefde die waanzinnig is. Phaedra is hevig verliefd geraakt op haar stiefzoon Hippolytus. Hij wijst haar af en om vervolgens haar eer te redden, vertelt Phaedra rond dat hij haar avances maakte in plaats van andersom. Deze onbeantwoorde liefde resulteert uiteindelijk in hun beider dood. (Dit einde is bij Seneca niet hetzelfde als in andere versies.)

Schrijvers trekt hier een interessante parallel met het Bijbelverhaal van Jozef en de vrouw van Potifar. Dit “vrouw-van-Potifar-motief” betreft de ongepaste lust of liefde van de een (Phaedra en Potifars vrouw), en de ander die deze uit kuisheid afwijst (Jozef en Hippolytus) waardoor hij in het ongeluk gestort wordt (Jozef belandt jarenlang in de gevangenis).

Ook vertelt Schrijvers van latere versies of hedendaagse interpretaties, zoals de autobiografische interpretatie van Marguerite Yourcenar en de invloed van deze tragedie op Thomas Manns Joseph in Ägypten. Of Hugo Claus’ bewerking, waarin Hippolytus’ vrouwenhaat als homoseksualiteit wordt gekenmerkt. Ook een zelfhatende, masturberende Hippolytus heeft het toneel gezien. De waanzinnige liefde (of de liefdevolle waanzin) is van alle tijden, zullen we maar zeggen.

Trojaanse vrouwen: make love, not war

Trojaanse vrouwens is bekend als de Troades van Euripides, waarin een aantal Trojaanse vrouwen de gruwelen van de Trojaanse oorlog beweent. Seneca volgt dit verhaal grotendeels, maar verweeft in zijn versie ook een andere tragedie van Euripides: Hecuba. Zij is de koningin-moeder die haar hele leven in Troje haar thuis had, maar daar nu als oude vrouw haar man, kinderen en kleinkinderen gedood ziet. Terwijl ze zelf als slaaf wordt weggevoerd vraagt ze het publiek: “Waar laat ik mijn tranen?”

Trojaanse vrouwen was al vroeg en lang populair op de bühne. Het is een van Seneca’s eerste tragedies die werd vertaald, zoals door Vondel in 1626 en andere, internationale schrijvers die de Trojaanse oorlog verplaatsen naar andere steden en eeuwen. “Troje is een symbool geworden stad,” zegt Schrijvers “of [de schrijver] nu het verwoeste Jeruzalem, de veldslag bij Grollo, de brand van Aken, of de kerstnacht van (…) Amsterdam in geuren en kleuren beschreef.” En Troades gaat eens niet over de wisselingen van het lot, “maar over machteloosheid tegenover macht en geweld.”

Schrijvers’ vertaling valt voor de meeste lezers – zelfs voor de lezer met gymnasiumachtergrond – lastig te beoordelen, maar de uitgave en de uitputtende inleidende essays maken van Piet Schrijvers’ vertaling een mooie om in de kast te hebben staan.

33864 Een hachelijke zaak
Theater / Voorstelling

Een hachelijke zaak

recensie: Ro Theater - Codo 010

De première van een stuk over Rotterdam die een half uur te laat begint omdat de trein uit Amsterdam vertraging heeft… Je had, op minder genereuze momenten, kunnen insinueren dat daar nu precies het hachelijke van zo’n onderneming mee wordt samengevat. Want de aanstichter zelf, Sadettin Kirmiziyüz in de rol van, laten we zeggen, Lévi-Strauss, moet ook gewoon de trein pakken wil hij zich over Rotterdam laten bijscholen – en bijscholen moet je je wel als je een ambitieus vierluik over de (mijn) moderne stad aan de Maas maakt, waarvan het eerste deel, Code010, over de grootste haven van Europa gaat.

En dus hebben de acteurs, in samenwerking met de Rotterdamse toneelschrijver Simon Weeda, research gedaan. Ze zijn de haven ingedoken, hebben arbeiders gesproken, vakbondslui, journalisten. Uit die verhalen hebben ze een voorstelling gemaakt. Die voorstelling is luchtig, snel, niet te lang, maar soms ook wat aan de oppervlakkige kant, alsof ze meenden dat er een ironische tegenpool nodig was voor het gewicht van de materie die ze de repetitieruimte in wisten te slepen. Zo wordt geweld en prostitutie omringt door monologen waarin de acteurs ook toegeven on-ge-ló-fe-lijk geshockeerd te zijn over wat ze tijdens hun research tegenkwamen. Die enigszins kinderlijke shock is inderdaad wat soms overheerst. Dit zijn mensen die op excursie zijn geweest, ongedurige schoolkinderen die thuis aan de eetkamertafel tegen hun mama uitroepen, “Wat ik nou toch heb meegemaakt…”

The Great Globe Itself

Sadettin Kirmiziyüz heeft een nonchalance die doet denken aan Woody Allen – ogenschijnlijk improviserend maar toch, of juist daardoor, precies raak – en hij gebruikte zijn ontspannen charme om de avond te laten beginnen met een korte verbale rondleiding over een imaginaire aardbol. Met de Rotterdamse haven als middelpunt vinkt hij één voor één de boze buitenwerelden aan die zich met miljoenen containerschepen tegelijk op de haven storten. Daar ligt Peru, daar Vladivostok, daar Japan. Dit stuk, zo voel je, heeft een Groot Thema. Inderdaad, alleen al de cijfers zijn indrukwekkend. Zeven miljoen containers per jaar; containers zo groot als huizen. Slechts 50.000 die gecontroleerd kunnen worden. Dat moet wel een broeinest voor ellende zijn, en dat is het ook. Die ellende noemen we: smokkel.

Te veel; te weinig

Drie verhaallijnen worden in de voorstelling uitgewerkt: een goedaardige maar uiteindelijk corrumperende havenwerker, een hoerenmadam en een overambitieuze rechercheur. Dat is veel, zeker in een redelijk korte voorstelling, vooral als je dan ook nog op een paar momenten de dialoog met het publiek aan wilt gaan. Daardoor verloor de voorstelling na een tijdje zijn overredingskracht – niet omdat de verhalen te “licht” waren, maar vooral omdat de verhalen niet “zwaar” genoeg werden gebracht. Te veel Tarentino en televisie, te weinig (om eens een maritiem meesterwerk te noemen) “A View from the Bridge”).

Post Scriptum

Het getuigt van een goede timing dat er net op de dag dat deze recensie geschreven werd een item op het journaal verscheen over een havenmedewerker die wegens drugssmokkel is opgepakt. Ik kon mij direct voorstellen hoe hij gepakt is. Het laat zien dat de makers in hun informatieve opdracht zijn geslaagd. In hun dramatische opdracht, die belangrijker is, echter niet, want ik kon mij nog steeds geen beeld vormen van wat voor soort persoon ze opgepakt hebben, wat nou de tragiek van die persoon was. Was het toneelstuk beter – menselijker – geweest, dan had ik dat wel gekund.

33636-young-fathers-white-men-are-black-men-too-f.jpg
Muziek / Album

Kind van zijn tijd

recensie: Young Fathers - White Men Are Black Men Too

Het Schotse trio Young Fathers is een kind van zijn tijd. Iedereen kan dankzij het internet overal naar luisteren en al die invloeden naar hartenlust met elkaar vermengen. Met hun verfrissende mix van onder meer hiphop, pop, r&b, spoken word en elektronica, gemengd tot iets dat van alles en daardoor niks specifieks is, past Young Fathers helemaal bij die trend.

Op het opvallend getitelde White Men Are Black Men Too gaat de groep vrolijk verder met het op creatieve wijze mengen van de eerdergenoemde genres. Toch zijn er een paar verschillen. Allereerst lijkt de rap meer dan ooit naar de achtergrond gedrongen om plaats te maken voor zang, waardoor het predicaat ‘experimentele r&b’ zo langzamerhand helemaal geen verkeerde zou zijn. Daarnaast is de algehele sound minder kil en elektronisch, maar klinkt het juist voller.

Unieke sferen

Het is knap om te horen hoe enorm afwisselend de muziek is, terwijl het continu heel herkenbaar Young Fathers blijft. Zo heeft hoogtepunt ‘Old Rock n Roll’ een opgefokte, harde beat, waarin de stuiterende melodie een agressieve sfeer oproept. Tevens wordt hier de strekking van de titel duidelijk — dat blijkt een stukje genuanceerder te liggen dan de titel alleen doet vermoeden: “I’m tired of blaming the white man / His indiscretion don’t betray him / A black man can play him / Some white men are black men too / Nigga to them / A gentleman to you.

Qua sound een groot verschil met het trage, zoete ‘Nest’, dat leunt op zware pianoaanslagen, of het luchtige, catchy ‘John Doe’, waarin zelfs een ludiek stukje gefloten wordt. ‘Liberated’ klinkt weer totaal anders: hoewel je het door de neurotische beat niet zou verwachten krijgt het nummer op gegeven moment een heuse gospelvibe, die je tot grote hoogtes lijkt te willen stuwen.

Mindere hooks

Productioneel zit Young Fathers dus nog altijd op topniveau. Als er iets te klagen valt over dit album, is het dat de hooks minder pakkend zijn dan die op DEAD (2014), het gelauwerde eerste album van de groep. Genadeloze oorwurmen als ‘Get Up’ of ‘Am I Not Your Boy’, waar die plaat vol mee staat, zijn hier veel minder aanwezig. Aangezien zang op dit album een nog prominentere rol inneemt dan op DEAD, maken de relatief mindere zanglijnen dit album als geheel beduidend minder memorabel. Wellicht is het dus handig als de Fathers hier de volgende keer iets meer de tijd voor nemen. Dit alles neemt echter niet weg dat White Men Are Black Men Too een erg fijn album is dat zijn kop boven het maaiveld uit weet te duwen door de knappe muzikale omlijsting en de afwisseling daarbinnen.

soefisme
Boeken / Non-fictie

Het begin van de parel van de islam

recensie: Asghar Seyed-Gohrab - Soefisme. Een levende traditie

De Leidse academicus Ashgar Seyed-Gohrab heeft een boek over het soefisme geschreven, een filosofische stroming binnen de islam. Een zeer tijdig en rijk boek.

Als de islam een schelp is, dan is het soefisme de parel – zo wordt het soefisme door sommigen wel beschreven. Asghar Seyed-Gohrab, verbonden aan de vakgroep midden-oostenstudies van de Leidse universiteit, heeft er een inleidend boek over geschreven. Soefisme. Een levende traditie belicht de vele kanten van deze ‘religieuze filosofie’. Wat opvalt, in onze op de orthodoxe islam gefixeerde tijden, is hoe soepel deze mystici omgaan met hun geloof en de Koran.

Allereerst: het is schokkend hoe weinig literatuur er in Nederland gepubliceerd wordt over het soefisme. Enigszins recent is een door oud-minister Johan Witteveen gekozen selectie teksten uit het werk van soefi Hazrat Inayat Khan gepubliceerd – maar een goede inleiding ontbrak tot op heden. In dat gat is Seyed-Gohrab dus gesprongen, en gelukkig voor ons valt er weinig te klagen over Soefisme.

Levendig en boeiend

Door het bijna totale gebrek aan voorgaande literatuur kan Seyed-Gohrab nooit alle nieuwsgierigen bedienen. Ook is het haast onmogelijk om, in zijn eigen woorden, ‘recht te doen aan de complexiteit en subtiliteit in verschillende perioden van het soefisme.’ Soms lijkt het alsof elke mysticus er een eigen leer op nahield, die in kleinere of grotere mate van voorgangers en tijdgenoten afwijkt.

Seyed-Gohrab heeft zijn boek in een elftal hoofdstukken verdeeld, die allen een bepaald thema of onderwerp toelichten. Velen hiervan zullen vaagjes bekend zijn – vasten, bijvoorbeeld, bedelen of de hemelvaart –, onderwerpen waarover veel mensen wel het een of ander te melden hebben; maar Soefisme gaat verder de diepte in. Er wordt telkens een traditie geschetst, filosofen en denkers die elkaar beïnvloedden of juist bestreden, met ook veel aandacht voor de rol van het soefisme binnen de islam. Seyed-Gohrab haalt vaak en veel originele bronnen aan en geeft doorgaans ook een korte duiding of interpretatie van de citaten. Door dit materiaal, en Seyed-Gohrabs prettige pen, blijft Soefisme altijd levendig en boeiend.

Een klein minpuntje: Seyed-Gohrabs boek lijkt een aantal eeuwen over te slaan. Er is een groot gat tussen zijn behandeling van de vroege en late Middeleeuwen en het laatste hoofdstuk, waarin de ontwikkelingen uit grofweg de laatste 150 jaar centraal staan. Dit behelst de strijd tegen de koloniale bezetters, maar ook de contemporaine receptie in de islamitische wereld, onder andere in de poëzie van ayatollah Khomeini. Maar wat is er daarvoor gebeurd?

Verplichte kost

Hoewel Asghar Seyed-Gohrabs Soefisme dus ‘slechts’ een inleiding is, is het een enorm rijk en gevarieerd boek. Het is verplichte kost voor iedereen die meer wil weten over de islam en al haar tradities, voor iedereen die voorbij de kortzichtige meningen die het nieuws domineren wil kijken – misschien wel gewoon voor iedereen. Als Soefisme iets aantoont, is het hoeveel verschillende stromingen er binnen de islam bestaan, en hoe moeilijk een religie zich dus laat vernauwen tot één bepaald stereotype. Dat is voor veel mensen een belangrijke les om te leren.